Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2126

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
Awb 13/2353
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Politieambtenaar heeft tijdens opleiding voor een leeropdracht teksten van medestudent overgenomen alsof het zijn eigen teksten waren. Plichtsverzuim. De disciplinaire straf van verlaging van een salarisschaal is, naast de opgelegde maatregel van overplaatsing naar een ander korps en verlies van leidinggevende functie, echter buitenproportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB 13/2353

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2014 in de zaak tussen

(naam eiser) te Leeuwarden, eiser,

gemachtigde: mr. B. van Dijk,

en

de korpschef van de regiopolitie Groningen, verweerder,

gemachtigden: mr. M. van der Werf en mr. E. Smith.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat besloten is hem in verband met gepleegd zeer ernstig plichtsverzuim een disciplinaire straf op leggen. Deze straf bestaat uit het plaatsen in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt dan waarin eiser op dat moment was geplaatst, als bedoeld in artikel 77, eerste lid, sub i, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Voorts heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij op grond van artikel 64 van het Barp wordt geplaatst in de functie van medewerker basispolitiezorg B, met de daarbij passende rang en schaal en dat - in overleg - Leek als zijn plaats van tewerkstelling is vastgesteld.

Eiser heeft hiertegen bij brief van 14 januari 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, gedeeltelijk conform het advies van de bezwarenadviescommissie Politie van 25 juni 2013, ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 29 augustus 2013 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voorzien van gronden.

Verweerder heeft bij brief van 30 september 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Feiten en standpunten van partijen

1.

Eiser is in oktober 2008 als zij-instromer vanuit het politiekorps Fryslân als toekomstig leidinggevende in een ‘Management Development pool’ geplaatst bij de regiopolitie Groningen. Hij is met ingang van 1 december 2008 gedetacheerd bij de Unit

Praktijkonderwijs en Flexcapaciteit in de rang van hoofdagent en gestart met de

opleiding Operationeel Leidinggevende Leergang (OLL) aan de politieacademie. Van 1 juni 2009 tot en met juli 2010 liep eiser stage in de basiseenheid Zuid van de

regiopolitie Groningen. In het kader van zijn OLL-opleiding legde hij op 12 december 2009

en 17 maart 2010 examen af en is hij na zijn stage op 1 augustus 2010 als

projectleider aangesteld in de basiseenheid West van de regiopolitie Groningen, in de

rang van inspecteur.

1.1.

Bij brief van 23 februari 2012 is eiser door de waarnemend plaatsvervangend

korpschef van de regiopolitie Groningen een disciplinair onderzoek aangezegd in verband

met de verdenking van plichtsverzuim. Eiser zou in 2008 voor een afgelegd examen (met als onderwerp ‘effectief leidinggeven’) gebruik hebben gemaakt van een uitwerking van een examenopdracht van een collega, mevrouw (naam).

1.2.

Eiser is op 26 april 2012 in het kader van het disciplinaire onderzoek gehoord.

Het resultaat van het onderzoek is weergegeven in het rapport van bevindingen van 1 juni 2012, opgemaakt door mevrouw (naam), examinator afdeling

Examinering van de Politieacademie. Mevrouw (naam) concludeert in haar rapport dat de

leeropdracht die eiser als examenonderdeel 4.2 van de kernopgave 46.6.01 ‘leidinggeven aan mensen’ heeft ingeleverd op vele essentiële onderdelen is overgenomen van het werkstuk van mevrouw (naam). Zo zijn de persoonlijke kernkwaliteiten van mevrouw (naam) in het werkstuk van eiser letterlijk als zíjn kernkwaliteit opgenomen. Mevrouw (naam) heeft opgemerkt dat door deze werkwijze er geen juist oordeel gevormd kan worden over de competenties van eiser. Door het niet zelf uitvoeren van de teamanalyse, het plagiëren van de analyse en evaluatiemomenten en het niet conform de opdracht uitvoeren van de interventie is sprake van een onregelmatigheid als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Onderwijs- en examenregeling Politieonderwijs 2009 (OER 2009). Mevrouw (naam) heeft geadviseerd het examenonderdeel ongeldig te verklaren en het resultaat als een onvoldoende aan te merken.

1.3.

Bij brief van 4 juni 2012 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat de

onderzoeksopdracht is uitgebreid naar de wijze waarop hij zijn OLL-opleiding heeft

ingevuld en gevolgd en daarover heeft gecommuniceerd. Eiser is in dat kader op

19 juni 2012 voor de tweede maal gehoord. Het resultaat van het aanvullende onderzoek is verwoord in het rapport van bevindingen van 18 juli 2012, opgesteld door mevrouw (naam)

1.4.

Bij brief van 14 juni 2012 heeft het Hoofd Staf Onderwijs en Afdeling Examinering van de Politieacademie aan eiser meegedeeld dat - naar aanleiding van het onderzoek - het door eiser afgelegde examenonderdeel 4.2, behorende bij de kernopgave 46.6.01 ‘leidinggeven aan mensen’, conform artikel 22, derde lid, van de OER 2009 ongeldig is verklaard, waarmee het resultaat is gewijzigd in een onvoldoende. Het aan eiser verstrekte OLL-diploma is vervolgens ongeldig verklaard.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder - voor zover hier van belang en samengevat - onder verwijzing naar zijn voornemen van 21 september 2012, aan eiser meegedeeld dat uit het disciplinair onderzoek is gebleken dat eiser grote, en voor zijn studie essentiële, delen van de examenopdracht van mevrouw (naam) heeft overgenomen in zijn eigen examenopdracht, zonder dat hij hiervoor toestemming had verkregen. Eiser heeft volgens verweerder tijdens het onderzoek bij herhaling niet de waarheid verteld en blijft deels ontkennen de teksten van mevrouw (naam) te hebben gebruikt, waarmee hij het vertrouwen van zijn leidinggevenden en collega’s ernstig heeft geschaad. Voorts heeft hij bij de leeropdracht ‘Appelscha Outdoor’ nogmaals een tekst uit het werkstuk van mevrouw (naam) overgenomen. Verweerder verwijt eiser dat hij de gevolgen van zijn gedrag niet overziet en een ander normatief kader hanteert dan voor een leidinggevend politieman wenselijk wordt geacht. Verweerder merkt de genoemde feiten aan als zeer ernstig en verwijtbaar plichtsverzuim en heeft de straf van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt - salarisschaal 8 - opgelegd. Voorts heeft verweerder aan eiser een andere plaats van tewerkstelling toegewezen, te weten Leek. Verweerder heeft bij zijn besluit betrokken dat eiser op 15 februari 2011 schriftelijk is berispt wegens het in strijd met de regels verstrekken van politie-informatie. Hij heeft toen ook het vertrouwen van zijn leidinggevende geschaad door niet steeds hetzelfde verhaal te vertellen over wat er is gebeurd.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, maar het besluit gehandhaafd wat betreft de hiervoor onder 2. opgenomen onderdelen.

4.

Eiser heeft in beroep naar voren gebracht dat hij in onderling overleg met mevrouw (naam) heeft afgesproken dat hij gebruik mocht maken van haar onderzoek en de uitkomsten daarvan. Dit is volgens eiser ook besproken met en toegestaan door de begeleidster van de Politieacademie. Voorts heeft hij betoogd dat er weliswaar teksten door hem zijn overgenomen van een collega-cursist, maar dat de opgelegde, op één na zwaarste straf, namelijk die van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximum salaris geldt, in de gegeven omstandigheden onevenredig is aan de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Hij heeft daarbij aangegeven dat het erop lijkt dat hij het slachtoffer is van ‘politieke correctheid’.

Voorts heeft eiser betoogd dat de leeropdracht geen examenopdracht was. Leeropdrachten hebben een groot praktijkgehalte en de wijze waarop deze dienen te worden uitgevoerd, alsmede waarop er dient te worden gerapporteerd, wordt in de cursus met elkaar besproken. Het gebruik van dezelfde bewoordingen is dan vaker aan de orde, zelfs het gebruik maken van zelfde stukken tekst, aldus eiser.

Bovendien heeft verweerder volgens eiser ten onrechte overwogen dat hij er geen blijk van heeft gegeven dat hij zich realiseert dat het zonder toestemming overnemen van teksten buiten de grenzen van het toelaatbare is. Eiser heeft benadrukt dat hij zich terdege realiseert dat dit niet kan, maar dat hij heeft uitgelegd hoe, op welke wijze en onder welke

omstandigheden hij tot het overnemen van teksten is gekomen. Eiser bestrijdt dat hij ‘door knippen en plakken’ collega’s ernstig in verlegenheid heeft gebracht en dat hij het vertrouwen van collega’s heeft geschonden. Volgens eiser gaat het hier om een incident dat wellicht geen schoonheidsprijs verdient, maar meer dan dat ook niet.

Voorts heeft eiser bestreden dat hij de waarheid niet heeft verteld. Hij stelt dat hij van

aanvang af heeft meegewerkt aan het onderzoek en naar eer en geweten heeft geantwoord op de gestelde vragen.

Ten slotte heeft eiser ter zitting opgemerkt dat plaatsing in salarisschaal 8 hem, uitgesmeerd over de jaren tot aan zijn pensioen, veel geld kost. Mede om die reden moet het bestreden besluit onevenredig worden geacht, aldus eiser.

Beoordeling

5.

Artikel 64, eerste lid, van het Barp luidt:

“Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht

zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een

ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan

de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen

werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.”

Artikel 76 van het Barp luidt:

“1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan

plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2.

Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.”

Artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp luidt:

“De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:

(…)

plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt;

(…)”

6.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser de volgende gedragingen verwijt:

- Het overnemen van grote en voor de studie essentiële delen van de examenopdracht

van mevrouw (naam) in zijn examenopdracht 2008 en later bij de leeropdracht ‘Appelscha outdoor’;

- Het met uitzondering van de teamanalyseresultaten zonder toestemming van mevrouw

(naam) overnemen van teksten uit haar werkstuk;

- Er geen blijk van geven dat hij zich - zeker als leidinggevende in opleiding - realiseert dat

ook zonder toestemming het overnemen van de teksten buiten de grenzen van het toelaatbare is;

- Het door het knippen en plakken ernstig in verlegenheid brengen van collega’s die in de

positie zijn gebracht dat zij dit bij hun leidinggevenden moesten melden;

- Het door het knippen en plakken schaden van het vertrouwen van zijn collega’s, onder wie leidinggevenden en

- Het bij herhaling niet vertellen van de waarheid over het overnemen van de teksten, in het bijzonder ten aanzien van het overnemen van de kernkwaliteiten van mevrouw (naam), ook al laten de feiten weinig ruimte voor een andere interpretatie.

6.1.

Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder de volgende disciplinaire straf en maatregel heeft opgelegd:

- Het plaatsen van salarisschaal 9 in salarisschaal 8, met daarbij de degradatie van inspecteur naar brigadier;

- Het overplaatsen van eiser van bureau Groningen/Haren naar bureau Roden.

Daarnaast is eisers OLL-diploma ongeldig verklaard.

7.

De rechtbank stelt verder vast dat eiser niet ontkent dat hij delen van het werkstuk van mevrouw (naam) heeft overgenomen. Dit blijkt onder meer uit het rapport disciplinair onderzoek van 16 juli 2012 (onder meer uit zijn verklaring op pagina 52), zijn bezwaar- en beroepschrift en uit hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat de straffen die verweerder heeft opgelegd buitenproportioneel zijn. Daartoe voert hij aan dat het niet ging om een essentieel onderdeel van de studie (het was geen examenopdracht), dat mevrouw (naam) (grotendeels) akkoord was met het gebruiken van haar teksten, dat

er geen sprake was van kwade opzet en dat de gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient, maar hij zich realiseert dat zijn gedragingen niet door de beugel kunnen.

8.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hiervoor geschetste grote overeenkomsten tussen voornoemde werkstukken van eiser en mevrouw (naam), eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend. Verweerder was derhalve bevoegd een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, ook al heeft eiser zijn gedragingen grotendeels erkend.

9.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of tussen de opgelegde disciplinaire straf en de maatregel als bedoeld in artikel 64 van het Barp enerzijds en het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim anderzijds geen onevenredigheid bestaat.

9.1.

De rechtbank acht de maatregel van de verplaatsing naar bureau Leek, gelet op het plichtsverzuim, niet onevenredig. Verweerder kon, gegeven de omstandigheden, in redelijkheid overwegen dat het belang van de dienst in dit bijzondere geval vorderde dat eiser niet langer bij het bureau Groningen/Haren tewerk werd gesteld, temeer nu mevrouw (naam) daar werkzaam was.

9.2.

Ten aanzien van de disciplinaire straf van het verlagen van de salarisschaal overweegt de rechtbank als volgt.

Hoewel bij schending van de integriteit door een ambtenaar in zijn functie de straf van plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt veelal niet onevenredig kan worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat eisers gedragingen, in het licht van de hier aanwezige omstandigheden, niet van zodanige ernst zijn dat gezegd kan worden dat het opleggen van deze straf niet onevenredig is. De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van de verlaging van schaal 9 naar 8, met daarbij de degradatie van inspecteur naar brigadier - waardoor eiser niet langer een leidinggevende functie bekleedt - en de overplaatsing van het bureau Groningen/Haren naar Leek onevenredig is aan het eiser ten laste gelegde plichtsverzuim. Daarbij betrekt de rechtbank het feit dat het diploma van eiser als gevolg van de gang van zaken met terugwerkende kracht is ingetrokken, alsmede het betoog van eiser ter zitting dat plaatsing in schaal 8 een forse financiële aderlating betekent. Met de combinatie van deze straf en maatregelen is eiser ingrijpend bestraft. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met de overplaatsing naar het bureau Leek en een berisping.

9.3.

Verweerder heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 september 2010, LJN BO0284, waarin sprake was van een student van de politieacademie die stukken uit een werkstuk van een medestudent had overgenomen. De rechtbank stelt echter vast dat de betrokkene in die zaak feiten had verzonnen en verdraaid, zonder daar melding van te maken. Bovendien werd het betrokkene aangerekend dat hij tijdens de verhoren had gelogen. Pas bij een derde verhoor sprak betrokkene de waarheid. Daarmee was de integriteit ernstig in het geding en werd hij ontslagen. In de zaak die thans voorligt, is niet gebleken dat eiser heeft gelogen en feiten heeft verzonnen of verdraaid. Hij heeft ten tijde van het onderzoek direct erkend dat hij teksten van mevrouw (naam) heeft overgenomen. Dat hij ervan uitging dat hij daarvoor toestemming had van mevrouw (naam) en dat zijn gedragingen daarmee geoorloofd waren, was een onjuiste aanname, maar dit maakt niet dat de verwijzing naar deze uitspraak van de CRvB relevant is.

10.

Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt.

11.

Het beroep is gegrond.

12.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken en wijst verweerder aan als de rechtspersoon die de kosten aan eiser moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 974,- (€ 487,- per punt) voor verleende rechtsbijstand (waarvan 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond.

- vernietigt het besluit van verweerder van 19 juli 2013;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder eiser het betaalde griffierecht ad € 160,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 974,-, en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.