Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2529

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
18.930044-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht op basis van vorenstaande verklaringen en bevindingen de volgende gang van zaken aannemelijk.

Op dinsdag 18 februari 2014 maakte verdachte -in zwaar beschonken toestand- met een mes de bank in de woonkamer van zijn ouders kapot. Nadat vader hier wat van zei, stak verdachte hem met het mes ter hoogte van de borst. Het door de raadsman van verdachte geschetste scenario dat het slachtoffer -al dan niet zelf ook in beschonken toestand- zich zelf zou hebben verwond door mogelijk in het mes te vallen acht de rechtbank in het geheel niet aannemelijk nu door de forensisch arts een letsel is geconstateerd passend bij een steekletsel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 45/302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930044-14

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 23 mei 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te[woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 9 mei 2014.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. J. Dekens, advocaat te Odoorn.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 18 februari 2014, te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in ieder geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 februari 2014, te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes, in ieder geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 18 februari 2014, te Emmen in de gemeente Emmen, opzettelijk mishandelend zijn vader [slachtoffer], tot wie hij in familierechtelijke betrekking stond, met een mes, in ieder geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst heeft gestoken, waardoor die[slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J.L. van den Broek acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd en vordert dat de verdachte van dit feit zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie acht hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank verdachte voor dit feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering hetgeen mede zal inhouden een meldplicht, een gedragsinterventie in de vorm van GI-GGZ korte leefstijltraining, een behandelverplichting voor zijn agressieproblematiek bij de Ambulante Forensische Psychiatrie en een drugs- en alcoholverbod.

Vrijspraak

De verdachte dient van het hem primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken omdat de rechtbank dit, evenals de verdachte, diens raadsman en de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank is ten aanzien van het primair ten laste gelegde van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte het (voorwaardelijke) opzet had om het slachtoffer van het leven te beroven. Niet is vast komen te staan dat de door verdachte gedane stekende beweging zodanig van aard is geweest dat de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer hierdoor zou overlijden.

De rechtbank baseert zich hierbij verder op de relatieve beperktheid van het letsel, hetgeen blijkt uit de letselrapportage van de forensische geneeskundige [X] van de GGD-Drenthe d.d. 8 mei 2014, waarin wordt gesproken over een letsel dat naar verwachting van[X] binnen enkele weken zal genezen met een klein litteken.

De rechtbank acht wel het subsidiair tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling bewezen.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert zich voor het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde feit op de navolgende verklaringen van aangever [slachtoffer] en de [getuige], alsmede op de waarnemingen en bevindingen van de [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zoals opgenomen in het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie Drenthe, District Zuidoost, Unit Recherche Zuidoost, registratienummer PL032E-2014013302, d.d. 26 februari 2014 met bijlagen, op grond waarvan de rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken reconstrueert.

Aangever [slachtoffer] zegt in zijn aangifte (proces-verbaal aangifte, pagina 16) dat hij op 18 februari 2014 door zijn zoon [verdachte] in zijn borst gestoken en dat hij dat heeft gedaan met een steakmes.

Aangever zegt in zijn nadere verklaring ten overstaan van de politie (pagina’s 23 en 24) zakelijk weergegeven dat zijn zoon nu dertig jaar oud is en sinds zijn dertiende alcohol drinkt; dat als zijn zoon, verdachte, drinkt hij dan agressief wordt en dat hij met dingen gooit en dingen stuk maakt; dat verdachte geen werk heeft en met drinken begint zodra hij wakker wordt; dat verdachte op dinsdag 18 februari 2014 met een mes de bank in de woonkamer kapot maakte; dat verdachte, nadat aangever hier wat van zei, hem met het mes ter hoogte van de borst stak; dat toen verdachte hem stak aangever dat heel goed voelde en dat het pijn deed.

[getuige] verklaart ten overstaan van de politie (pagina’s 26 t/m 29), zakelijk weergegeven dat haar zoon, de verdachte, verslaafd is aan alcohol en drugs sinds zijn dertiende jaar; dat het het afgelopen halfjaar heel slecht gaat met verdachte en dat hij de gehele dag drinkt; dat verdachte ook zegt dat hij het leven niet meer ziet zitten en dat hij dood wil; dat zij van het daadwerkelijk steken van verdachte richting zijn vader niets heeft gezien, omdat ze op een stoel in de woonkamer sliep; dat getuige toen ze wakker werd zag dat haar man bloed had en dat haar zoon, de verdachte, toen meteen zei dat hij het niet had gedaan.

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2014 van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina’s 31 en 32) houdt zakelijk weergegeven als eigen wetenschap, waarneming en bevinding in, dat op er dinsdag 18 februari 2014, omstreeks 23:18 een melding binnenkwam bij de meldkamer Drenthe dat een vader gestoken was met een mes door zijn zoon; dat het een bekend adres van de politie betrof,[adres] te Emmen; dat door de verbalisanten in de woning vader, moeder en zoon werden aangetroffen; dat vader zichtbaar was verwond, dat hij een aan de voorzijde met bloed doordrenkt shirt aan had, en er een verwonding ter hoogte van zijn linkerborst zichtbaar was; dat hij vertelde dat hij met een mes ter hoogte van zijn linkerborst gestoken was, door zijn zoon [verdachte], de verdachte; dat met verdachte geen gesprek mogelijk was aangezien deze een extreem dronken indruk maakte op de verbalisanten en ernstig naar alcohol rook; dat verdachte hierop is aangehouden en de verbalisanten het mes, waarmee gestoken zou zijn, inbeslaggenomen hebben.

De rechtbank baseert zich voor het bewijs van het subsidiair tenlastegelegde voorts op de letselrapportage van de Forensische Geneeskunde GGD Drenthe d.d. 8 mei 2014, opgemaakt door de forensisch arts [X], betreffende het letsel van aangever [slachtoffer]. Dit rapport houdt onder meer in dat er één letsel, passend bij een steekletsel is geconstateerd, dat de diepte van het letsel niet is vastgesteld, dat er geen vitale diepere delen zijn geraakt, hetgeen gezien de locatie bij het hart en de longen zeer wel het geval had kunnen zijn, dat het geconstateerde letsel naar verwachting binnen enkele weken zal genezen met een klein litteken.

De rechtbank acht op basis van vorenstaande verklaringen en bevindingen de volgende gang van zaken aannemelijk.

Op dinsdag 18 februari 2014 maakte verdachte -in zwaar beschonken toestand- met een mes de bank in de woonkamer van zijn ouders kapot. Nadat vader hier wat van zei, stak verdachte hem met het mes ter hoogte van de borst. Het door de raadsman van verdachte geschetste scenario dat het slachtoffer -al dan niet zelf ook in beschonken toestand- zich zelf zou hebben verwond door mogelijk in het mes te vallen acht de rechtbank in het geheel niet aannemelijk nu door de forensisch arts een letsel is geconstateerd passend bij een steekletsel.

De rechtbank acht op grond van deze gang van zaken en de hiervoor vermelde bewijsmiddelen het subsidiair tenlastegelegde feit, de poging zware mishandeling, bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het hem subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 18 februari 2014, te Emmen in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het hem subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het subsidiair bewezen geachte levert op:

Poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 23 april 2014, opgemaakt door dr.[Y], klinisch psycholoog te Groningen en ingeschreven in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Verdachte heeft een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De stoornis is te omschrijven als langdurig en ernstige alcohol afhankelijkheid en misbruik en de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens als een lichte verstandelijke beperking, ten gevolge van alcoholmisbruik.

Daarnaast is verdachte gevoelig voor stress waarop hij vaak met lichamelijke klachten reageert, heeft hij een lage frustratietolerantie, staat hij wantrouwend en vijandig tegenover andere mensen en is hij introvert. Tenslotte is er veel boosheid en agressie bij verdachte aanwezig die hij zowel direct uit als opkropt.

Verdachte ontkent het tenlastegelegde en weigert er over te praten. Ook is het onduidelijk door zijn weigering of hij voorafgaand aan de gebeurtenissen uit de tenlastelegging alcohol gedronken heeft zoals zijn vader verklaarde. Daarom is het onzeker of zijn alcohol afhankelijkheid en misbruik en ook zijn lichte verstandelijke beperking van invloed zijn geweest op het tenlastegelegde, indien bewezen. De psycholoog kan daarom geen uitspraak doen over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie van de psycholoog en maakt die tot de hare.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 19 februari 2014.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden gevorderd, met aftrek van voorarrest, waarvan een gedeelte van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht van de reclassering, hetgeen mede zal inhouden een meldplicht, een gedragsinterventie in de vorm van GI-GGZ korte leefstijltraining, een behandelverplichting voor zijn agressieproblematiek bij de Ambulante Forensische Psychiatrie en een drugs- en alcoholverbod.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Het bewezen verklaarde rekent de rechtbank verdachte aan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangever.

In beginsel wordt voor dergelijke feiten gevangenisstraf van aanmerkelijke duur opgelegd.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2014 waaruit blijkt dat verdachte eerder terzake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het advies van de psycholoog[Y] in zijn rapport van 23 april 2014, waarin hij stelt dat, omdat bijna alle veroordelingen van verdachte plaatsvonden na het gebruik van alcohol, de kans op een recidive als hoog wordt ingeschat, zolang hij niet definitief stopt met bet drinken van a1cohol.

Ter voorkoming van een recidive adviseert de psycholoog verdachte in het kader van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf onder verplicht reclasseringstoezicht van de VNN te plaatsen met daarbij als voorwaarde dat hij zich voor zijn alcoholmisbruik laat behandelen. Mocht dit ambulant niet lukken, dan dient verdachte daarvoor opgenomen te worden, bijvoorbeeld in de Pieter Roorda kliniek of een soortgelijke instelling. Daarnaast is het van belang, aldus de psycholoog dat hij zelfstandig gaat wonen en (eenvoudig) werk gaat doen. Ook wordt geadviseerd middels een ambulante behandeling verdachtes frustratietolerantie te verhogen en zijn stressgevoeligheid en de bij hem aanwezige agressie te verminderen. Een dergelijke behandeling is mogelijk bij een Forensische polikliniek dan wel bij de GGZ.

Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheden en achtergronden van de verdachte zoals omschreven in het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 2 mei 2014.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden en mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting, van oordeel dat in dit geval het opleggen van de deels voorwaardelijke gevangenisstraf, als door de officier van justitie is gevorderd, een passende bestraffing is voor deze verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan een gedeelte groot 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank beveelt, dat het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot toezicht op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden overeenkomstig artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het wetboek van strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

  • -

    zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN), afdeling reclassering, Parallelweg 36, 7822 GM te Emmen, en zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd noodzakelijk acht;

  • -

    zal deelnemen aan de gedragsinterventie GI-GGZ (korte) leefstijltraining, nader te bepalen door VNN;

  • -

    zich verplicht laat behandelen voor zijn agressieproblematiek bij de Ambulante (Forensische) Psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    wordt verplicht tot een korte klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal 7 weken, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    zich onthoudt van het gebruik van drugs en alcohol en daartoe meewerkt aan urine- en bloedcontroles, gericht op middelengebruik, zolang de reclassering dit nodig acht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 18 juni 2014.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter en mr. P.J. van Steen en mr.

S. Zwerwer, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 mei 2014, zijnde mr. P.J. van Steen en mr. S. Zwerwer buiten staat dit vonnis binnen de daartoe door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.