Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2095

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
431738
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Goed werkgever. Rectificatie. Belang van genoegdoening en zuivering eer en goede naam. Schadevergoeding na ontbinding. Baijingsleer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 431738 \ CV EXPL 13-3028

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 april 2014

inzake

[voornaam eiser] [eiser volledig] ,

wonende te Bolsward,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. U. Hoogland te Bolsward,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOCHWALD NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Bolsward,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. S.M. Breukels te Den Haag,

Partijen zullen hierna [eiser volledig] en Hochwald worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding (met producties);

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (met producties);

- het tussenvonnis van 2 augustus 2013;

- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering van eis (met producties);

- de akte inhoudende verzet tegen de vermeerdering van eis;

- nadere producties van de zijde van beide partijen;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 september 2013;

- het vonnis van 22 oktober 2013, houdende de beslissing op het verzet tegen de vermeerdering van eis;

- de akte uitlating vermeerdering van eis (met producties);

- nadere producties van de zijde van beide partijen;

- de aktes uitlating productie(s) van beide partijen;

1.2.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier

ingelast geldt.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2.

[eiser volledig], geboren op 6 maart 1956, is op 2 augustus 1971 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Hochwald. Laatstelijk werkte [eiser volledig] in dienst van Hochwald in de functie van productiechef melkfabriek kleinverpakkingen.

2.3.

Tussen partijen is een diepgaand arbeidsconflict ontstaan naar aanleiding van de overplaatsing van [eiser volledig] per 21 september 2012 naar een andere functie. Aan de overplaatsing zijn diverse redenen ten grondslag gelegd, die op 21 september 2012 met [eiser volledig] zijn besproken door [naam 1], manager van Hochwald en [naam 2], leidinggevende van [eiser volledig]. In de schriftelijke bevestiging van dit gesprek schrijft [naam 1 kort] - voor zover hier van belang -

Aan de orde is geweest dat met u al langere tijd gesproken wordt over uw functioneren als leidinggevende en dat dit onder de maat blijft, zie ook de samenwerkingsgesprekken, laatstelijk die van 2011-2012 en de gesprekken die de heer [naam 2 kort] met u gehad heeft, onder meer over de recente SCM besmetting.

U bent voor de organisatie niet langer houdbaar als afdelingschef in de melkfabriek. U bent historisch doorgegroeid vanuit procesoperator naar een leidinggevende functie. De wereld om ons heen verandert, van leidinggevenden worden eigenschappen veracht waar u niet aan kunt voldoen (geen overall diepte inzicht in de reinigingsprocessen van uw afdeling, u houdt onvoldoende controle op werkzaamheden binnen uw afdeling, u maakt zelf te veel fouten in uw directe eigen werkzaamheden, het onvoldoende voeren van werkoverleg met uw medewerkers, het voeren van inhoudelijk goede taakgesprekken).

De SCM klacht met een schadepost van € 371.000,- heeft in uw verantwoordelijkheidsgebied plaatsgevonden. In deze kwestie bent u op de volgende punten als leidinggevende in gebreke gebleven:

- aansturing van uw afdeling;

- controle op uitvoering van de werkzaamheden binnen uw afdeling;

- het naleven van op schrift gestelde procedures, cq het organiseren van juiste naleving van op schrift gestelde procedures binnen uw afdeling.

Voor ons bent u niet langer handhaafbaar als leidinggevende.

(…)

2.4.

In een intern memo d.d. 16 oktober 2012 heeft [naam 1 kort] een resumé gegeven van de door hem met [eiser volledig] besproken onderwerpen in het verantwoordelijkheidsgebied van [eiser volledig] en de in dit verband aan [eiser volledig] gegeven kritiek. Het gaat hierbij - samengevat - om:

-het beheersen van de artikelen rework (hergebruik van oudere producten),

-het aansturen van medewerkers,

-het niet tijdig melden van incidenten volgens voorschrift aan het Wetterskip,

-het onvoldoende verantwoordelijkheid tonen bij afwijkingen van de concentratienormen reinigingsvloeistoffen en chloorniveaus,

-geen actiegerichtheid bij herinvoeren machine-efficiencylijsten en storingslijsten,

-diverse malen aangesproken op voorbeeldfunctie,

-diverse malen aangesproken op slechte eindcontroles,

-onvoldoende betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid getoond, hetgeen o.a. geleid heeft tot een falende effectieve controle van en aansturing op interne regels.

2.5.

[eiser volledig] heeft tegen de overplaatsing en de hieraan ten grondslag gelegde redenen bezwaar gemaakt. [eiser volledig] heeft in meerdere brieven aangedrongen op nader onderzoek naar de verwijten zoals die door Hochwald naar voren zijn gebracht en hij heeft Hochwald gevraagd hiervan afstand te nemen. Bijvoorbeeld in de brief van zijn gemachtigde van 20 december 2012 is in dit verband - onder meer - vermeld:

Gaarne ontvang is van u een uitdrukkelijke schriftelijke bevestiging welke van de genoemde 7 punten ten onrechte aan [eiser volledig] zijn toegerekend, dan wel het uitdrukkelijke bewijs ter ondersteuning van de door Hochwald genoemde punten. Het hangt in het bijzonder van het al dan niet intrekken van deze punten af of wij nog een bodemprocedure starten om op deze wijze de ware toedracht boven tafel te krijgen.

En op 30 januari 2013 schrijft de gemachtigde:

In december 2012 is u een overzicht verstrekt van meerdere verwijten die uw cliënte in de voorgaande periode richting mijn cliënt had gemaakt. Deze verwijten zijn in schriftelijke stukken opgenomen, waarbij het gaat om verwijten die ongegrond zijn en derhalve ten onrechte mijn cliënt blijven achtervolgen. Het is alleszins redelijk dat mijn cliënt dienaangaande de waarheid nastreeft, nadat hij eerst uw cliënte de gelegenheid heeft gegeven om van die ongegronde verwijten afstand te nemen.

Aangegeven is dat zonder afstand een bodemprocedure zal volgen. Deze procedure dient om de werkelijke toedracht van voorvallen uit het verleden boven tafel te krijgen. Dit ziet derhalve op waarheidsvinding. De waarheid in een bodemprocedure boven tafel te krijgen dat is enkel zinvol voor een medewerker die voor continuering van het dienstverband gaat en daartoe ook zijn dossier schoon wenst te houden van zaken die daarin niet thuis horen.

2.6.

Vanaf begin 2013 hebben partijen op advies van de bedrijfsarts een mediationtraject gevolgd, welk traject op 24 april 2013 heeft geleid tot de ondertekening door partijen van een vaststellingsovereenkomst. Hierin zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

Artikel 1 - Resultaat van de mediation

Betrokkenen verklaren met betrekking tot het resultaat het volgende te zijn overeengekomen:

1. Er hebben zes mediation gesprekken plaatsgevonden, waarin betrokkenen open en duidelijk met elkaar gecommuniceerd hebben. Standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken. Er is voldoende wederzijds begrip tot stand gekomen en de arbeidsverhouding is voldoende hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten.

2. Betrokkenen zijn beiden gericht op re-integratie van [voornaam eiser] op de oude werkplek en voortzetting van het dienstverband van [voornaam eiser]. Bij eventuele meningsverschillen tijdens de re-integratie en/of over de wijze van re-integratie zullen betrokkenen zich volledig conformeren aan het advies van de bedrijfsarts. Het re-integratieplan is geen onderdeel van deze overeenkomst.

3. Het is de intentie van [xxx] om [voornaam eiser] op een correcte wijze te begeleiden naar zijn pensioen.

4. Betrokkenen verklaren zich bereid en in staat tot het onderhouden van een professionele werkrelatie, waarin:

a. men het niet altijd met elkaar eens hoeft te zijn;

b. men op een professionele wijze met elkaar weet om te gaan;

c. men met elkaar op correcte wijze informatie uitwisselt, die professioneel uit hoofde van ieders functie uitgewisseld dient te worden;

d. op basis van de in deze overeenkomst vastgelegde afspraken en een professionele samenwerking, het vertrouwen tussen betrokkenen weer zal kunnen toenemen.

5. Betrokkenen zullen zich in de toekomst naar derden op een respectvolle wijze en zonder negatieve uitlatingen over elkaar uitspreken; zullen zich respectvol uiten over en jegens elkaar en derden over Hochwald Nederland, haar medewerkers, klanten en opdrachtgevers.

6. Betrokkenen hebben en houden de ‘blik vooruit’ en hebben oog voor wat goed is voor de organisatie Hochwald Nederland.

7. Betrokkenen hebben aangegeven tevreden te zijn met deze uitkomst en gemaakte afspraken en hiermee zal na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst de mediation worden beëindigd.

2.7.

[eiser volledig] heeft vervolgens op 15 mei 2013 de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht.

2.8.

Hochwald heeft hierop gereageerd door middel van het indienen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

2.9.

Bij beschikking van de kantonrechter van 26 augustus 2013 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2013 ontbonden, onder de toekenning aan [eiser volledig] van een ten laste van Hochwald komende ontbindingsvergoeding van € 125.000,00 bruto. De kantonrechter heeft onder andere de volgende overwegingen aan zijn beslissing ten grondslag gelegd:

5.4.

De kantonrechter acht het ontbindingsverzoek van Hochwald toewijsbaar, nu Hochwald en [eiser volledig] beiden hebben uitgesproken dat er een onhoudbare situatie tussen hen is ontstaan en dat zij geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare samenwerking. (…).

5.5.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er gronden aanwezig zijn om aan [eiser volledig] een ontbindingsvergoeding toe te kennen en meer in het bijzonder over de vraag aan wie de vertrouwensbreuk tussen hen te wijten is. (…).

5.6.

Van belang is wat zich na de datum van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen heeft afgespeeld, waardoor het eerder aanwezige vertrouwen in een vruchtbare samenwerking over en weer is geschaad. Hochwald heeft in dit kader aangevoerd dat zij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking is verloren doordat [eiser volledig] - kort nadat partijen hun geschillen hadden beslecht door middel van de vaststellingsovereenkomst - onverwachts een bodemprocedure is begonnen over de verwijten die zij hem in 2012 heeft gemaakt. [eiser volledig] heeft hiertegenover gesteld dat hij reeds voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan Hochwald duidelijk heeft gemaakt dat een bodemprocedure zou volgen. Alhoewel de brieven van [eiser volledig] d.d. 23 en 30 januari 2013 bevestigen dat [eiser volledig] een bodemprocedure heeft aangekondigd en dat [eiser volledig] heeft aangegeven deze bodemprocedure op te zullen schorten gedurende het mediationtraject, doet de tekst van de nadien gesloten vaststellingsovereenkomst vermoeden dat partijen al hun geschillen en derhalve ook het geschil over de verwijten die Hochwald [eiser volledig] in 2012 heeft gemaakt hebben afgekaart in deze overeenkomst. In artikel 1 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst wordt immers in algemene bewoordingen bepaald dat standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken en dat de arbeidsovereenkomst voldoende is hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten. In dat licht, acht de kantonrechter het voorstelbaar dat de dagvaarding in de bodemprocedure, die volgens [eiser volledig] is gericht op eerherstel, onverwachts kwam voor Hochwald. Dit geldt temeer nu partijen vele gesprekken met elkaar hebben gevoerd en Hochwald [eiser volledig] een kans heeft gegeven op terugkeer in zijn eigen functie en zij daarmee tegemoet is gekomen aan de wens van [eiser volledig]. [eiser volledig] is ondanks de vele gesprekken met Hochwald en ondanks de geboden kans op terugkeer in zijn eigen functie kennelijk niet in staat gebleken om op een nuchtere manier met de situatie om te gaan. Door het starten van de bodemprocedure heeft hij de verhoudingen tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter onnodig op scherp gesteld. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de vertrouwensbreuk tussen partijen in overwegende mate is te wijten aan [eiser volledig].

5.7

Gezien voornoemde vertrouwensbreuk, kon van Hochwald - anders dan [eiser volledig] heeft aangevoerd - niet verwacht worden dat zij onverkort zou meewerken aan de re-integratie van [eiser volledig] in zijn eigen functie. Door meteen een ontbindingsverzoek aan te kondigen in reactie op de bodemprocedure, is de handelwijze van Hochwald echter ook niet bevorderlijk geweest voor het onderlinge vertrouwen. Gelet op het mediationtraject dat partijen achter de rug hadden en de vaststellingsovereenkomst die naar aanleiding daarvan was gesloten, had het in de rede gelegen dat Hochwald eerst een gesprek met [eiser volledig] was aangegaan over de bodemprocedure en de hierdoor ervaren beschadiging van haar vertrouwen, alvorens een ontbindingsverzoek aan te kondigen.

2.10.

[eiser volledig] heeft een verzoek tot herroeping van de ontbindingsbeschikking ingediend. Dit verzoek is echter bij beschikking van 17 december 2013 afgewezen. De kantonrechter heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:

De stukken die [eiser volledig] in de onderhavige procedure heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de bodemprocedure niet onverwachts kwam voor Hochwald, betreffen een concept vaststellingsovereenkomst, drie e-mailberichten van [eiser volledig] aan de mediator en een e-mailbericht van [naam 2 kort] aan de mediator.

(…)

Nog afgezien van het vorenstaande, acht de kantonrechter de stukken die [eiser volledig] heeft overgelegd ook niet van beslissende aard, in die zin dat de beslissing van de kantonrechter in de ontbindingsprocedure anders zou hebben geluid als hij bekend zou zijn geweest met deze stukken. Deze stukken laten namelijk onverlet dat in de definitieve vaststellingsovereenkomst wordt vermeld dat partijen de blik op de toekomst zullen richten en dat [eiser volledig] hierin geen voorbehoud heeft gemaakt voor het starten van een bodemprocedure aangaande zijn personeelsdossier. Onder die omstandigheden acht de kantonrechter het nog steeds voorstelbaar dat Hochwald onaangenaam verrast was dat [eiser volledig] haar zo kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in rechte heeft betrokken.

3 Het geschil

De vordering in conventie

3.1.

[eiser volledig] vordert dat het de kantonrechter moge behage bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Verklaring voor recht te geven dat de aan [eiser volledig] toegerekende verwijten ongegrond zijn, met vermelding van de ongegronde verwijten A, B, C, D, E, en/of F (zie punten 25 t/m 53), dan wel een in goede justitie te bepalen van een andere verklaring van recht in lijn met het verzochte ongegrond verklaren.

II. Verklaring voor recht dat Hochwald zich niet als een goed werkgever heeft gedragen door dergelijke ongegronde verwijten aan te wenden om een medewerker in deze omstandigheden op deze wijze uit zijn functie te willen plaatsen, zonder hoor en wederhoor, dan wel een in goede justitie te bepalen andere verklaring van recht in lijn met deze verzochte verklaring over goed werkgeverschap (met verwijzing naar punt 57.).

III. Het vernietigen dan wel het ongegrond verklaren van de berisping van 19 september 2012 en 16 oktober 2012.

IV. Hochwald op te dragen het personeelsdossier te zuiveren ofwel te rectificeren met het oog op de ongegronde verwijten, in het bijzonder door gedaagde op te dragen het schrijven van 19 september 2012 en 16 oktober 2012 van gedaagde uit het personeelsdossier te verwijderen, dan wel gedaagde op te dragen een passende rectificatie te schrijven naar [eiser volledig] waaruit het ongegrond zijn van de gestelde verwijten A, B, C, D, E, en/of F blijkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft, te rekenen vanaf twee dagen na betekening van het vonnis, dan wel in andere goede justitie te bepalen rectificatie.

V. Hochwald te veroordelen tot rectificatie over te gaan, door aan de werknemers op de afdeling van [eiser volledig] een schrijven te sturen met de volgende inhoud "In september en oktober 2012 zijn door ons aan de heer [eiser volledig] verwijten ten grondslag gelegd, die ongegrond bleken te zijn. Wij nemen dit terug.”, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 500,-- voor iedere dag dat Hochwald in gebreke blijft, te rekenen vanaf twee dagen na betekening van het vonnis, dan wel in andere goede justitie te bepalen rectificatie.

VI. Hochwald te veroordelen tot voldoening van buitengerechtelijke kosten die gemaakt zijn ad € 800,00.

VII. Hochwald te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van eiser.

VIII. Om aan [eiser volledig] een schadevergoeding te betalen, veroorzaakt door het niet nakomen van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst: met verwijzing naar de punten 19 t/m 40, bestaande uit en bij deze akte vermeerdering van eis gespecificeerd bedrag begroot op € 666.090,21, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag van de datum van instelling van deze vordering (20 augustus 2013) tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander te voldoen binnen drie dagen na betekening van terzake te wijzen vonnis, alsmede

IX. Om aan [eiser volledig] een schadevergoeding te betalen, veroorzaakt door het handelen in strijd met de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst, met verwijzing naar de punten 41 t/m 57 bestaande uit en bij deze akte vermeerdering van eis gespecificeerd bedrag begroot op € 660.090,21, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te

vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag van de datum van instelling van deze

vordering (20 augustus 2013) tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander te voldoen binnen drie dagen na betekening van terzake te wijzen vonnis, alsmede

X. Om voor recht te verklaren dat Hochwald de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en/of daarmee in strijd heeft gehandeld, dan wel een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen omschrijving van de wanprestatie van Hochwald, alsmede

Xl. Hochwald te veroordelen tot rectificatie over te gaan en de naam van [eiser volledig] in deze te zuiveren, door aan de werknemers op de afdeling van [eiser volledig] een schrijven te sturen met de volgende inhoud: “Tussen Hochwald en [eiser volledig] zijn begin 2013 afspraken gemaakt over de reintegratie van de heer [eiser volledig], waarvan de rechter tot het oordeel is gekomen dat Hochwald deze afspraken niet is nagekomen.”, onder verbeurte van een dwangsom van

€ 500,-- voor iedere dag dat gedaagde in gebreke blijft, te rekenen vanaf twee dagen na betekening van het vonnis, dan wel een andere in goede justitie te bepalen rectificatie, alsmede

XII. Hochwald te veroordelen tot voldoening van de proceskosten in conclusie van antwoord in reconventie en houdende akte vermeerdering van eis, kosten der eventuele horen van getuigen daaronder begrepen.

3.2.

Hochwald voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De vordering in reconventie

3.4.

Hochwald vordert dat het de kantonrechter moge behage om [eiser volledig], te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. om aan Hochwald te betalen uit hoofde van vergoeding van schade, veroorzaakt door handelen/nalaten in strijd met de eisen van goed werknemerschap: alle in het kader van het (mee-)werken aan een regeling buiten rechte gemaakte (buitengerechtelijke) kosten, bestaande uit en bij deze eis in reconventie gespecificeerd tot, een bedrag ad in totaal

€ 14.151,72 ex btw; dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van instellen van deze vordering (19 juli 2013) tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander te voldoen binnen 72 uur na betekening van het terzake te wijzen vonnis, alsmede

b. [eiser volledig] te veroordelen tot voldoening van de proceskosten in reconventie, kosten der eventuele getuigen daaronder begrepen, zulks met de bepaling dat als deze kosten niet vrijwillig binnen 14 dagen na datum vonnis zijn betaald op een door Hochwald aan te geven rekeningnummer, daarover wettelijke rente loopt en verschuldigd is met ingang van de 15e dag na datum vonnis.

3.5.

[eiser volledig] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De beoordeling van het geschil in conventie

De vorderingen I tot en met V

4.1.

[eiser volledig] heeft aan zijn initieel ingestelde vorderingen ten grondslag gelegd - kort samengevat - dat hij ten onrechte door Hochwald is beschuldigd van de door hem genoemde feiten. Door ongefundeerde verwijten te uiten en daaraan gevolgen te verbinden heeft Hochwald, zowel inhoudelijk als procedureel, niet als een goed werkgever gehandeld, aldus [eiser volledig]. [eiser volledig] stelt dat de berispingen van 21 september 2012 en 16 oktober 2012 ongegrond zijn en uit zijn personeelsdossier moeten worden verwijderd. Ten aanzien van de SCM-besmetting heeft [eiser volledig] onder meer aangevoerd dat hij een berisping heeft gekregen voor deze besmetting en dat de schuld van de schade hem in de schoenen wordt geschoven, vermoedelijk om daarmee degenen te ontzien die hiervoor werkelijk verantwoordelijk waren. Tot slot stelt [eiser volledig] dat hij belang heeft bij een rectificatie te richten aan de werknemers aan wie hij leiding geeft.

4.2

Ter onderbouwing van zijn belang bij de ingestelde vorderingen - nu het dienstverband tussen partijen door ontbinding is beëindigd - heeft [eiser volledig] ter zitting gesteld dat zijn eer en goede naam zijn geschonden en dat een en ander moet worden rechtgezet. [eiser volledig] wil dat de waarheid boven water komt, omdat hij het gevoel heeft dat hem onrecht is aangedaan. Het gaat hem daarbij voornamelijk om het onderzoeken van de toedracht van de SCM-besmetting.

4.3

Hochwald heeft tot haar verweer - onder meer - het actuele belang van [eiser volledig] bij de ingestelde vorderingen ter discussie gesteld.

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.4

De kantonrechter zal allereerst ingaan op de vraag of [eiser volledig] nog belang heeft bij de ingestelde vorderingen zoals genoemd onder I tot en met V van de dagvaarding en overweegt hiertoe als volgt.

4.5

In artikel 3:303 BW is bepaald dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. Voor de toewijzing van een vordering tot verklaring voor recht moet hiernaast zijn voldaan aan artikel 3:302 BW waarin is bepaald dat de verklaring slechts wordt gegeven op vordering van een bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de vorderingen niet (meer) in relatie staan tot de arbeidsverhouding tussen partijen, omdat die door de ontbinding is beëindigd. [eiser volledig] heeft voorts in verband met de vermeende ongefundeerde verwijten aan zijn adres geen schadevergoeding van Hochwald gevorderd. De gevorderde verklaringen voor recht hebben daarom alleen nog ten doel dat de eer en goede naam van [eiser volledig] gezuiverd worden en zouden gelet hierop gelden als een vorm van genoegdoening. De kantonrechter overweegt dat het belang van genoegdoening of eerherstel zonder financiële vergoedingsverplichting - hoewel dit kennelijk zeer zwaarwegend is voor [eiser volledig] - niet is aan te merken als een voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1998, NJ 1998, 853 (Jeffrey-arrest), waarin de Hoge Raad heeft uitgesproken dat een 'zuiver emotioneel belang' niet is aan te merken als een voldoende belang in de zin van voornoemd artikel. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding voor een ruimhartiger opstelling. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen tot verklaring voor recht, zoals geformuleerd onder I en II, niet ontvankelijk zullen worden verklaard. Tot een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van [eiser volledig], dat aan hem ongegronde verwijten zijn toegerekend en dat zijn werkgever zich niet als een goed werkgever heeft gedragen, komt de kantonrechter dan ook niet toe.

4.6

Ten aanzien van de vordering tot vernietiging dan wel ongegrondverklaring van de berisping van 19 september 2012 en 16 oktober 2012 (III) en de vordering tot zuivering van het personeelsdossier van [eiser volledig] (IV) overweegt de kantonrechter het volgende. Rekening houdend met het feit dat de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels is beëindigd heeft [eiser volledig] naar het oordeel van de kantonrechter niet een voldoende belang gesteld bij toewijzing van deze vorderingen. Voor zover [eiser volledig] deze vorderingen eveneens heeft ingesteld met het oog op eerherstel, is dit - zoals hiervoor al is overwogen - niet een voldoende belang. Dit betekent dat de vorderingen zoals geformuleerd onder III en IV eveneens niet-ontvankelijk verklaard zullen worden. De kantonrechter merkt hierbij op dat dit oordeel aansluit bij de inhoud van de brief van de gemachtigde van [eiser volledig] van 30 januari 2013, waarin deze schrijft: "De waarheid in een bodemprocedure boven tafel te krijgen, dat is enkel zinvol voor een medewerker die voor continuering van zijn dienstverband gaat en daartoe ook zijn dossier schoon wenst te houden van zaken die daarin niet thuis horen".

4.7

Nu de vorderingen omtrent de vermeende ongefundeerde verwijten en de gegeven berispingen niet ontvankelijk zijn, zal de kantonrechter de hiermee samenhangende vordering tot rectificatie (V) gericht aan de werknemers op de afdeling waar [eiser volledig] werkte als ongegrond afwijzen.

4.8

Gelet op het feit dat voornoemde hoofdvorderingen niet toewijsbaar zijn, komen ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 800,00 (VI) niet voor toewijzing in aanmerking.

De vorderingen VIII tot en met X

4.9

[eiser volledig] heeft aan zijn bij akte vermeerdering van eis ingestelde vorderingen tot schadevergoeding en tot afgifte van een verklaring voor recht in de eerste plaats ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat Hochwald op ernstige wijze haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst heeft verzaakt door de vaststellingsovereenkomst niet na te komen. Volgens [eiser volledig] had Hochwald geen gerechtvaardigde gronden om zich aan de vaststellingsovereenkomst te mogen onttrekken. [eiser volledig] stelt dat hij van meet af aan duidelijk heeft gemaakt dat - indien Hochwald geen afstand zou doen van de verwijten dan wel geen bewijs hiervoor zou leveren - een bodemprocedure zou worden gestart om de waarheid met betrekking tot de in 2012 geuite verwijten boven tafel te krijgen. [eiser volledig] verwijst naar de correspondentie tussen partijen - een concept vaststellingsovereenkomst, drie e-mailberichten van [eiser volledig] aan de mediator en een e-mail bericht van [naam 2 kort] aan de mediator - waarin dit volgens hem staat. In de uiteindelijke vaststellingovereenkomst is geen bepaling opgenomen dat geen bodemprocedure komt, alsook geen bepaling die aan de bodemprocedure in de weg staat. Toen Hochwald de vaststellingsovereenkomst tekende wist zij derhalve dat een bodemprocedure zou volgen.

4.10

[eiser volledig] heeft subsidiair aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Hochwald in strijd met de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld doordat zij in de aanloop naar en tijdens de onderhavige procedure opzettelijk een misleidend verhaal heeft gehouden en de waarheid heeft achtergehouden met betrekking tot de vraag of zij rekening diende te houden met de dagvaarding in de bodemprocedure. Dit levert overtreding op van het bepaalde in artikel 21 Rv, op grond van welk artikel een partij verplicht is de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, aldus [eiser volledig].

4.11

Hochwald heeft tot haar verweer - kort samengevat - betwist dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan enige tekortkoming. De initiële vorderingen van [eiser volledig] hadden betrekking op het geschil dat aanleiding is geweest voor het mediation traject en de vaststellingsovereenkomst, namelijk het functioneren van [eiser volledig] en het daaruit voortvloeiende arbeidsconflict. Hochwald mocht ervan uitgaan - zoals vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst - dat het vertrouwen was hersteld en dat partijen zich op de toekomst zouden richten in plaats van weer in het verleden te graven. Door terstond een bodemprocedure te starten is het niet Hochwald, maar juist [eiser volledig] die de verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, aldus Hochwald. Hochwald heeft aangevoerd dat geen sprake is van toerekenbaarheid aan haar zijde, omdat het [eiser volledig] is geweest die heeft aangestuurd op escalatie door het terstond instellen van een bodemprocedure. Hochwald heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de gestelde schade door [eiser volledig] onvoldoende is onderbouwd en dat niet is voldaan aan het vereiste causaal verband tussen de vermeende tekortkoming en de gestelde schade.

4.12

Hochwald heeft verder tot haar verweer aangevoerd dat in de relatie werkgever-werknemer slechts in bijzondere gevallen naast de ontbindingsprocedure een vordering uit wanprestatie kan worden ingesteld, namelijk wanneer de kantonrechter in de ontbindingsprocedure op grond van de redelijkheid en billijkheid een bepaalde aanspraak expliciet buiten beschouwing heeft gelaten. Hochwald wijst op rechtspraak van de Hoge Raad (onder ander de uitspraak van 24 oktober 1997 Baijings/MR H). Die situatie is hier volgens Hochwald niet aan de orde, omdat de kantonrechter het niet-nakomen van de vaststellingsovereenkomst expliciet heeft meegenomen in zijn beslissing. Hochwald is voorts van oordeel dat de vordering van [eiser volledig] verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van de beëindiging. Dit maakt dat de vordering van [eiser volledig] in de kern neerkomt op een verkapt hoger beroep tegen de ontbindingsbeschikking en de bij die gelegenheid toegekende vergoeding. De Hoge Raad staat een dergelijk verkapt hoger beroep niet toe, aldus Hochwald.

4.13

Hochwald betwist tot slot dat sprake is geweest van misleiding. Hochwald is van mening dat het middel mediation onrecht wordt aangedaan als geheimhouding (beperkt) wordt opgeheven. Bovendien is de mediation geslaagd bij het ondertekenen van de afspraken en telt alles wat daaraan vooraf is gegaan niet meer mee. Hochwald is voorts van mening dat hetgeen door Hochwald is aangevoerd met betrekking tot de gestelde misleiding door Hochwald al is meegenomen in de ontbindingsprocedure en de hierop volgende beschikking.

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.14

Partijen zijn naar het oordeel van de kantonrechter over en weer voldoende in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten en te voorzien van producties. De kantonrechter heeft daarom de bij de laatste akte van [eiser volledig] gevoegde producties buiten beschouwing gelaten. Naar het oordeel van de kantonrechter is [eiser volledig] hiermee, mede gelet op de navolgende overwegingen, niet in zijn belangen geschaad.

4.15

De kantonrechter zal thans als eerste beoordelen in hoeverre er in het onderhavige geval ruimte bestaat voor [eiser volledig] om in aanvulling op de aan hem toegekende ontbindingsvergoeding ad € 125.000,00 een afzonderlijke schadevergoeding te vorderen. Deze vraag is van belang omdat bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:685 lid 11 BW een rechtsmiddelenverbod geldt en het indienen van een afzonderlijke vordering hiermee in strijd zou kunnen komen. Volgens vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat de bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst meebrengt dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 7:685 BW, het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van artikel 7:685 BW met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (vgl. HR 2 november 2001, NJ 2001,667). De Hoge Raad heeft hiernaast in een reeks van uitspraken bepaald dat een vordering na een ontbindingsprocedure desondanks ontvankelijk kan zijn mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De reeks staat bekend als de zogenaamde Baijings-leer. Een van de criteria waaraan door de Hoge Raad wordt getoetst is de juridische grondslag waarop de vordering is gebaseerd. Een ander aspect is de mate waarin de rechter de feiten en omstandigheden wel of juist niet expliciet heeft meegewogen in zijn beslissing die heeft geleid tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In het onderhavige geval is in de ontbindingsprocedure expliciet rekening gehouden met de perikelen die gespeeld hebben rond de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter wijst op de onder de feiten aangehaalde rechtsoverweging 5.6 en 5.7 van de ontbindingsbeschikking van 26 april 2013. Van een expliciet buiten beschouwing gelaten aanspraak is dan ook geen sprake. De kantonrechter onderkent dat de onderhavige vordering zich wat betreft de juridische grondslag onderscheidt van de vergoeding naar billijkheid in de ontbindingsprocedure. Van belang is echter dat het zowel in de ontbindingsprocedure als in de onderhavige procedure gaat om het verkrijgen van een vergoeding voor inkomensschade verband houdend met de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking of de gevolgen daarvan. Voor dit soort schade is de ontbindingsvergoeding nu juist exclusief bedoeld. Aan beide vorderingen ligt bovendien hetzelfde feitencomplex ten grondslag. Kennelijk is [eiser volledig] van mening dat de toegekende vergoeding geen recht doet aan de door de kantonrechter in de ontbindingsprocedure beoordeelde en gewogen feiten en omstandigheden met betrekking tot het wel of niet starten van een bodemprocedure na afloop van het door partijen gevolgde mediation traject. [eiser volledig] kan echter de onderhavige procedure niet aangrijpen om alsnog aan te tonen dat de feiten anders zijn geweest dan door de kantonrechter in de ontbindingsprocedure is aangenomen. Een andere opvatting zou immers ertoe leiden dat in strijd met (de bedoeling van) het rechtsmiddelenverbod van art. 7:685 lid 11 BW een herbeoordeling zou plaatsvinden van het tot de kantonrechter gerichte verzoek.

4.16

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er geen ruimte meer bestaat om een afzonderlijke vordering tot betaling van schadevergoeding op grond van niet nakoming van dan wel handelen in strijd met (de verplichtingen uit) de vaststellingsovereenkomst in te stellen. De hierop gerichte vorderingen ad VIII en IX worden dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van [eiser volledig] hieromtrent.

4.17

Uit het voorgaande volgt tevens dat de onder X gevorderde verklaring voor recht dat Hochwald de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en/of daarmee in strijd heeft gehandeld niet ontvankelijk zal worden verklaard. Zonder financiële vergoedingsverplichting heeft [eiser volledig] geen belang bij toewijzing van deze vordering.

4.18

Nu de vorderingen omtrent de vermeende niet nakoming van de vaststellingsovereenkomst door Hochwald niet ontvankelijk zijn, zal de kantonrechter de hiermee samenhangende vordering tot rectificatie (XI) gericht aan de werknemers op de afdeling waar [eiser volledig] werkte als ongegrond afwijzen.

De beoordeling van het geschil in reconventie

4.19

Hochwald heeft aan haar vordering in reconventie ten grondslag gelegd - kort samengevat - dat zij zich langdurig heeft ingezet om te komen tot een minnelijke oplossing van de tussen haar en [eiser volledig] gerezen problemen. Zij heeft hiervoor op verschillende wijzen geïnvesteerd c.q. kosten gemaakt die voor haar eigen rekening zouden blijven indien de uiteindelijk getroffen minnelijke regeling correct zou zijn opgevolgd. Hochwald stelt dat [eiser volledig] zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en dat hij Hochwald daarmee voor hoge kosten heeft geplaatst, die thans als schade moeten worden gezien en waarvan Hochwald vergoeding vordert. Aan haar vordering heeft Hochwald mede ten grondslag gelegd dat het gedrag van [eiser volledig], met het uitbrengen van de dagvaarding, niet als overeenkomstig de eisen van goed werknemerschap kan worden beschouwd. De gevorderde kosten betreffen de kosten van het arbeidskundig traject via Arbo-Unie, de nota's van de mediator, de kosten voor de cursus Middle Management op basis van de vaststellingsovereenkomst en juridische kosten tot een totaalbedrag van € 14.151,72.

De kantonrechter overweegt het volgende.

4.20

Bij de beoordeling van de vordering van Hochwald moet vooropgesteld worden dat een ieder het fundamentele recht heeft dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen zijn zaak door een onafhankelijke rechter eerlijk en openbaar wordt behandelt. In dat recht dient de burger niet beknot te worden. Ook [eiser volledig] staat het naar het oordeel van de kantonrechter vrij om zijn - vermeende - recht te halen. Van het (doelbewust) niet nakomen door [eiser volledig] van zijn verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst kan in dit licht bezien geen sprake zijn. Dat [eiser volledig] door middel van het indienen van de dagvaarding in de onderhavige procedure heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werknemerschap is gelet op het vorenstaande evenmin komen vast te staan. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat de door Hochwald gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen, nu een grondslag voor toewijzing ontbreekt. Hochwald komt wel in aanmerking voor een proceskostenveroordeling in conventie, zoals hierna weergegeven.

Proceskosten in conventie en in reconventie

4.21

[eiser volledig] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. De kosten aan de zijde van Hochwald worden begroot op € 2.500,00 ( 2,5 punten x tarief ad € 1.000,00 per punt).

4.22

Hochwald dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiser volledig] worden begroot op € 500,00 ( 1 punt x tarief € 500,00).

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1

verklaart de vorderingen onder I, II, III, IV, VII, VIII, IX en X niet-ontvankelijk;

5.2

wijst de vorderingen onder V, VI en XI af;

5.3

veroordeelt [eiser volledig] in de kosten van de procedure in conventie, tot op heden aan de zijde van Hochwald begroot op € 2.500,00;

in reconventie

5.4

wijst de vordering af;

5.5

veroordeelt Hochwald in de kosten van de procedure in reconventie, tot op heden aan de zijde van [eiser volledig] begroot op € 500,00;

5.6

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A. van der Meer, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 238