Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2339

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
18/730032-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op 8 mei 2014 een 31-jarige man wegens diefstal, poging tot afpersing en mishandeling bij een woninginbraak en diefstal in een supermarkt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. De rechtbank acht bewezen dat de man tijdens de woninginbraak geld en sieraden wegnam uit de slaapkamer waar de bewoners lagen te slapen. Toen de bewoners wakker werden, bedreigde de man zowel de mannelijke als de vrouwelijke bewo(o)n(st)er van de woning om meer geld van hen te krijgen. De man sloeg een bierflesje kapot waarmee hij de vrouw bedreigde en mishandelde. De rechtbank spreekt de man vrij van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu niet kan worden bewezen dat door het handelen van de man een aanmerkelijke kans bestond dat de vrouw zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300 310 311 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730032-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/001786-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 24/002790-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 mei 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven, Oude Asserstraat 20 te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 april 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd in de zaak met parketnummer 18/730032-14 dat:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2013 te Gytsjerk, in ieder geval in de

gemeente Tytsjerksteradiel, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd

(omstreeks 05.30 uur) in een woning (gelegen aan of bij [adres slachtoffers]

[adres slachtoffers])

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

hoeveelheid geld (ongeveer 2700 euro) en/of een hoeveelheid sieraden, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffers], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffers] gepleegd met

het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te

maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren en/of

B.

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld en/of

goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

die [slachtoffers], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen

misdrijf/misdrijven niet is/zijn voltooid,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

toen aldaar (opzettelijk dreigend en/of gewelddadig)

- die [slachtoffers] (op dwingende toon en/of met

stemverheffing en/of op luide toon) de woorden heeft toegevoegd: "We gaan

naar de keuken! Daar hebben jullie messen en daar ga ik jullie doodmaken!"

en/of "Jullie hebben meer, jullie moeten meer hebben met z'n groot huis!",

althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een (gevuld) bierflesje

en/of verdachtes hand(en) op/tegen het hoofd heeft geslagen/getikt en/of

- ( op dwingende toon) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij naar de

keuken wilde en dat hij geld wilde halen, althans woorden van gelijke aard

of strekking, en/of

- een (gevuld) bierflesje op de trapleuning heeft kapotgeslagen en/of

- dat/een kapot(te)/gebroken bierflesje opzettelijke dreigend bij de keel/hals

van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en/of

- met dat/een kapot(te)/gebroken bierflesje, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in de hals van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden/geduwd

en/of

- en bij vorenstaande handelingen/gedragingen (telkens) (op dwingende toon

en/of met stemverheffing en/of op luide toon) heeft aangegeven dat hij geld

wilde,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de

verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in

kracht van gewijsde is gegaan;

hij op of omstreeks 22 december 2013 te Gytsjerk, in ieder geval in de

gemeente Tytsjerksteradiel, in een woning (gelegen aan of bij de

[adres slachtoffers]), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] met een

kapot/gebroken bierflesje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

keel/hals heeft gestoken/gesneden/geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 december 2013 te Gytsjerk, in ieder geval in de

gemeente Tytsjerksteradiel, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten[slachtoffer 2]

[slachtoffer 2]), met een kapot/gebroken bierflesje, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in de keel/hals heeft gestoken/gesneden/geduwd, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en in de zaak met parketnummer 18/001786-14 dat:

hij op of omstreeks 3 januari 2014 te Dokkum, (althans) gemeente Dongeradeel,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een winkel/pand

(gelegen aan of bij de [adres 2], aldaar) heeft weggenomen een

geldbedrag (een bedrag van ongeveer 330 euro), in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [slachtoffer 3], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. A en B en 2. primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/001786-14 ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren;

- tenuitvoerlegging van de op 19 april 2013 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van

€ 1.450,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling van het bewijs

De officier van justitie heeft veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. A en B en het onder 2. primair ten laste gelegde gevorderd.

Met betrekking tot het onder 2. primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met het kapotgeslagen flesje zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] zou veroorzaken.

De raadsman van verdachte heeft gemotiveerd vrijspraak voor het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. B en onder 2. primair ten laste gelegde bepleit.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte een bierfles - op welke manier dan ook - heeft gebruikt als dreigmiddel noch dat hij met een kapotte bierfles letsel bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. Hiertoe heeft de raadsman erop gewezen dat er geen DNA van verdachte op de onderzochte bierfles is aangetroffen en dat evenmin bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] had.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1. A en B. en 2. ten laste gelegde het volgende. Aan de raadsman moet worden toegegeven dat het onderzoek aan de in de woning van aangevers aangetroffen flessenhals geen bruikbare vingerafdrukken en/of DNA-profielen heeft opgeleverd. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat is uitgesloten dat verdachte met de flessenhals heeft gedreigd en daarmee aangeefster in de hals heeft verwond. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte het bierflesje – nadat hij [slachtoffer 2] daarmee had verwond – tegen de muur van de bijkeuken heeft gegooid en dat het glas nog in de muur zat. Deze verklaring wordt ondersteund door het onderzoek op de plaats delict. In het proces-verbaal sporenonderzoek wordt gerelateerd dat in de bijkeuken op een werkblad de hals van een bierflesje lag en dat in de wand van dit vertrek een glasscherf zat. Op de foto van de flessenhals die zich in het dossier bevindt is te zien dat de drinkopening onbeschadigd is. De flessenhals is vervolgens veiliggesteld voor onderzoek.

De rechtbank leidt daaruit af dat de flessenhals van het bierflesje - nadat verdachte de hal van de woning had verlaten en via de bijkeuken de woning uit wilde gaan – aan de onderzijde verder beschadigd is geraakt doordat verdachte de flessenhals tegen de muur heeft gegooid. Gelet daarop brengt de enkele omstandigheid dat uit onderzoek niet is gebleken dat lichaamsmateriaal van verdachte of van [slachtoffer 2] op de onderzochte flessenhals is aangetroffen niet met zich dat de door[slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] geschetste handelingen van verdachte met het bierflesje niet kunnen hebben plaatsgevonden. De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. De rechtbank acht - op grond van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen - bewezen dat verdachte met een (kapotgeslagen) bierflesje heeft gedreigd en daarmee in de hals van[slachtoffer 2] heeft geduwd.

De rechtbank constateert dat verdachte geld en sieraden heeft weggenomen uit de slaapkamer op de eerste verdieping van de woning van[slachtoffer 1] en[slachtoffer 2], terwijl zij daar lagen te slapen. Pas daarna, op de begane grond van de woning, heeft verdachte een bierflesje in de hand genomen en met geweld en bedreiging met geweld geprobeerd om meer geld van[slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] te verkrijgen. Nu verdachte de buit op dat moment al binnen had en het voortduren van zijn verblijf in de woning blijkens zowel zijn eigen verklaring als die van[slachtoffer 1] en[slachtoffer 2] slechts was gericht op het verkrijgen van meer geld, acht de rechtbank niet bewezen dat het (dreigen met) geweld in verband met de gestolen sieraden en het geld heeft plaatsgevonden, zoals onder 1. A ten laste is gelegd.

Met betrekking tot het onder 2. primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is vereist dat verdachte minstens voorwaardelijk opzet op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel had. Daarvoor is voldoende dat komt vast te staan dat er een aanmerkelijke kans op het optreden van zwaar lichamelijk letsel heeft bestaan en dat verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.

Weliswaar kan naar het oordeel van de rechtbank - op grond van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen - worden vastgesteld dat verdachte met een kapot bierflesje letsel, in de vorm van oppervlakkige snijwonden in de hals, aan[slachtoffer 2] heeft toegebracht. Omtrent de kracht en de intensiteit waarmee verdachte de flessenhals in de hals van[slachtoffer 2] heeft geduwd kan de rechtbank echter onvoldoende vaststellen. De aard van het letsel wijst er in ieder geval niet op dat daarbij veel kracht is gebruikt, of dat verdachte met de flessenhals in het rond heeft gezwaaid. Gelet daarop acht de rechtbank niet bewezen dat er door het duwen van de flessenhals in de hals van[slachtoffer 2] een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bestond. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2. primair ten laste gelegde.

De rechtbank past bij de beoordeling van het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1.

De door verdachte op de terechtzitting van 24 april 2014 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 22 december 2013 in een woning in Gytsjerk geld en sieraden weggenomen.
Ik heb tegen de bewoners gezegd dat ik meer geld wilde. Om mijn woorden kracht bij te zetten, heb ik de man een paar keer op het achterhoofd getikt en met een bierflesje geslagen op de trapleuning. Het bierflesje ging daardoor kapot.

2.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02N3-2013144620, gesloten op 14 januari 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2013144620-1, d.d. 22 december 2013, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Op zondag 22 december 2013, lag ik samen met mijn vrouw te slapen in onze woning, adres [adres slachtoffers] te Gytsjerk. Ik liep naar beneden, waar ik een man trof in de garage. Ik hoorde hem tegen mij zeggen “we gaan naar de keuken daar liggen wel messen en dan maak ik je dood”. Ik zag in het omdraaien naar de keuken toe dat hij een flesje bier gepakt had. Ik hoorde hem zeggen dat hij meer geld wilde hebben. Ik hoorde deze persoon zeggen “jullie hebben een groot huis, jullie hebben wel geld”. Vervolgens begon hij mij met het bierflesje op mijn hoofd te tikken. Toen mijn vrouw een spuitbus pakte, sloeg de persoon het bierflesje stuk en duwde het kapotgeslagen flesje tegen de keel van mijn vrouw. Ik hoorde hem ook tegen mijn vrouw zeggen “ik maak je dood” of woorden van gelijke strekking.

2.2

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2013144620-4, d.d. 22 december 2013, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op zondag 22 december 2013 om ongeveer 05:30 uur hoorde ik dat mijn man naar beneden was. Ik zag dat mijn man met een persoon zat te praten. Ik zag dat deze persoon een bierflesje in zijn hand had. Ik hoorde de man zeggen dat hij weer naar boven toe wilde om meer geld. Mijn man zei “we hebben geen geld”.

Ik hoorde deze persoon zeggen “jullie hebben een groot huis, jullie hebben wel geld”. Toen begon hij met het bierflesje op mijn man zijn hoofd te tikken om ons angst in te boezemen. Ik zag kans om de antivlooienspray te pakken ter verdediging. De persoon zag dat en sloeg vervolgens het bierflesje kapot op de trap. Ik zag en voelde dat hij het bierflesje op mijn keel zette. Ik hoorde hem zeggen “ik maak je dood”. Daarop spoot ik hem met de spuitbus in de ogen. Ik voelde dat er bloed langs mijn keel droop. Ik voelde een hard stukje in mijn hals. Ik heb dit harde stukje eruit gehaald. Dit bleek een stuk glas te zijn, afkomstig van het bierflesje. De man heeft twee kistjes met sieraden en een envelop met € 2.700,00 meegenomen.

2.3

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2013144620-24, d.d. 6 januari 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Hij pakte dus een bier flesje en sloeg mij daarmee op mijn hoofd. Dit bier flesje zat vol met bier. Weer sloeg de man mij op mijn hoofd met het bierflesje en hij had het weer over geld. Hij zei dat hij naar de keuken wilde en dat hij geld wilde halen. Ik hoorde dat mijn vrouw vrij resoluut “nee” zei. Ik zag dat de man de fles kapot sloeg op de trapleuning. Ik zag dat hij in de richting van de hals van mijn vrouw stak en ik zag dat hij haar raakte in de hals.

2.4

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02AD-2013144620-25, d.d. 6 januari 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik zag dat de man de kapotte bierfles voor mijn gezicht hield en daarmee dreigde. Ik ben vervolgens op de traptrede gaan staan en terwijl ik dat deed zag ik dat de man de bierfles verder richting mijn gezicht bracht. Vervolgens voelde ik dat de man mij met de kapotte fles tegen mijn hals aanduwde. Ik voelde dat ik door de fles in mijn hals werd gestoken. Ik voelde daardoor veel pijn en ik voelde bloed uit mijn hals stroomde. Doordat de man met de kapotte bierfles in mijn hals heeft gestoken, heb ik letsel in mijn hals opgelopen. Ik had een aantal krassen in mijn hals.

3.

een ambtsedig proces-verbaal sporenonderzoek, nummer PL02N3-2013144620-7, d.d. 4 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat [slachtoffer 2] in haar linkerhals twee bebloede wondjes en een aantal rode striemen had. Na het verwijderen van het bloed bleken de twee verwondingen te bestaan uit oppervlakkige sneetjes met rafelige wondranden. Genoemde verwondingen passen in het beeld van het prikken met een kapotgeslagen bierflesje.

4.

foto 12 en foto 13, opgenomen in het proces-verbaal sporenonderzoek, nummer PL02N3-2013144620-7, d.d. 4 maart 2014, betreffende het letsel van [slachtoffer 2].

5.

Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 19 april 2013 ter zake mishandeling en diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren bij een op 4 mei 2013 onherroepelijk geworden arrest is veroordeeld tot een gevangenisstraf.

De rechtbank past met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18/001786-14 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1.

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 april 2014;

2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD-2014001344-1, d.d. 4 januari 2014, inhoudende de aangifte van [aangever];

3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL02AD-2014001344-6, d.d. 3 januari 2014, inhoudende een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. A en B en 2. subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 december 2013 te Gytsjerk gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, omstreeks 05.30 uur, in een woning gelegen aan [adres slachtoffers]

A.

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, ongeveer 2700 euro, en een hoeveelheid sieraden, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

B.

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan die [slachtoffers],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte toen aldaar opzettelijk dreigend en gewelddadig

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "We gaan naar de keuken! Daar hebben jullie messen en daar ga ik jullie doodmaken!" en "Jullie hebben meer, jullie moeten meer hebben met zo'n groot huis!" en

- die [slachtoffer 1] meermalen met een gevuld bierflesje op het hoofd heeft getikt en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij naar de keuken wilde en dat hij geld wilde halen en

- een gevuld bierflesje op de trapleuning heeft kapotgeslagen en

- dat gebroken bierflesje opzettelijke dreigend bij de hals van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en

- met dat gebroken bierflesje in de hals van die [slachtoffer 2] heeft geduwd en

- en bij vorenstaande handelingen heeft aangegeven dat hij geld wilde,

terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

subsidiair

hij op 22 december 2013 te Gytsjerk opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2], met een gebroken bierflesje in de hals heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en in de zaak met parketnummer 18/001786-14 dat:

hij op 3 januari 2014 te Dokkum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel, gelegen aan de [adres 2], aldaar heeft weggenomen een geldbedrag toebehorende aan het winkelbedrijf [slachtoffer 3].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op in de zaak met parketnummer 18/730032-14:

1.

A. Diefstal, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de

nachtrust bestemde tijd in een woning,

B. Poging tot afpersing,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf, wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, in kracht van gewijsde is gegaan.

2.

subsidiair Mishandeling.

en in de zaak met parketnummer 18/001786-14:

Diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 maart 2014, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan diefstal uit een woning gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en een poging tot afpersing. Verdachte is ’s nachts de woning van de aangevers binnen gedrongen via het raam van een slaapkamer op de eerste verdieping. Uit deze slaapkamer heeft verdachte geld en sieraden weggenomen terwijl de bewoners daar lagen te slapen. Eenmaal op de benedenverdieping werd verdachte gestoord door de inmiddels wakker geworden bewoner. In plaats van gebruik te maken van de hem geboden mogelijkheid om de woning via de garagedeur te verlaten, koos verdachte ervoor om meer geld van de man te eisen en hem daarbij met een gevuld bierflesje op het hoofd te tikken. Toen de bewoonster evenmin bereid bleek verdachte meer geld te geven, sloeg verdachte het bierflesje op de trapleuning kapot om het kapotte flesje vervolgens tegen de hals van de vrouw te duwen, waardoor zij pijn en letsel heeft opgelopen.

Verdachte is op een zeer brutale en onverschrokken wijze te werk gegaan. Hij heeft, door de slachtoffers in hun eigen woning te bestelen terwijl ze lagen te slapen en vervolgens de man met een bierflesje op zijn hoofd te tikken en de vrouw met het gebroken bierflesje te verwonden, een uiterst angstige en bedreigende situatie voor hen doen ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige berovingen in de eigen woning zich veelal nog lange tijd angstig en onveilig voelen. Daarnaast ontstaat ook in de samenleving een gevoel van onveiligheid als gevolg van dit soort berovingen. Door de aangevers een grote som geld en waardevolle sieraden afhandig te maken heeft verdachte er bovendien blijk van gegeven andermans eigendomsrechten niet te respecteren. De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het plegen van diefstal in een supermarkt door een greep uit de kassa te doen. Dit feit heeft voor de winkel financiële schade tot gevolg gehad en zal bovendien voor de betreffende caissière en het winkelend publiek een beangstigende ervaring zijn geweest.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister aangaande verdachte blijkt dat hij al meerdere malen, ook recentelijk, is veroordeeld wegens vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen en een lopende proeftijd hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een ernstig vermogensdelict met een geweldscomponent te plegen.

De officier van justitie heeft oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gevorderd. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van een bewezenverklaring van diefstal, diefstal met geweld, een poging tot afpersing en een poging tot zware mishandeling.

De officier van justitie heeft voorts bij haar eis rekening gehouden met het proces-verbaal van bevindingen waarin door verbalisanten is gerelateerd dat verdachte tijdens zijn verhoor heeft gezegd dat de gevolgen voor zijn slachtoffers niet zijn probleem zijn en dat daar therapie voor is.

De raadsman heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden bepleit. Daarbij is hij uitgegaan van een bewezenverklaring van twee diefstallen. De raadsman heeft voorts bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging geen rekening met voornoemd proces-verbaal dient te houden, daar verdachte ontkent de bewuste uitspraken te hebben gedaan en de raadsman de opnames van de verhoren op het politiebureau heeft beluisterd en daarop de bewuste uitspraken niet te horen zijn. Dat de verbalisanten vervolgens in een proces-verbaal d.d. 22 april 2014 hebben verklaard dat de uitspraken tijdens het niet auditief geregistreerde verhoor van 13 januari 2014 om 10:05 uur waren gedaan, acht de raadsman niet aannemelijk.

Naar het oordeel van de rechtbank past bij voornoemde feiten slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, onder meer omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de poging tot zware mishandeling en de rechtbank niet bewezen acht dat het (dreigen met) geweld in de woning in relatie tot de diefstal stond.

De rechtbank laat voorts de uitspraken die verdachte volgens verbalisanten zou hebben gedaan buiten beschouwing bij de bepaling van de op te leggen straf. De verklaring van verbalisanten inhoudende dat verdachte de bewuste uitspraken in het verhoor van 13 januari 2014 om 10:05 uur zou hebben gedaan, acht de rechtbank niet aannemelijk, omdat verdachte in dat verhoor nog ontkende de diefstal in Gytsjerk te hebben gepleegd.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geen andere mogelijkheid zag om aan geld te komen om zijn schulden af te lossen dan in te breken en dat hij door zijn schuldeisers werd bedreigd en mishandeld. Naar het oordeel van de rechtbank vormen dergelijke omstandigheden - waarbij de rechtbank het waarheidsgehalte van de verklaring van verdachte op dit punt in het midden laat - geenszins een reden om aan verdachte een lagere straf op te leggen.

Alles overwegend en aansluitend bij de oriëntatiepunten ontwikkeld door het Landelijk Overleg Voorzitters van de Strafsectoren (LOVS) zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. A en B ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden arrest van 19 april 2013, gewezen door de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 mei 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 2 april 2014 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld arrest voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld arrest gestelde proeftijd. Nu de veroordeelde de in voormeld arrest gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd arrest van 19 april 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 43a, 45, 57, 300, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 2. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730032-14 onder 1. A en B en 2. subsidiair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/001786-14 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.450,00 (zegge: veertienhonderdvijftig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 1.450,00 (zegge: veertienhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.450,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 24/002790-12:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 19 april 2013, te weten:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 mei 2014.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Wiersma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Vlietstra

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Woude

locatie Leeuwarden,

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730032-14

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/001786-14

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 24/002790-12

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer in bovengenoemde rechtbank op 24 april 2014

Tegenwoordig:

mr. Th.A. Wiersma, voorzitter,

mr. N.A. Vlietstra en mr. C. Krijger, rechters, en

mr. C.L. van der Woude, griffier.

Als officier van justitie is ter terechtzitting aanwezig mr. P.F. Hoekstra.

De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.

De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te[adres],

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven, Oude Asserstraat 20 te Veenhuizen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum.

…………………………………

De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van de rechtbank de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van 8 mei 2014 te 13:00 uur.

Verdachte doet afstand van zijn recht bij de uitspraak van het vonnis aanwezig te zijn.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.