Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2281

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
C-17-129281 - HA ZA 13-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hypotheekrecht, schending zorgplicht bank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 208

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/129281 / HA ZA 13-258

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak van

1 [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.J. Tulp, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. van Rijswijk, kantoorhoudende te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] c.s. (en afzonderlijk: [A] respectievelijk [B]) en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 27 november 2013 waarin een comparitie van partijen is gelast

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 februari 2014

  • -

    de brief van 13 februari 2014 van mr. Van Rijswijk met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie

  • -

    het faxbericht van 14 februari 2014 van mr. Tulp met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie, alsmede als reactie op de brief van 13 februari 2014 van mr. Van Rijswijk

  • -

    de brief van 4 maart 2014 van mr. Van Rijswijk als reactie op het faxbericht van mr. Tulp van 14 februari 2014

  • -

    de akte van 19 februari 2014 van de zijde van [A] c.s.

  • -

    de antwoordakte van 5 maart 2014 van de zijde van ABM AMRO.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Ten behoeve van de aanschaf van zijn vrijstaande nieuwbouwwoning aan het adres [adres] heeft [A] c.s. ten aanzien van een af te sluiten hypothecaire lening bij ABN AMRO op 26 maart 2009 een offerte van ABN AMRO ontvangen. Op bladzijde 1 van de offerte is onder meer vermeld:

[…]

Offerte uitgebracht door

Team specials Zuid/Oost

Postbus 1792/1796

3800 BT Amersfoort

[…]

2.2.

In de aanbiedingsbrief bij de hiervoor bedoelde offerte van 26 maart 2009 is onder meer het volgende vermeld:

[…]

Hierbij treft u in tweevoud de offerte aan voor de aangevraagde ABN AMRO Budget Hypotheek met de daarbij behorende bijlagen.

[…]

2.3.

Blijkens de offerte van 26 maart 2009 bestaat de geoffreerde hypothecaire lening uit vijf leningdelen. Het gaat in dit geding om drie van de vijf leningdelen. Over de drie leningdelen is in de offerte het volgende opgenomen:

leningdeelnummer [nummer] Aflossingsvrije hypotheek

Nominaal rentepercentage 2,840%

Rentevastheidsperiode 1 maand Euribor

Effectief rentepercentage 2,9%

Leningsbedrag € 120.000,-

Economische looptijd 30 jaar

Aantal maandelijkse betalingen 360

Maandelijks bedrag rente € 284,00

Op dit leningdeel zijn van toepassing de bijgevoegde Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. (1 september 1995, Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten (september 2008) en Algemene Bepalingen voor geldleningen (15 oktober 2007), hierna tezamen te noemen: ''Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken''.

leningdeelnummer [nummer] Aflossingsvrije hypotheek

Nominaal rentepercentage 2,840%

Rentevastheidsperiode 1 maand Euribor

Effectief rentepercentage 2,9%

Leningsbedrag € 120.000,-

Economische looptijd 30 jaar

Aantal maandelijkse betalingen 360

Maandelijks bedrag rente € 284,00

Op dit leningdeel zijn van toepassing de bijgevoegde Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. (1 september 1995, Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten (september 2008) en Algemene Bepalingen voor geldleningen (15 oktober 2007), hierna tezamen te noemen: ''Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken''.

leningdeelnummer [nummer] Aflossingsvrije hypotheek

Nominaal rentepercentage 2,840%

Rentevastheidsperiode 1 maand Euribor

Effectief rentepercentage 2,9%

Leningsbedrag € 115.000,-

Economische looptijd 30 jaar

Aantal maandelijkse betalingen 360

Maandelijks bedrag rente € 272,17

Op dit leningdeel zijn van toepassing de bijgevoegde Algemene Voorwaarden ABN AMRO Bank N.V. (1 september 1995, Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten (september 2008) en Algemene Bepalingen voor geldleningen (15 oktober 2007), hierna tezamen te noemen: ''Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken''.

2.4.

In de acceptatieverklaring, die onderdeel uitmaakt van de offerte, is onder meer het volgende opgenomen:

De ondergetekenden [A] en [B]

- verklaren de in deze offerte genoemde Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken te hebben ontvangen en daarvan kennis te hebben kunnen nemen en accepteren de bij deze offerte aangeboden lening onder de gestelde voorwaarden.

[…]

2.5.

De offerte van 26 maart 2009 is door [A] c.s. op 2 april 2009 ondertekend. Alle bladzijden van die offerte - waaronder de acceptatieverklaring - zijn door [A] c.s. geparafeerd.

2.6.

In artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken (versie 1 september 2008) is vermeld:

4.1.4.

Euriborrente

Is op de Lening het Euriborrentetarief van toepassing dan geldt het éénmaands Euribortarief. Het éénmaands Euribortarief wordt vastgesteld op de voorlaatste werkdag van de maand en geldt voor de volgende maand, vermeerderd met een opslag. Dit rentepercentage wordt afgerond op drie cijfers achter de komma. Het door u te betalen bedrag zal bij elke rentewijziging worden herberekend onder handhaving van de looptijd. De Bank is bevoegd de opslag te wijzigen. Over die wijziging zult u op voorhand schriftelijk geïnformeerd worden.

2.7.

Op 15 mei 2009 - op dezelfde dag waarop het perceel grond aan de [adres] aan [A] c.s. is geleverd - is de hypotheekakte gepasseerd ten overstaan van notaris mr. Th.R. Wiersma te Drachten.

2.8.

Bij brief van 24 april 2012 heeft ABN AMRO [A] c.s. onder meer het volgende medegedeeld:

Hogere opslag op uw hypotheek met Euribor rentetarief

[…]

U heeft een hypotheek bij ABN AMRO. Een of meer leningdelen van uw hypotheek zijn gebaseerd op het "1-maands Euribor rentetarief". Boven op het Euribor rentetarief betaalt u twee opslagen, waaronder een opslag voor onze kosten. Vanaf juni 2012 gaat u 1% meer opslag betalen voor onze kosten. Wij verhogen de opslag van 1% naar 2%. Wij begrijpen dat dit bijzonder vervelend voor u is. In deze brief leest u waarom wij de opslag verhogen en wat dit voor u betekent.

Waarom verhogen wij de opslag?

Wij vinden het belangrijk dat onze klanten een eerlijke rente betalen voor hun hypotheek. En dat wij open zijn over onze rente. Om u geld te kunnen lenen voor uw hypotheek, lenen wij zelf geld. Wij proberen dit zo goedkoop mogelijk te doen, zodat ook u zo min mogelijk betaalt. Doordat de economie de laatste jaren sterk veranderd is, is het voor ons al lange tijd duurder om geld te lenen. Onze kosten zijn hierdoor al langere tijd hoger dan de opslag die u betaalt. Omdat wij niet verwachten dat deze kosten snel lager worden, zijn wij genoodzaakt om de kosten te verhogen. Dit mogen wij doen volgens de voorwaarden van uw hypotheek.

[…]

2.9.

Bij e-mail van 27 april 2012 van [A] gericht aan ABN AMRO heeft hij geprotesteerd tegen de verhoging van de opslag met 1%.

2.10.

Bij brief van 18 mei 2012 van de rechtsbijstandsverzekeraar van [A] c.s. gericht aan ABN AMRO is wederom geprotesteerd tegen de verhoging van de opslag met 1%. Daarbij is de vernietiging ingeroepen van de door ABN AMRO gehanteerde algemene voorwaarden op grond dat deze algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld. Tevens is daarin vermeld:

[…]

Kennelijk beroept u zich voor de verhoging op artikel 4.1.4. van uw voorwaarden. Voor zo ver u wel kunt aantonen dat de voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst aan cliënten ter hand is gesteld, dan is deze bepaling onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6: 233 sub a BW. Artikel 4.1.4. geeft u het onbeperkte recht de opslag naar eigen goeddunken te verhogen zonder dat u dit nader hoeft te motiveren of onderbouwen. […]

2.11.

Bij brief van 27 juni 2012 van ABN AMRO aan de rechtsbijstandsverzekeraar van [A] c.s. is - kort gezegd - medegedeeld dat ABN AMRO geen reden ziet om de verhoging van de opslag met 1% niet door te voeren.

2.12.

In een door [A] c.s. jegens ABN AMRO aanhangig gemaakt kort geding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, heeft de voorzieningenrechter de door [A] c.s. gevraagde voorzieningen - die dezelfde strekking hebben als de onderhavige vorderingen - geweigerd.

2.13.

In het DNBulletin (het bulletin van de Nederlandse Bank) van 11 oktober 2012 is onder meer vermeld:

[…]

FINANCIERINGSKOSTEN

In 2007 waren banken op de kapitaalmarkt nog in staat om tegen een aantrekkelijk tarief financiering op te halen: slechts enkele basispunten (honderdsten van een procent) boven de risicovrije rentevoet. Grafiek 3 laat zien dat deze risicopremies sindsdien zijn opgelopen en dat opslagen van 50 tot 150 basispunten sinds 2008 gangbaar zijn. Ook de kosten voor het aantrekken van spaargeld zijn sinds de crisis opgelopen in vergelijking met referentierentes zoals Euribor.

[…]

3 De vordering

3.1.

De vordering van [A] c.s. strekt ertoe dat de rechtbank, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht verklaart dat ABN AMRO niet bevoegd is de opslag op de euribor ter zake van de Lening te verhogen;

II. ABN AMRO gebiedt de inmiddels toegepaste verhogingen op de opslag met terugwerkende kracht ongedaan te maken;

III. ABN AMRO veroordeelt tot terugbetaling van de door [A] c.s. als gevolg van de ten onrechte doorgevoerde verhoging betaalde opslag voor zover deze uitging boven het oorspronkelijk afgesproken percentage, zulks te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de respectieve data van betaling tot aan de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie te bepalen datum;

IV. ABN AMRO verbiedt de opslag opnieuw te verhogen;

Subsidiair:

V. de overeenkomst op grond van artikel 6:230 lid 2 BW aan te passen, in dier voege dat de verschuldigde rente wordt berekend op basis van het 1-maands euribortarief te vermeerderen met een vaste opslag van 1% en een extra opslag van 0,3%;

VI. ABN AMRO veroordeelt tot terugbetaling van de extra rentelasten als gevolg van de verhoging van 1% van de opslag, zulks te vermeerderen met rente vanaf de datum van (elke) betaling tot aan de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie te bepalen datum;

Meer subsidiair:

VII. voor recht verklaart dat ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten jegens [A] c.s. door de opslag met 1% te verhogen, zonder daartoe (onder meer vanwege artikel 2 ABV en artikel 6:248 lid 1 en lid 2 BW) bevoegd te zijn, nu niet gebleken is dat de verhoging noodzakelijk was, althans voor recht te verklaren dat ABN AMRO de opslag slechts had mogen verhogen voor zover haar eigen fundingskosten waren gestegen, waarbij de herfinancieringsrente van de ECB als bovengrens had te gelden voor de maximale leenkosten;

VIII. ABN AMRO veroordeelt tot terugbetaling van de door [A] c.s. teveel betaalde opslag, althans van de te veel in rekening gebrachte verhoging, zulks steeds te vermeerderen met rente vanaf de respectieve data van betaling tot aan de dag der algehele voldoening, althans een in goede justitie te bepalen datum;

Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:

IX. alles hiervoor, voor zover het niet de betaling van een geldsom betreft, op straffe van een dwangsom van EUR 250,00 per dag voor elke dag dat ABN AMRO nalaat aan deze veroordeling te voldoen;

X. ABN AMRO veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede tot betaling van nakosten van EUR 131,00 zonder betekening of EUR 199,00 indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis en - zou zij die proceskosten niet binnen die termijn voldoen - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

3.2.

ABN AMRO voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie

4.1.1.

Bij brief van 13 februari 2014 heeft ABN AMRO om aanpassing van het proces-verbaal van comparitie verzocht. Ten aanzien van de verklaring van de heer [C] heeft zij een aantal handgeschreven opmerkingen geplaatst bij het citaat van de in het proces-verbaal opgenomen verklaring van de heer [C]. De verklaring van de heer [D] is door ABN AMRO herschreven. Bij faxbericht van 14 februari 2014 heeft [A] c.s. hiertegen bezwaar gemaakt. Volgens [A] c.s. zijn de door ABN AMRO geplaatste opmerkingen ten aanzien van de verklaring van de heer [C] onjuist en zijn deze niet ter gelegenheid van de comparitie van partijen ter sprake gekomen. Ook de herschrijving van de verklaring van de heer [D] is volgens [A] c.s. onjuist omdat deze niet in lijn is met hetgeen de heer [D] ter comparitie van partijen heeft verklaard.

4.1.2.

Het verzoek van ABN AMRO tot aanpassing van het proces-verbaal van comparitie van partijen zal worden afgewezen. Niet gebleken is dat er sprake is van een kennelijke verschrijving of vergissing. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het proces-verbaal ter zake niet juist is. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, zelfs als de voorgestelde wijzigingen zouden zijn overgenomen, zulks niet tot een ander dan onderstaand oordeel zou hebben geleid.

4.1.3.

Bij faxbericht van 14 februari 2014 heeft [A] c.s. eveneens een aantal opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van partijen. ABN AMRO heeft hierop bij brief van 4 maart 2014 gereageerd.

4.1.4.

De rechtbank constateert dat ABN AMRO geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eerste twee opmerkingen van [A] c.s. naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie van partijen. Deze opmerkingen luiden als volgt:

Ten eerste vermeldt het proces-verbaal op pagina 3 onder meer:

"Die rente is in de praktijk echter maar heel beperkt gestegen."

Ter zitting heb ik niet gezegd dat de Euribor in de praktijk maar heel beperkt is gestegen, maar vanaf oktober 2008, toen de bankencrisis op haar hoogtepunt was, juist zeer sterk daalde naar een tot op heden geldend niveau van 10 tot 20 basispunten.

In de tweede plaats heb ik naar aanleiding van mijn productie 4 uitdrukkelijk betwist dat de opslag in februari 2009 van 50 naar 100 basispunten is verhoogd, maar die betwisting trof ik in het proces-verbaal niet aan. Graag verzoek ik u die alsnog toe te voegen.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het proces-verbaal van comparitie van partijen ten aanzien van deze twee opmerkingen van [A] c.s. te lezen in de door [A] c.s. voorgestelde zin.

4.1.5.

Wat betreft de derde opmerking van [A] c.s. naar aanleiding van het proces-verbaal van comparitie - te weten omtrent het punt of al dan niet een tophypotheek tot stand is gekomen - heeft ABN AMRO aangegeven dat anders dan [A] c.s. stelt, ABN AMRO ter zitting expliciet heeft betwist dat in het onderhavige geval sprake is van een tophypotheek. Het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal van comparitie zal worden afgewezen. Niet gebleken is dat er sprake is van een kennelijke verschrijving of vergissing. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het proces-verbaal ter zake niet juist is. Ook ten aanzien van dit punt merkt de rechtbank ten overvloede op dat, zelfs als de voorgestelde wijziging zou zijn overgenomen, zulks niet tot een ander dan onderstaand oordeel zou hebben geleid.

4.2.

De overeenkomst

4.2.1.

De rechtbank overweegt dat de onderhavige overeenkomst tot stand is gekomen door aanvaarding door [A] c.s. van de offerte van ABN AMRO van 26 maart 2009. Hoewel in deze offerte niet wordt gesproken over een opslag op het 1-maands Euribor rentepercentage, staat tussen partijen vast dat [A] c.s. op de hoogte was van deze opslag. [A] c.s. heeft niet weersproken dat deze opslag tussen partijen is overeengekomen, maar stelt zich op het standpunt dat hij niet wist dat deze opslag door ABN AMRO gewijzigd kon worden. De rechtbank zal er dan ook op grond van het voorgaande vanuit gaan dat tussen partijen een opslag op het 1-maands Euribor rentepercentage is overeengekomen.

4.2.2.

De rechtbank overweegt voorts dat in de offerte van 26 maart 2009 de Algemene Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheekproducten (september 2008) van toepassing zijn verklaard. [A] c.s. heeft niet weersproken dat dit dezelfde voorwaarden zijn als de door ABN AMRO in het geding gebrachte Algemene Voorwaarden ABN AMRO Woninghypotheken (versie 1 september 2008) - hierna: de Algemene Voorwaarden - zodat de rechtbank daar vanuit zal gaan.

4.2.3.

De rechtbank constateert dat in artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden is bepaald dat het 1-maands Euribortarief wordt vermeerderd met een opslag en dat ABN AMRO bevoegd is de opslag te wijzigen.

4.3.

Kernbeding

4.3.1.

[A] c.s. heeft gesteld dat artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden - waarin is bepaald dat ABN AMRO bevoegd is de opslag te wijzigen - geen deel uitmaakt van de contractuele relatie tussen partijen omdat er sprake is van een kernbeding. De opslag op de rente is immers medebepalend voor de prijs die [A] c.s. voor het product van ABN AMRO, de hypothecaire geldleningen, betaalt, en behoort daarom volgens [A] c.s. tot de essentialia van de overeenkomst. Een kernbeding kan niet door enkele van toepassing verklaring van Algemene Voorwaarden gelding krijgen, maar had in de overeenkomst zelve - de offerte - opgenomen dienen worden, aldus [A] c.s.

4.3.2.

Evenals de voorzieningenrechter in het tussen partijen gewezen kort geding vonnis van 20 september 2012 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de vraag of een beding als een kernbeding moet worden aangemerkt, niet ziet op de vraag of het beding onderdeel uitmaakt van de overeenkomst, doch slechts op de vraag of een beding deel uitmaakt van de Algemene Voorwaarden als bedoeld in artikel 6:231 BW en volgende. Ook indien sprake zou zijn van een kernbeding, maakt dit beding derhalve wél deel uit van de overeenkomst van partijen - mits een dergelijk beding dan aanvaard is - maar kan dit niet worden aangemerkt als een Algemene Voorwaarde als bedoeld in artikel 6:231 BW en volgende. Van een kernbeding is echter bovendien naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet alleen blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat bedingen die de modaliteiten (zelfs de belangrijkste) van de prestaties (nader) bepalen, zoals bijvoorbeeld clausules inzake prijsverhoging, niet tot de kernbedingen worden gerekend, maar ook uit artikel 6:231 onder i BW blijkt dat slechts een bepaalde - en dus niet iedere - bevoegdheid van de gebruiker tot prijsverhoging als onredelijk bezwarend in de wet is opgenomen. Uit de opname van deze bepaling in artikel 6:236 BW volgt tevens dat prijsbedingen als zodanig niet per definitie kernbedingen zijn en derhalve in algemene voorwaarden kunnen worden overeengekomen.

4.4.

Vernietiging Algemene Voorwaarden; terhandstelling

4.4.1.

[A] c.s. heeft vervolgens gesteld dat hij de Algemene Voorwaarden op grond van de artikelen 6:233 en 6:234 BW heeft vernietigd bij brief van 18 mei 2012. [A] c.s. heeft daartoe gesteld dat hij zich niet kan herinneren dat hij de Algemene Voorwaarden vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand gesteld heeft gekregen. Volgens [A] c.s. ligt het op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van ABN AMRO om te bewijzen dat zij de Algemene Voorwaarden daadwerkelijk aan [A] c.s. ter hand heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat - zoals ABN AMRO heeft aangevoerd - terhandstelling geschiedt op basis van een standaardprocedure bij ABN AMRO is daartoe volgens [A] c.s. onvoldoende. Ook de in de offerte opgenomen voorgedrukte acceptatieverklaring is daartoe volgens [A] c.s. onvoldoende. Volgens [A] c.s. is sprake van een verklaringsfictie, welke verklaringsfictie kan worden aangemerkt als een onredelijk bezwarend beding ex artikel 6:236 sub k BW.

4.4.2.

De rechtbank stelt voorop dat het aan ABN AMRO is te stellen en (indien nodig) te bewijzen dat zij [A] c.s. een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de Algemene Voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233, aanhef en onder b in samenhang met artikel 6:234 BW.

4.4.3.

ABN AMRO stelt dat de Algemene Voorwaarden daadwerkelijk aan [A] c.s. ter hand zijn gesteld en wel als bijlage bij de offerte van 26 maart 2009. ABN AMRO heeft daartoe gesteld dat blijkens de aanbiedingsbrief bij de offerte van 26 maart 2009 is vermeld dat de ABN AMRO de offerte verstrekt "met de daarbij behorende bijlagen". De Algemene Voorwaarden behoorden volgens ABN AMRO tot deze "daarbij behorende bijlagen". ABN AMRO heeft er daarbij op gewezen dat in de offerte meerdere keren is verwezen naar de Algemene Voorwaarden. Tevens heeft zij gesteld dat bij het hypothekencentrum van de ABN AMRO in Amersfoort voor alle ABN AMRO-hypotheekleningen in heel Nederland de offertepakketten centraal worden gereedgemaakt. Die pakketten bestaan standaard uit de offerte, een aanbiedingsbrief en de toepasselijke Algemene Voorwaarden. Deze standaardprocedure is volgens ABN AMRO ook ten aanzien van [A] c.s. gevolgd, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat op pagina 1 van de offerte het adres van het hypotheekcentrum in Amersfoort is vermeld. ABN AMRO wijst er daarbij tevens op dat [A] c.s. heeft getekend voor de ontvangst van de Algemene Voorwaarden en wel door ondertekening van de in de offerte opgenomen acceptatieverklaring.

4.4.4.

In het licht van hetgeen ABN AMRO ten aanzien van de terhandstelling van de Algemene Voorwaarden heeft gesteld, heeft [A] c.s. naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij de Algemene Voorwaarden vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand gesteld heeft gekregen. [A] c.s. heeft immers slechts opgemerkt dat hij zich niet kan herinneren dat hij de Algemene Voorwaarden vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand gesteld heeft gekregen.

[A] c.s. heeft bovendien een acceptatieverklaring getekend. Gelet op de omstandigheid dat [A] als advocaat als ter zake kundig dient te worden aangemerkt, valt niet in te zien dat deze acceptatieverklaring hem niet zou binden. Zie ook HR 21 september 2007, NJ 2009, 50.

4.4.5.

Op grond van het voorgaande zal het beroep op vernietiging van de Algemene Voorwaarden worden verworpen.

4.5.

Onredelijk bezwarend beding?

4.5.1.

De rechtbank begrijpt de opmerking van [A] c.s. ter gelegenheid van de comparitie van partijen dat "Voor zover artikel 4.1.4. wel als algemene voorwaarde kan worden aangemerkt, heeft de heer [A] met recht daarvan de vernietiging ingeroepen" in combinatie met de hiervoor in rechtsoverweging 2.10. geciteerde passage uit de brief van 18 mei 2012 van de rechtsbijstandsverzekeraar van [A] c.s. gericht aan ABN AMRO, dat [A] c.s. voorts ten aanzien van artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden een beroep wenst te doen op artikel 6:233 sub a BW (onredelijk bezwarend beding).

4.5.2.

De rechtbank stelt voorop dat een beding in algemene voorwaarden slechts vernietigbaar is indien sprake is van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het beding gelet op de aard en de inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend zou zijn voor [A] c.s. (zie artikel 6:233 onder a BW).

4.5.3.

Van een onredelijk bezwarend beding in de hiervoor bedoelde zin is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. [A] c.s. heeft gesteld dat de redactie van artikel 4.1.4. weliswaar duidelijk is maar dat er in desondanks sprake is van onduidelijkheid, omdat daaruit niet volgt in welke gevallen en in hoeverre ABN AMRO gebruik kan maken van haar wijzigingsbevoegdheid. Artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden geeft ABN AMRO het onbeperkte recht de opslag naar eigen goeddunken te verhogen zonder dat ABN AMRO dit nader hoeft te motiveren of te onderbouwen, aldus [A] c.s. Uit het enkele feit dat ABN AMRO zich de vrijheid van verhoging van de opslag heeft voorbehouden volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het beding reeds daarom onredelijk bezwarend is. Dit laat onverlet dat een concrete wijziging van de opslag onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan worden geacht, waarop hierna in rechtsoverweging 4.7. zal worden ingegaan. Overige feiten en omstandigheden waaruit zou volgen dat artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden onredelijk bezwarend zou zijn, zijn door [A] c.s. niet gesteld. De rechtbank acht in dit verband voorts nog van belang dat ABN AMRO onweersproken heeft gesteld dat [A] c.s. zijn hypothecaire lening met Euriborrentetarief op grond van artikel 7.3.1 van de Algemene Voorwaarden onbeperkt zonder vergoeding kan aflossen en op grond van artikel 9.1.3. van de Algemene Voorwaarden op elk door hem gewenst moment kan omzetten naar een andere rentevastperiode.

4.6.

Dwaling

4.6.1.

[A] heeft voorts gesteld - onder verwijzing naar de "Obvion- zaken" bij het Gerechtshof te 's Hertogenbosch - dat hij heeft gedwaald ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid van ABN AMRO. ABN AMRO heeft volgens [A] c.s. doen voorkomen alsof er geen mogelijkheid was tot wijziging van de opslag, althans heeft zij gezwegen over de mogelijkheid om de opslag te wijzigen.

4.6.2.

Het beroep op dwaling zal worden verworpen. Het beroep door [A] c.s. op de jurisprudentie in de Obvion-zaken kan hem niet baten. In die zaken ging het er immers om dat in de geaccepteerde offertes werd gesproken van een "vaste opslag" en ging het om het uitleggen van het begrip "vast". In het onderhavige geval wordt echter in de offerte niet gesproken over een "vaste opslag". [A] c.s. heeft weliswaar gesteld dat hij er op grond van mondelinge mededelingen van ABN AMRO van is uitgegaan dat sprake was van een vaste opslag, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] c.s. deze stelling - na de gemotiveerde betwisting door ABN AMRO - onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft [A] c.s. bij dagvaarding gesteld dat mevrouw Van der Heide van ABN AMRO op 9 maart 2009 heeft gesproken over een vaste opslag (hetgeen ABN AMRO heeft weersproken), maar ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [A] c.s. zijn stelling op dit punt zodanig genuanceerd, dat hij ABN AMRO verwijt dat ABN AMRO nooit tegen hem heeft gezegd dat zij de opslag ook kon verhogen en dat de suggestie is gewekt dat het ging om een vaste opslag, doordat aan hem is uitgelegd dat de opslag samenhangt met de persoonlijke risico's van de klant. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat niet duidelijk en ondubbelzinnig aan [A] c.s. is medegedeeld dat de opslag een vaste opslag betrof. De enkele omstandigheid dat die suggestie zou zijn gewekt is - wat daar ook van zij - in het licht van de duidelijke bepaling van artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat [A] c.s. - zeker nu [A] als advocaat als terzake kundig dient te worden aangemerkt - er niet bedacht op behoefde te zijn dat in de algemene voorwaarden een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen. Ook de verwijzing door [A] c.s. naar een passage op de website van ABN AMRO, waarin de opslagpercentages zijn vermeld, kan niet tot een ander oordeel leiden. ABN AMRO heeft hiertegen onweersproken aangevoerd dat deze passage al ongeveer een jaar niet meer op de website van ABN AMRO stond ten tijde van het aangaan van de onderhavige hypothecaire lening door [A] c.s., zodat daaraan door [A] c.s. geen verwachtingen kunnen zijn ontleend. Bovendien heeft ABN AMRO terecht opgemerkt dat in die passage slechts de destijds geldende percentages zijn vermeld en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake was van vaste percentages. Voor zover al sprake zou zijn van dwaling aan de zijde van [A] c.s., dient deze dwaling gelet op de duidelijke bepaling in artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van [A] c.s. te blijven.

4.7.

Artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 2 ABV

4.7.1.

[A] c.s. heeft gesteld dat de onderhavige wijziging van de opslag in strijd is met artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Volgens [A] c.s. heeft ABN AMRO onvoldoende rekening gehouden met de belangen van [A] c.s. ABN AMRO heeft volgens [A] c.s. niet aangetoond dat de onderhavige wijziging noodzakelijk was. Het had volgens [A] c.s. op de weg van ABN AMRO gelegen om aan te tonen dat haar eigen fundingkosten waren gestegen, waarbij de herfinancieringsrente van de ECB als bovengrens had te gelden voor de maximale leenkosten.

4.7.2.

ABN AMRO heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de onderhavige verhoging van de opslag gerechtvaardigd was.

4.7.3.

De rechtbank stelt voorop dat op [A] c.s. op grond van de hoofregel van artikel 150 Rv de bewijslast rust van zijn stelling. Voorts stelt de rechtbank voorop dat de rechtbank bij de toetsing aan artikel 6:248 lid 2 BW de nodige terughoudendheid dient te betrachten.

4.7.4.

De rechtbank constateert dat ABN AMRO in haar brief van 24 april 2012, alsmede in de onderhavige procedure heeft toegelicht waarom zij in dit geval tot verhoging van de opslag is overgegaan, waarbij zij onder meer heeft verwezen naar de in rechtsoverweging 2.13 geciteerde passage in het DNBulletin. Weliswaar heeft [A] c.s. deze toelichting - onder overlegging van verklaringen van mr. [E], oud-bankier - in twijfel getrokken, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de onderhavige wijziging van de opslag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [A] c.s. heeft zijn stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting door ABN AMRO dus onvoldoende onderbouwd.

4.8.

Schending zorgplicht

4.8.1.

[A] c.s. heeft voorts gesteld dat ABN AMRO hem onvoldoende heeft geadviseerd op het punt van de opslag. Indien ABN AMRO het recht had om de opslag te verhogen, staat daarmee volgens [A] c.s. ook vast dat sprake is van overkreditering.

4.8.2.

De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van de kredietverlening als zodanig, waarbij door ABN AMRO een aflossingsvrije hypothecaire geldlening is verstrekt, de zorgplicht ten aanzien van de kredietrelatie met zich brengt, dat ABN AMRO jegens [A] c.s. gehouden was om voldoende informatie te geven over de te verstrekken hypothecaire geldlening en om een zorgvuldig onderzoek te doen naar de kredietwaardigheid van [A] c.s., teneinde te voorkomen dat [A] c.s. hogere financiële lasten op zich zou nemen dan, gelet op zijn draagkracht, verantwoord zou zijn (vgl. gerechtshof Arnhem 11 januari 2013, LJN: BY8213).

4.8.3.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, was uit artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden zonder meer kenbaar dat ABN AMRO de opslag mocht verhogen. Van [A] c.s. mag worden verwacht dat hij alvorens het aanbod van ABN AMRO te aanvaarden ook kennis neemt van de inhoud van de offerte van 26 maart 2009 - waarin veelvuldig is verwezen naar de Algemene Voorwaarden - en de Algemene Voorwaarden, zeker nu [A] als advocaat als ter zake kundig dient te worden aangemerkt. De omstandigheid dat [A] c.s. in die periode als gevolg van de ernstige ziekte van zijn zoon minder scherp was dan anders, kan niet aan ABN AMRO worden tegengeworpen. [A] c.s. heeft voorts - na de gemotiveerde betwisting door ABN AMRO - niet nader onderbouwd dat hij, mede gelet op de in artikel 4.1.4. van de Algemene Voorwaarden neergelegde wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van de opslag, hogere financiële lasten op zich heeft genomen, dan gelet op zijn draagkracht verantwoord was. ABN AMRO heeft daarbij onweersproken gesteld dat [A] c.s. - door de lage stand van de 1-maands EURIBOR-rente - ondanks de verhoging van de opslag, maandelijks minder rente (inclusief opslag) betaalt dan bij het aangaan van de hypothecaire lening en dat deze hypothecaire lening ook nog steeds gunstiger is dan andere leningen. Het beroep op schending van de zorgplicht zal dan ook worden verworpen.

4.9.

Conclusie

4.9.1.

Op grond van het voorgaande zal de vordering van [A] c.s. integraal worden afgewezen.

4.10.

Proceskosten

4.10.1.

[A] c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden vastgesteld op:

- griffierecht EUR 589,00

- salaris voor de advocaat EUR 1.130,00 (2,5 punt x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.719,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [A] c.s. in de kosten van het geding, aan de zijde van ABN AMRO vastgesteld op EUR 1.719,00,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014.1

1 82.