Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:207

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
548295 CV EXPL 12-5885
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

1) verrekenen loon en schuld ook al zijn er twee verschillende rechtspersonen 2) op grond van arbeidsovereenkomst is er recht op uitkering opgebouwd pensioen ook al is mogelijk Cypriotisch recht van toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/102
AR-Updates.nl 2014-0098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 548295 CV EXPL 12-5885

Vonnis d.d. 16 januari 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam].

gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam],

eisende partij in conventie en verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. K.S. Suls, advocaat te Groningen

(Hereweg 93, 9721 AA)

tegen

[naam],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

gedaagde partij in conventie en eisende partij in voorwaardelijke conventie,
hierna [B] te noemen,

gemachtigde mr. R.M.A. Arnoldus, advocaat te Groningen

(Lopende Diep Noordzijde 1, 9712 NV)

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 11 juli 2013 heeft de kantonrechter het volgende geconcludeerd.

De vordering van [A] op [B] uit hoofde van de leningsovereenkomst, staat vast. [B] mag deze vordering echter verrekenen voor zover komt vast te staan dat hij uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst een vordering heeft op [naam] dan wel [A]. De stelling van [B] dat er een afspraak is gemaakt tot finale kwijting over en weer, is door [B] onvoldoende onderbouwd. Evenmin is de stelling van [B] dat hij aanspraak kan maken op vergoeding van telefoonkosten door [B] voldoende onderbouwd. [B] is wel bevoegd het bedrag van € 5.632,64 dat hij aan pensioen heeft opgebouwd te verrekenen met zijn schuld jegens [A].

De kantonrechter heeft de zaak naar de rol verwezen voor een akte aan de zijde van [A] om een nadere reactie in te dienen op de vraag of [B] in november 2010 als supervisor in Libië heeft gewerkt en waarom [B] in december 2009 voor 22 dagen recht had op uitkering van een dubbele bonus.

Op de rolzitting van 19 september 2013 heeft [A] deze akte ingediend, waarop [B] op de rolzitting van 28 november 2013 bij antwoordakte heeft gereageerd. Vervolgens is vonnis bepaald.

OVERWEGINGEN

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

1 Pensioenrechten

1.1.

Ten aanzien van het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 11 juli 2013 omtrent de verrekening van pensioenrechten, heeft [A] thans aangevoerd dat op grond van het Europees Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) op de arbeidsverhouding met [B] geen Nederlands recht, maar Cypriotisch recht van toepassing is. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij geen verplichting had om een individuele pensioenvoorziening voor [B] te treffen. Zij heeft daarbij gewezen op de zogeheten [naam] (hierna: het handboek) Indien mogelijk zou [B] kunnen aansluiten bij de Nederlandse pensioenvoorziening van [A]. Dit is echter niet mogelijk gebleken. Naar Cypriotisch recht is er bovendien geen algemene verplichting om een pensioen op te bouwen voor werknemers. Voor zover interne reserveringen gemaakt zijn en deze al beschouwd zouden moeten worden als een pensioenvoorziening, hetgeen [A] betwist, dan gaat het om een bruto bedrag. Het gaat volgens [A] niet aan om dit bruto bedrag voor verrekening in aanmerking te laten komen.

1.2.

De kantonrechter stelt voorop dat in het vonnis van 11 juli 2013 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist over het geschilpunt omtrent de mogelijkheid tot verrekening van de nog openstaande geldlening met het opgebouwde pensioen. De kantonrechter is in beginsel in het verdere verloop van het geding aan deze eindbeslissing gebonden (Hoge Raad 26 november 2010, LJN: BN8521). Deze gebondenheid die dient tot beperking van het debat, geldt niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om over te gaan tot heroverweging van die beslissing.

1.3.

De kantonrechter ziet in dit geval geen grond voor heroverweging omdat niet is gebleken dat voornoemde eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag is gebaseerd. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 14 van de arbeidsovereenkomst waarin is opgenomen dat de werkgever als dat mogelijk is een pensioenvoorziening zal treffen. In het vonnis van 11 juli 2013 is in het midden gelaten of het Nederlands recht dan wel het Cypriotisch recht op de arbeidsovereenkomst van toepassing is. De kantonrechter ziet ook thans geen noodzaak om hierover een knoop door te hakken nu de werkgever zowel naar Nederlands als naar Cypriotisch recht gehouden is aan afspraken die in de arbeidsovereenkomst zijn gemaakt omtrent het realiseren van een pensioenvoorziening.

1.4.

In het vonnis van 11 juli 2013 is overwogen dat [A] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk zou zijn om een individuele pensioenvoorziening te treffen. Dat de in artikel 14 van de arbeidsovereenkomst neergelegde verplichting om te proberen een pensioenvoorziening voor [B] te treffen enkel zag op een collectieve voorziening, is door [A] eerder niet aangevoerd en blijkt ook niet uit het thans overgelegde handboek. Onder 5 van het handboek is wat betreft het beleid voor pensioen en verzekeringen de volgende doelstelling opgenomen: “Purpose: To provide a consistent practise of insurances and pension to international employees who are working in a foreign country” . Onder 5.1 van het handboek is voor internationale werknemers die, zoals [B], in Nederland zijn geregistreerd, bepaald dat indien mogelijk aangesloten wordt bij de pensioenvoorziening van [A]. Als aansluiting bij deze pensioenvoorziening niet mogelijk is, had het naar het oordeel van de kantonrechter op grond van artikel 14 van de arbeidsovereenkomst en de doelstelling daarvan zoals die blijkt uit het handboek, op de weg van de werkgever gelegen om de mogelijkheden van een andere pensioenvoorziening te onderzoeken. Dat deze uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting uitsluitend betrekking zou hebben op het treffen van een collectieve pensioenvoorziening is de kantonrechter niet gebleken.

1.5.

In het vonnis van 13 juli 2013 is verder overwogen dat de brief van de HR department van [A], verzonden per email van 3 december 2010, de email van de HR manager van 27 juni 2011 en de email van [naam] van 23 november 2011 er naar het oordeel van de kantonrechter op wijzen dat wel degelijk een pensioenvoorziening is getroffen en dat de waarde daarvan op het moment van vertrek van [B] € 5.632,64 (netto) was en dat de hoogte van dit bedrag door [A] niet gemotiveerd is betwist. Het is de kantonrechter niet gebleken dat dit oordeel op een onjuiste (feitelijke) grondslag is gebaseerd. Dat het om een netto bedrag gaat, blijkt uit de email van [naam] van 23 november 2011 waar dit bedrag is genoemd en is aangegeven dat na verrekening er een restschuld zou zijn van in totaal € 2.846,87 (exclusief wettelijke rente), te weten € 8.480,51 minus € 5.632,64. De omstandigheid dat dit bedrag is genoemd in het kader van de onderhandelingen met [B] omtrent tewerkstelling in Rusland en deze tewerkstelling uiteindelijk niet is doorgegaan, betekent niet dat niet van de juistheid van dit bedrag kan worden uitgegaan. Nu in de email het gehele bedrag wordt verrekend met de openstaande schuld uit hoofde van de geldlening, gaat het kennelijk om een netto bedrag.

2 Bonus als supervisor

2.1.

Zoals in het vonnis van 11 juli 2013 is aangegeven, rust op [B] de stelplicht en zonodig de bewijslast ter zake van de posten die [A] door verrekening met de openstaande schuld nog moet voldoen, terwijl [A] als werkgever – althans het bedrijf dat namens de werkgever de salarisbetalingen verricht - een (verzwaarde) motiveringsplicht heeft ten aanzien van het al dan niet openstaan van deze posten.

2.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [A] door een nadere toelichting te geven op de werkzaamheden van de heer Bijleveld en op de wijze waarop bonussen worden geadministreerd en door overlegging van ondersteunende producties, voor wat betreft de bonus als supervisor waarop [B] voor de maand november 2010 aanspraak maakt, voldaan aan haar motiveringsplicht. In het licht van deze motivering heeft [B] zijn stelling dat hij in de maand november 2010 als supervisor in Libië heeft gewerkt onvoldoende onderbouwd. De overgelegde formulieren van [C] waarop [A] als “Service Company” wordt genoemd en die door [B] op 30 november 2010 zijn ondertekend als “Service Company Supervisor” zijn in het licht daarvan onvoldoende. Er kan hooguit uit worden afgeleid dat [A] in de daarin genoemde periodes werkzaamheden heeft verricht voor [C]. Hoewel [B] als supervisor heeft getekend, blijkt er niet uit dat [B] in de betreffende periodes als supervisor heeft gewerkt. [B] heeft geen andere onderbouwing gegeven van zijn stelling, zoals een bonussheet van [A] of een nadere verklaring waaruit zijn werkzaamheden als supervisor hebben bestaan en wie dat zou kunnen bevestigen. Aan een bewijsopdracht aan [B] komt de kantonrechter hierdoor niet toe.

3 Salaris 2009

3.1.

Ook voor wat betreft het salaris en de bonus waarop [B] in de periode van augustus 2009 tot en met november 2009 aanspraak kan maken, heeft [A] naar het oordeel van de kantonrechter door haar nadere toelichting en overlegging van de bonussheets over de genoemde periode aan haar motiveringsplicht voldaan. [A] heeft hierdoor inzichtelijk gemaakt over hoeveel dagen [B] in de genoemde periode aanspraak kon maken op een dubbele bonus en welke betalingen zijn gedaan. [B] heeft betwist dat hij de bonussheets heeft ondertekend, maar ook als hij ze niet heeft ondertekend, wil dat nog niet zeggen dat de inhoud van de bonussheets onjuist zou zijn. [B] heeft de bonussheets inhoudelijk niet betwist, behalve dat hij stelt dat hij niet in november 2009 maar in december 2009, 29 dagen in Libië heeft gewerkt. De stelling van [B]

dat hij in deze periode gedurende 22 dagen werkzaamheden op de Noordzee en in Oostenrijk heeft verricht, is door [A] betwist en [B] heeft in reactie daarop geen nadere onderbouwing gegeven van zijn stelling. Zo heeft hij niet aangegeven op welke dagen de werkzaamheden zijn verricht, waaruit de werkzaamheden bestonden en hoe deze zich verhouden tot de werkzaamheden die hij in betreffende periode in Libië heeft verricht en de betalingen die hij daarvoor heeft ontvangen. In het licht van de toelichting die door [A] is gegeven op de werkzaamheden van [B] in de betreffende periode en over de betalingen in die periode, is de enkele stelling van [B] dat hij nog aanspraak kan maken op betaling van 22 dagen bonus, onvoldoende onderbouwd. Aan een bewijsopdracht aan [B] komt de kantonrechter hierdoor niet toe.

4 Conclusies

in conventie

4.1.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering in conventie toewijsbaar is tot een bedrag € 2.846,87, te weten € 8.480,51 als openstaande schuld uit hoofde van de leningsovereenkomst minus € 5.632,64 dat als pensioen is opgebouwd en voor verrekening met deze schuld in aanmerking komt. De overige posten waar [B] aanspraak op maakt, komen niet voor verrekening in aanmerking.

4.2.

[B] zal over voornoemd bedrag ook de gevorderde contractuele rente van 6% per jaar vanaf de opeisbaarheid daarvan moeten betalen. Gelet op de brief van [A] van 15 december 2011 waarin zij [B] sommeert binnen 10 dagen het openstaande bedrag te betalen, gaat de kantonrechter er vanuit dat voornoemd bedrag opeisbaar is vanaf 26 december 2011.

4.3.

[A] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. De vordering tot betaling van deze kosten zal worden toegewezen tot een bedrag van € 450,00.

in reconventie

4.4.

De vordering in voorwaardelijke reconventie wordt gelet op het vorenstaande afgewezen.

Proceskosten in conventie en reconventie

4.5.

Nu beide partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in conventie en in reconventie gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [B] om tegen kwijting aan [A] te betalen € 2.846,87, vermeerderd met de overeengekomen rente van 6% per jaar over dit bedrag vanaf 26 december 2011 tot de dag der algehele voldoening en € 450,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in voorwaardelijke reconventie

wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door S.M. Schothorst, kantonrechter, en op 16 januari 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: SMS