Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2582

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
13/2773 en 13/2783
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is niet gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift (avv) maar tegen een concreet besluit, genomen ter uitvoering van een avv, waarbij aan eiser subsidies zijn toegekend inzake met name genoemde Wsnp-zaken. Dat namens eiser tegen dit besluit meer algemene gronden zijn ingediend, doet daar niet aan af.

Besluit is op juiste wijze toegepast. Noch uit de tekst, noch uit de toelichting bij het Besluit, volgt dat een verhoging van de BTW automatisch tot gevolg heeft dat de subsidiebedragen die op grond van het Besluit worden toegekend met het bedrag van een verhoging van het BTW-tarief moeten worden verhoogd.

Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In de nieuwsbrief zijn geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt.

De omstandigheid, dat in het verleden de BTW-verhoging wel is doorberekend in de bewindvoerderssubsidie, brengt niet mee dat eiser erop mocht vertrouwen dat dit ook voor de periode in geding zou plaatsvinden. Dat verweerder besloten heeft om vanaf 1 oktober 2013 de verhoging van de BTW wel door te voeren brengt ook niet mee dat voor een eerdere periode aanspraak kan worden gemaakt op een hogere vergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet Justitie-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: AWB 13/2773 en AWB 13/2783

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2014 in de zaken tussen

[eiser][eiser], te[plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. G. Schraa),

Beroepsvereniging Bewindvoerders WSNP, eiseres

(gemachtigde: mr. G. Schraa),

en

De minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E.A.M. Fischer-Appels),

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2013 (het primaire besluit) is aan eiser middels een rekening-courant-overzicht subsidie toegekend in een aantal aan hem toegewezen Wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen) zaken.

Bij besluit van 22 augustus 2013 (het bestreden besluit) is het hiertegen door eiser ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser en eiseres hebben tegen dit besluit beroep ingediend bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser treedt op als bewindvoerder in Wsnp-zaken. Voor deze zaken ontvangt hij een subsidie van de Raad voor de Rechtsbijstand (hierna: de Raad), die hiertoe door verweerder is gemandateerd. Eiser is het niet eens met de hoogte van de hem bij het primaire besluit toegekende subsidies. Ook eiseres heeft zich in beroep tegen de hoogte van de vastgestelde subsidies gekeerd.

Ontvankelijkheid

2.

Allereerst is aan de orde de vraag of eisers ontvankelijk in hun beroep zijn te achten.

2.1

Namens verweerder is gesteld dat eiseres niet ontvankelijk is te achten omdat zij als procespartij geen besluit in primo heeft ontvangen en geen bezwaar heeft ingediend tegen het aan eiser gerichte primaire besluit.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat ook eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de Raad geen zelfstandige subsidiebevoegdheid heeft maar de subsidie uit hoofde van een door verweerder aan de Raad verleend mandaat verstrekt. Nu verweerder het vaststellen van de hoogte van de subsidie niet heeft gemandateerd maar deze hoogte is vastgesteld in een algemeen verbindend voorschrift (avv), te weten het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering (hierna: het Besluit), moet het beroep worden geacht te zijn gericht tegen dit avv. Nu hier ingevolge het bepaalde in artikel 8:3, eerste lid, onder a, Awb, geen zelfstandig bezwaar en beroep tegen open staat, moet eiser niet-ontvankelijk worden geacht in zijn beroep.

2.2

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

2.3

Reeds nu eiseres geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit is, in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te achten. Niet gebleken is dat eiseres redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Het namens eiseres ter zitting gestelde, dat zij niet op de hoogte was van het primaire besluit nu dit alleen aan eiser is toegezonden, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het primaire besluit is op de juiste wijze bekendgemaakt, namelijk door toezending aan de aanvrager, terwijl er geen wettelijke plicht bestond om het besluit ook aan anderen dan de aanvrager bekend te maken. Het beroep van eiseres zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.4

De stelling van verweerder in het verweerschrift, dat ook eiser niet-ontvankelijk is te achten in zijn beroep omdat het beroep zou zijn gericht tegen het avv, slaagt niet. Daarvoor is redengevend dat het beroepschrift is gericht tegen een concreet besluit, genomen ter uitvoering van een avv, waarbij aan eiser subsidies zijn toegekend inzake met name genoemde Wsnp-zaken. Dat namens eiser tegen dit besluit meer algemene gronden zijn ingediend, doet daar niet aan af. De rechtbank acht het beroep van eiser dan ook ontvankelijk.

Ten aanzien van de inhoud

3.

In geschil is de vraag of verweerder de per 1 oktober 2012 ingevoerde verhoging van de BTW van 19,5% naar 21% terecht niet heeft doorgevoerd in de aan eiser bij het bestreden besluit toegekende subsidie.

3.1

Eiser stelt zich op het standpunt dat de Raad op grond van het Besluit gehouden was de verhoging van de BTW naar 21% door te berekenen in de aan eiser toe te kennen subsidie. Eiser heeft daarvoor verwezen naar de tekst van het Besluit en de bijbehorende Nota van Toelichting. Eiser volgt niet de stelling van verweerder dat verweerder op grond van het Besluit een afweging kan maken om subsidiebedragen al dan niet te wijzigen in geval van een BTW-wijziging.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij een afweging kan maken om de subsidiebedragen in het Besluit al dan niet te verhogen na een wijziging van de BTW-bedragen. Nu de hoogte van de te verstrekken subsidiebedragen niet is aangepast in het Besluit was de Raad niet bevoegd om in mandaat namens hem in individuele zaken na 1 oktober 2012 een hogere subsidie uit te keren.

3.3

Ingevolge artikel 48c, eerste en tweede lid, Wet Justitie-subsidies kan Onze Minister subsidie verstrekken ten behoeve van het optreden als bewindvoerder als bedoeld in artikel 287, derde lid, Faillissementswet en ten behoeve van activiteiten ter ondersteuning van bewindvoerders.

Ingevolge artikel 48d, eerste lid, Wet Justitie-subsidies worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent:

  1. De personen of instellingen waaraan de subsidies kunnen worden verstrekt;

  2. De wijze waarop het bedrag van de subsidies wordt bepaald;

  3. De aan de subsidies voor de ontvanger verbonden verplichtingen voor zover niet reeds voortvloeiend uit de derde titel van de Faillissementswet;

  4. De verlening van voorschotten;

  5. De vaststelling en verdeling van een of meer subsidieplafonds.

Bij het Besluit (van 6 februari 2001, Stb 2001, 80) is aan artikel 48c en 48d van de Wet Justitie-subsidies uitvoering gegeven.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit, verstrekt het bestuur van de Raad namens Onze Minister subsidie.

Bij besluit van 23 juli 2009 (nr. 5612426/09) heeft de Minister van Justitie mandaat verleend aan de Raad voor de rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch tot het nemen van besluiten met betrekking tot het verlenen van subsidie als bedoeld in artikel 48c van de Wet Justitie-subsidies en het vaststellen van beleidsregels met betrekking tot de onder a verleende bevoegdheid.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit, zoals gold ten tijde van belang, wordt de bewindvoerderssubsidie verstrekt naar de stand van de zaak ten tijde van de benoeming tot bewindvoerder en bedraagt per afgewikkelde zaak, inclusief de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, en onverminderd de aanspraak op een salaris uit hoofde van het Besluit salaris bewindvoerder:

  1. Indien de schulden niet in belangrijke mate voortvloeien uit beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden: € 1.029,-;

  2. Indien de schulden in belangrijke mate voortvloeien uit beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden: € 2.281,-.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit wordt de subsidie, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, jaarlijks door Onze Minister aangepast overeenkomstig het voor dat jaar vastgestelde percentage voor de bijdrage in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling aan niet VWS-gebonden gepremieerde en gesubsidieerde sectoren. Het basisbedrag wordt afgerond op hele euro's.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit is op pagina 9 vermeld dat de subsidiebedragen in het eerste lid van artikel 4 gelden inclusief BTW. Op pagina 10 van de Nota van Toelichting is het volgende vermeld:

‘In het vierde en vijfde lid is de indexering van de subsidie geregeld, zulks naar analogie van de indexeringsbepaling in artikel 3 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000. Een dergelijke jaarlijkse aanpassing kwam in het tijdelijke subsidiebesluit bewindvoerder schuldsanering niet voor, doch is nu gezien de in beginsel onbepaalde looptijd van dit besluit wel wenselijk. Een indexering voorkomt dat de hoogte van de subsidie in verhouding tot de arbeidsvoorwaardenontwikkeling geleidelijk afneemt, en waarborgt tevens dat een aanpassing relatief snel kan worden verwezenlijkt. Eventuele wijzigingen in het BTW-tarief zullen afzonderlijk in de tariefstelling worden betrokken.‘

3.4

Niet in geschil is dat het aan eiser uitgekeerde bedrag overeenkomt met het in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, genoemde bedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt noch uit de tekst, noch uit de toelichting bij het Besluit, dat een verhoging van de BTW automatisch tot gevolg heeft dat de subsidiebedragen die op grond van het Besluit worden toegekend met het bedrag van een verhoging van het BTW-tarief moeten worden verhoogd.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, dat de subsidie wordt verstrekt inclusief de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, niet kan worden afgeleid dat de hoogte van de BTW, die in het subsidiebedrag is verrekend, gelijk moet zijn aan het alsdan geldende BTW-tarief. Naar het oordeel van de rechtbank kan enkel worden geconcludeerd dat de subsidie inclusief BTW wordt uitbetaald. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het Besluit alleen een indexeringsbepaling is opgenomen ten aanzien van het voor dat jaar vastgestelde percentage voor de bijdrage in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling. Deze dient volgens het bepaalde in artikel 4, vierde lid, van het Besluit, jaarlijks te worden meegenomen bij de vaststelling van het subsidiebedrag. Er geldt echter geen wettelijke bepaling ten aanzien van de verhoging van het BTW-tarief.

Voor haar oordeel vindt de rechtbank steun in de Nota van Toelichting, waarin ten aanzien van artikel 4 van het Besluit wordt vermeld dat ‘eventuele wijzigingen in het BTW tarief afzonderlijk in de tariefstelling zullen worden betrokken’. De rechtbank kan dit niet anders uitleggen dan dat de subsidiebedragen niet automatisch worden aangepast aan de wijzigingen in het BTW-tarief. Dat de subsidie niet meer kostendekkend is indien het gewijzigde BTW-tarief hierin niet wordt doorgevoerd, kan, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de Raad het Besluit op juiste wijze heeft toegepast.

4.1

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu in het verleden de wijziging van het BTW-tarief wel is doorgevoerd in het Besluit en vervolgens in de concrete subsidiebesluiten, dit nu ook had moeten gebeuren. Daarbij acht eiser van belang dat het gewijzigde BTW-tarief per 1 oktober 2013 alsnog is doorgevoerd in het Besluit. Voorts is volgens eiser in september 2012 in een nieuwsbrief van de Raad aangegeven dat de BTW-verhoging wel zou worden doorberekend in de concrete subsidiebesluiten.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een doorgevoerde BTW-verhoging in de bewindvoerderssubsidie in het verleden geen garantie biedt voor eenzelfde soort verhoging op een later moment. Dat verweerder besloten heeft om vanaf 1 oktober 2013 de verhoging van de BTW wel door te voeren brengt niet mee dat ook voor een eerdere periode aanspraak kan worden gemaakt op een hogere vergoeding.

4.3

De rechtbank vat eisers beroep als omschreven onder rechtsoverweging 4.1 op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande dat een dergelijk beroep volgens vaste rechtspraak (o.a. CRvB, 9 augustus 2011, LJN BR4926) alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt. In de bedoelde nieuwsbrief worden dergelijke toezeggingen niet gedaan, zodat de beroepsgrond faalt.

Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat de omstandigheid, dat in het verleden de BTW-verhoging wel is doorberekend in de bewindvoerderssubsidie, evenmin meebrengt dat eiser erop mocht vertrouwen dat dit ook voor de periode in geding zou plaatsvinden. Dat verweerder besloten heeft om vanaf 1 oktober 2013 de verhoging van de BTW wel door te voeren brengt ook niet mee dat voor een eerdere periode aanspraak kan worden gemaakt op een hogere vergoeding.

5.

Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eiser ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, voorzitter, mr. K. Wentholt en mr. J.L. Boxum, leden, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: