Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2124

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
Awb 13/1920
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging van voorziening gesubsidieerde arbeid gemeente Leeuwarden voor mensen die op 1 januari 2013 jonger zijn dan 60 jaar. Wijziging beleid niet onredelijk. Beëindiging subsidie ten behoeve van eisers werkplek met voldoende waarborgen omgeven en niet onredelijk.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB 13/1920

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

[naam eiser] [naam eiser], te Leeuwarden, eiser,

gemachtigde: mr. N.E.A. Runtuwene,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder,

gemachtigden: R. Liefers en S.E. de Jong.

Procesverloop

Bij brief van 14 juni 2012, verzonden op 18 juni 2012, heeft verweerder eiser bericht dat de gemeenteraad van Leeuwarden op 23 april 2012 heeft besloten om de voorziening gesubsidieerde arbeid voor voormalige “blijvers” - waartoe eiser behoort - te beperken tot alleen die mensen die op 1 januari 2013 60 jaar en ouder zijn. Voor mensen die op die datum jonger zijn, zoals eiser, is deze voorziening stopgezet. Verweerder heeft voorts meegedeeld dat dit betekent dat eisers werkgever, bv SPORT, met ingang van 1 januari 2013 geen subsidie meer zal ontvangen voor eisers werkplek.

Eiser heeft hiertegen bij brief van 27 juli 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 mei 2013, verzonden op 3 juni 2013 (het bestreden besluit), heeft verweerder, in afwijking van het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van verweerders gemeente van 22 mei 2013, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 5 juli 2013 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 12 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Eiser is sinds 1998 op grond van het toenmalig Besluit In- en Doorstroombanen van het Rijk (ID-besluit) werkzaam geweest als medewerker bij bv SPORT (voorheen de gemeente Leeuwarden). Dit betrof door de gemeente Leeuwarden gesubsidieerde arbeid. De gemeenteraad van Leeuwarden heeft bij besluit van 23 april 2012 de voorziening gesubsidieerde arbeid voor voormalige blijvers beperkt tot de mensen die vanaf 1 januari 2013 60 jaar of ouder zijn.

2.

Verweerder heeft de subsidie aan bv SPORT met ingang van 1 januari 2013 stopgezet. Bv SPORT heeft eiser met ingang van 1 november 2013 ontslagen.

2.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser met ingang van 1 januari 2013 niet langer voldoet aan de leeftijdseis. Gelet op het door de gemeenteraad geformuleerde besluit en de daaruit voortvloeiende beslissing, kon de subsidie dan ook in redelijkheid worden beëindigd, aldus verweerder. Daarmee is de voorziening die verweerder aan eiser heeft toegekend niet langer op hem van toepassing. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat bv SPORT als gevolg van de beëindiging van de subsidie niet langer in staat was om eiser in dienst te houden en is overgegaan tot

beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever was gehouden aan de op diens bedrijf van toepassing zijnde cao. In het geval van bv SPORT is dat de cao Verzelfstandigde Maatschappelijke Organisaties (hierna: cao Vermo). De werkgever kon eiser slechts ontslaan na een re-integratiefase als bedoeld in artikel 9 van de cao Vermo. Vanwege het arbeidsverleden van eiser duurde deze re- integratiefase tenminste elf maanden. Eiser kon derhalve per 1 november 2013 daadwerkelijk ontslagen worden. Verweerder heeft gelet hierop - mede uit overwegingen van coulance - besloten de subsidieverlening aan bv SPORT te verlengen tot 1 november 2013.

3.

Eiser heeft - onder meer en voor zover hier van belang - betoogd dat de voorziening voor gesubsidieerde arbeid, de loonkostensubsidie die bv SPORT ontving en de arbeidsovereenkomst van hem met bv SPORT onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Nu de subsidie aan bv Sport tot 1 november 2013 doorliep en eiser op 5 juni 2013 60 jaar is geworden, is het onder meer in strijd met het vertrouwensbeginsel dat verweerder de subsidie voor zijn werkplek per 1 november 2013 heeft beëindigd.

4.

Verweerder heeft in reactie op de gronden van beroep opgemerkt dat de gemeente Leeuwarden slechts één juridische relatie met eiser heeft, te weten het verstrekken van de voorziening en de met deze voorziening gepaard gaande begeleiding naar regulier werk. Deze relatie is, conform het besluit van de gemeenteraad, geëindigd op 1 januari 2013, zoals aangekondigd in de brief van 14 juni 2012. Vanaf dat moment verstrekte de gemeente Leeuwarden niet langer de met de voorziening gepaard gaande begeleiding. Hiertegen heeft eiser blijkens het beroep ook geen grieven ingediend, aldus verweerder.

4.1.

Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat het een bestuursorgaan is toegestaan op grond van gewijzigde omstandigheden en/of gewijzigde inzichten staand beleid te wijzigen. Dit brengt met zich dat de voorziening gesubsidieerde arbeid, ondanks een jarenlange praktijk, beëindigd mag worden. In het besluit van de gemeenteraad van 23 april 2012 staan de overwegingen die duiden op gewijzigde omstandigheden en gewijzigde inzichten met betrekking tot de gesubsidieerde arbeid. Dat heeft er toe geleid dat de voorziening met ingang van 1 januari 2013 is beëindigd. Er is volgens verweerder in dit verband geen sprake van een toezegging aan eiser dat de voorziening langer zou voortduren.

4.2.

Uit de voortzetting van de subsidie aan bv SPORT tot 1 november 2013 kan volgens verweerder voorts niet worden afgeleid dat de voorziening aan eiser eveneens wordt voortgezet. Het betoog van eiser is volgens verweerder ten onrechte gebaseerd op de aanname dat de gesubsidieerde arbeid een onlosmakelijke verbonden geheel van juridische verhoudingen betreft die slechts als geheel op één enkel moment kunnen worden beëindigd, te weten het moment waarop de laatste juridische verhouding - namelijk de subsidieverhouding met bv SPORT – op 1 november 2013 is beëindigd.

4.3.

Ten slotte heeft verweerder naar voren gebracht dat eiser niet heeft betwist dat het besluit van het college, geënt op het besluit van de gemeenteraad, in zijn algemeenheid onjuist was.

Beoordeling

5.

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag geplaatst of het bestreden besluit een appellabel besluit is.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de voorziening die verweerder tot 1 januari 2013 aan eiser heeft toegekend, is gebaseerd op de Wet werk en bijstand (WWB). Dit geldt ook voor de beëindiging van de voorziening. Voor zover verweerder in de brief van 14 juni 2012 het besluit van de gemeenteraad van 23 april 2012 heeft weergegeven, kan eiser daartegen niet in rechte opkomen, omdat dit geen appellabel besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is de rechtbank overigens niet gebleken dat eiser tegen dat onderdeel gronden heeft ingediend. Voor zover het beroep van eiser zich richt tegen het besluit om de subsidie ten behoeve van zijn eigen werkplek bij bv SPORT te beëindigen is de rechtbank van oordeel dat eiser ontvankelijk is, nu hij bij dat besluit als belanghebbende kan worden aangemerkt.

6.

Voorts overweegt de rechtbank dat eiser vanaf 1998 tot de groep “langdurig werklozen” behoorde. Daarmee kwam eiser in aanmerking voor de voorzieningen als bedoeld in het ID-besluit. Deze regeling voorzag in het verstrekken van loonkostensubsidie vanuit de gemeente aan werkgevers die langdurige werklozen in dienst namen. Daarnaast bestond vanuit de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW) de mogelijkheid om langdurig werklozen op de reguliere arbeidsmarkt in te schakelen. Deze twee rijksregelingen maakten voorzieningen mogelijk die uiteen vielen in twee stromen. De eerste stroom is de toekenning van de voorziening aan een langdurig werkloze. De tweede stroom is de subsidie aan een werkgever.

Met de invoering van de WWB in 2004 heeft het Rijk besloten deze regelingen te beëindigen. Daarmee kregen gemeenten de mogelijkheid om het re-integratiebeleid zelfstandig voort te zetten. De gemeenteraad van Leeuwarden heeft in 2004 gekozen voor het behoud van beide regelingen voor de toenmalige groep gesubsidieerde krachten als re-integratie-instrument. Dit is vastgelegd in de Kadernota WWB uit 2004.

In 2011 heeft de gemeente Leeuwarden een nieuwe grondslag voor de voorziening gecreëerd in de vorm van een subsidieregeling, vallend onder de Algemene Subsidieverordening Leeuwarden 2011 (ASV 2011). Deze grondslag is de Regeling subsidie loonkosten 60-plus (de subsidieregeling). Deze subsidieregeling is door het college vastgesteld op grond van artikel 2 van de ASV 2011.

Artikel 2, aanhef en onder a, van de subsidieregeling beperkt de doelgroep voor deze regeling tot werknemers die zijn geboren vóór 1 januari 1953.

6.1.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uiteengezet waarom het beleid ten aanzien van gesubsidieerde banen is gewijzigd. De gemeenteraad heeft uitvoerig stilgestaan bij de redenen voor het wijzigen van het beleid. Onder meer ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze zijn gelegen in de afbouw door het Rijk van het budget voor gesubsidieerde banen door de voorgenomen (en inmiddels gerealiseerde) korting van het Rijk op het Participatiebudget en de aankondiging van een nieuwe bijstandswet (de Wet Werken naar Vermogen). De rechtbank acht de wijziging van het beleid, zoals dat op 23 april 2012 door de gemeenteraad is vastgesteld, en de daarmee gepaard gaande beperking van de subsidie tot werknemers die vóór 1 januari 1953 zijn geboren, niet kennelijk onredelijk.

7.

De rechtbank volgt verweerder in zijn uiteenzetting dat de voorziening uit twee stromen bestaat; subsidieverlening aan bv SPORT en het ter beschikking stellen van een werkplek aan eiser.

7.1.

Ten aanzien van het besluit om de subsidie van eisers werkplek bij bv SPORT te beëindigen overweegt de rechtbank als volgt.

7.2.

In de subsidieverhouding met bv SPORT was verweerder gehouden om aan de waarborgen te voldoen, als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb, omdat de beperking van de doelgroep voor de voorziening gepaard gaat met het beëindigen van een jarenlange subsidierelatie met bv SPORT.

7.2.1.

Ingevolge artikel 4:51, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

7.2.2.

Onweersproken staat vast dat de werkgever van eiser, bv SPORT, de arbeidsovereenkomst met eiser niet direct kon opzeggen. De werkgever kon eiser slechts ontslaan na een re-integratiefase als bedoeld in artikel 9 van de cao Vermo. Gelet op het arbeidsverleden van eiser duurde deze re-integratiefase tenminste elf maanden. Dit bracht met zich dat eiser pas per 1 november 2013 daadwerkelijk ontslagen kon worden.

7.2.3.

Verweerder heeft besloten dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:51, eerste lid, van de Awb met zich bracht dat hij gehouden was om de subsidieverlening voort te zetten tot het moment waarop het ontslag was geëffectueerd. Dit was tot 1 november 2013.

7.2.4.

De rechtbank acht deze gang van zaken, gelet op de uitleg van verweerder dat de grondslag voor het voortzetten van de subsidiëring niet is gelegen in het voortzetten van de voorziening van eiser, maar in de zorgvuldige beëindiging van de subsidierelatie met de bv SPORT op grond van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb, niet onredelijk. Voor zover eiser heeft betoogd dat verweerder deze subsidierelatie niet mocht beëindigen, volgt de rechtbank hem dan ook niet. De datum van het beëindigen van de subsidierelatie met bv SPORT staat bovendien los van het beëindigen van de voorziening aan eiser met ingang van 1 januari 2013. Het feit dat hij op 1 november 2013 inmiddels 60 jaar was, doet daar niet aan af. Verweerder kon naar het oordeel van de rechtbank dan ook besluiten dat eiser niet om die reden (alsnog) in aanmerking kon komen voor de voorziening.

7.3.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser geen grieven heeft ingediend tegen de beëindiging per 1 januari 2013 van de voorziening aan eiser zelf, te weten het verstrekken van een werkplek en de met deze voorziening gepaard gaande begeleiding naar regulier werk. Deze voorziening is, conform het besluit van de gemeenteraad, beëindigd per 1 januari 2013, zoals verweerder heeft aangekondigd in de brief van 14 juni 2012.

8.

Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder de verwachting heeft gewekt dat hij tot het moment dat hij 65 jaar wordt zijn gesubsidieerde baan zou behouden, overweegt de rechtbank dat van een toezegging van die strekking door verweerder niet is gebleken. Mede gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de zorgvuldige beëindiging van de subsidierelatie met bv SPORT, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel niet heeft geschonden. Het betoog slaagt dan ook niet.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.