Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2405

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
14-05-2014
Zaaknummer
18/930434-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke werkstraf voor aanranding van de eerbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/930434-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 mei 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 29 april 2014.

De verdachte is verschenen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 23 maart 2013 te Assen, door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer]heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van

een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het zuigen aan een tepel/borst van die [slachtoffer], althans het betasten van de borsten/een borst van die [slachtoffer] en/of

- het betasten/strelen van de blote rug van die [slachtoffer] en/of

- het betasten/strelen van de billen van die [slachtoffer],

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] gedeeltelijk van de door haar gedragen kleding heeft ontdaan en/of

- die ontuchtige handeling(en) onverwachts bij die [slachtoffer] heeft verricht;

art 246 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. P.F. Hoekstra acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

- 1 dag gevangenisstraf, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf, met een proeftijd, en als bijzondere

voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede een ambulante behandeling kan

inhouden;

- 100 uren werkstraf, subsidiair 50 dagen hechtenis;

- toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], ten bedrage van

€ 1309,34, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- de verklaring van [slachtoffer] tijdens een informatief gesprek zeden1;

- de aangifte van [slachtoffer]2;

- de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 maart 2013 te Assen, door feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit

- het betasten van een borst van die [slachtoffer] en

- het strelen van de blote rug van die [slachtoffer] en

- het strelen van de billen van die [slachtoffer],

en bestaande die feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] gedeeltelijk van de door haar gedragen kleding heeft ontdaan en

- die ontuchtige handelingen onverwachts bij die [slachtoffer] heeft verricht.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid,

strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking, de

aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan,

hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van

de verdachte, voormelde eis van de officier van justitie en de inhoud van het de verdachte

betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 25 maart 2014, waaruit

blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een soortgelijk misdrijf is veroordeeld, alsmede de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, zoals hiervoor bewezen is verklaard, met een destijds zeventienjarig slachtoffer. De verdachte heeft onder invloed van alcohol inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en heeft zich niet bekommerd om de gevoelens van het slachtoffer en haar (seksuele) ontwikkeling. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van uitermate ongepast gedrag.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de

hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval - mede gelet op het door verdachte getoonde berouw en de gevolgen voor verdachte in zijn persoonlijke levenssfeer - een voorwaardelijke werkstraf van na te melden omvang passend is. De rechtbank is anders dan door de officier van justitie is betoogd, van oordeel dat de situaties als bedoeld in artikel 22b Sr zich hier niet voordoen. Gelet op de bewezen verklaarde handelingen is naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake van een zodanige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dat deze moet worden gekwalificeerd als “een ernstige inbreuk” als bedoeld in lid 1a. van voormeld artikel, onder welke omstandigheden een enkele taakstraf niet opgelegd kan worden.

De rechtbank zal aan de op te leggen voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarde(n) verbinden, inhoudende een mogelijke ambulante behandeling, zoals door de officier van justitie is gevorderd, nu er geen causaal verband bestaat tussen de problemen van verdachte op persoonlijk vlak en de kans op recidive van een soortgelijk feit.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen.

De vordering acht zij tot een bedrag van € 309,34 -bestaande uit € 250,00 immateriële schade en € 59,34 materiële schade- voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige, de meergevorderde immateriële schade, zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijzen, nu deze schade niet aannemelijk is gemaakt.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een taakstraf bestaande uit 60 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast,

geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat deze voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 309,34, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2013 tot het tijdstip van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank wijst het overige deel van de vordering van de benadeelde partij af.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag van € 309,34 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 2013 tot het tijdstip van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter,

en mr. E. Läkamp en H. de Wit, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 13 mei 2014,

zijnde mr. De Wit buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 op pagina 30ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: PL031E 2013020933 (het PV)

2 op pagina 34ev van het PV