Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2098

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
13/780
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat de stukken waarom eiser heeft verzocht, behoudens het aan hem verstrekte zaakoverzicht, niet onder verweerder berusten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bevat de Wob geen verplichting voor een bestuursorgaan om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, maar die niet (fysiek) bij hem berusten, ergens anders te vergaren. Dat is slechts anders wanneer het gaat om informatie die bij het bestuursorgaan behoort te berusten (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 19 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2008:BC7085).

Anders dan de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 2 september 2013 en de eveneens door hem aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013, is de rechtbank thans van oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat behoudens het door verweerder verstrekte zaakoverzicht ook de overige door hem verlangde stukken onder verweerder dienen te berusten. Eiser heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. Of verweerder in het kader van het door eiser ingestelde administratief beroep dient te beschikken over alle door eiser gevraagde documenten dan wel of hij in die procedure kan volstaan met een beoordeling van het zaakoverzicht, dient in die procedure te worden beoordeeld en is in deze procedure niet aan de orde.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur, geldigheid: 2014-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/40

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Assen

zaaknummer: AWB 13/780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. J.C. Menken).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder een beslissing genomen op eisers verzoek om informatie van 15 januari 2013.

Bij besluit van 5 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door D.J. Dijkstra als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij brief van 15 januari 2013 heeft eiser bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) administratief beroep ingediend tegen een hem opgelegde verkeersboete. Hierbij heeft eiser tevens gevraagd hem de relevante informatie in documenten te verstrekken en openbaar te maken zoals, doch niet uitsluitend, het zaakoverzicht. Bij brief van 16 maart 2013 heeft eiser hier nogmaals om verzocht.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek, dat is aangemerkt als een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), toegewezen voor zover de documenten in het bezit zijn van de CVOM, te weten het zaakoverzicht. Voor wat betreft de overige documenten is het verzoek doorgestuurd naar de opsporingsinstantie, namelijk de politie Drenthe.

3.

Bij brief van 12 juli 2013 heeft eiser er op gewezen dat hij nog steeds geen beslissing op bezwaar heeft ontvangen en de CVOM op dit punt in gebreke gesteld.

4.

Bij het bestreden besluit heeft (de CVOM namens) verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de CVOM slechts over het zaakoverzicht beschikte, dat dit stuk geopenbaard is, en dat het verzoek voor zover het ziet op andere documenten is doorgestuurd naar de politie Drenthe. Uit de Wob vloeit geen vergaarplicht voor verweerder voort. Verweerder kan zich niet vinden in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 (ECLI:NL:RBOBR:2013:CA3249) waarnaar eiser in bezwaar heeft verwezen en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Verweerder blijft van mening dat het zaakoverzicht in beginsel volstaat voor de beoordeling van het administratief beroep tegen de boetebeschikking. Verweerder heeft hierbij gewezen op de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 april 2010 (LJN: BN5774). Indien eiser van mening is dat het zaakoverzicht niet voldoende is, moet dat volgens verweerder in de procedure op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de boetebeschikking aan de orde worden gesteld. Aangezien het bezwaar kennelijk ongegrond is, is er ook geen grond voor het vaststellen van een dwangsom.

5.

Eiser is van mening dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Volgens eiser rechtvaardigt het bezwaarschrift geenszins de conclusie dat reeds aanstonds duidelijk was dat de bezwaren ongegrond waren en dat daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was. Verder rustte volgens eiser op verweerder wel degelijk een vergaarplicht. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank (locatie Assen) van

2 september 2013 (ECLI:NL:RBNNE:2013:5390) en naar de hierboven reeds genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013.

6.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het tweede lid vermeldt de verzoeker bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

Artikel 4 van de Wob bepaalt dat indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan wordt verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het zesde lid, aanhef en onder c, is geen dwangsom verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

7.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder opgeworpen dat de heer Dijkstra volgens hem niet gemachtigd is om namens eiser ter zitting op te treden. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank dat voor zover de bevoegdheid daartoe al niet voortvloeit uit de machtiging van 15 januari 2014 van mr. Van Gemert die aan de rechtbank is verstrekt, niet valt in te zien dat verweerder hierdoor in zijn belangen is geschaad.

8.

Niet in geschil is dat de stukken waarom eiser heeft verzocht, behoudens het aan hem verstrekte zaakoverzicht, niet onder verweerder berusten. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bevat de Wob geen verplichting voor een bestuursorgaan om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, maar die niet (fysiek) bij hem berusten, ergens anders te vergaren. Dat is slechts anders wanneer het gaat om informatie die bij het bestuursorgaan behoort te berusten (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 19 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2008:BC7085).

Anders dan de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 2 september 2013 en de eveneens door hem aangehaalde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013, is de rechtbank thans van oordeel dat er geen grond bestaat voor de conclusie dat behoudens het door verweerder verstrekte zaakoverzicht ook de overige door hem verlangde stukken onder verweerder dienen te berusten. Eiser heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. Of verweerder in het kader van het door eiser ingestelde administratief beroep dient te beschikken over alle door eiser gevraagde documenten dan wel of hij in die procedure kan volstaan met een beoordeling van het zaakoverzicht, dient in die procedure te worden beoordeeld en is in deze procedure niet aan de orde.

9.

Hetgeen eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht, beschouwd in het licht van het primaire besluit, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat reeds aanstonds buiten twijfel stond dat eisers bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De omstandigheid dat de jurisprudentie van de rechtbanken verdeeld is over het al dan niet bestaan van een vergaarplicht leidt niet tot een ander oordeel, nu uit de hogere jurisprudentie van de AbRS immers duidelijk volgt dat uit de Wob in algemene zin geen vergaarplicht voortvloeit. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond heeft mogen achten. Daarom is verweerder eiser geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar.

10.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen zal het beroep ongegrond worden verklaard.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: