Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:2068

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
2796293 EJ VERZ 14-41
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

ontbindingsvergoeding 7:685 lid 8 bw; afwijkend van Sociaal Plan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0102
AR 2015/185

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 2796293 EJ VERZ 14-41

Beschikking d.d. 22 april 2014

inzake

[naam],

wonende te [plaatsnaam], [adres],

verzoeker (tevens verweerder), hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap [naam],

gevestigd te [plaatsnaam], [adres],

verweerster (tevens verzoekster), hierna [B] te noemen,

gemachtigde mr. R.I. de Vries werkzaam bij CCM B.V. te Groningen.

PROCESGANG

[A] heeft bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 18 februari 2014, verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ontbinden onder toekenning van alle uit het Sociaal Plan voortvloeiende financiële verplichtingen.

[B] heeft zich verweerd bij verweerschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 26 maart 2014.

Op haar beurt heeft [B] eveneens verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair vanwege dringende redenen, subsidiair gewijzigde omstandigheden, met toekenning van een ontbindingsvergoeding aan [A] van € 19.000,00, hetgeen neerkomt op 42% van het (oude) Sociaal Plan.

De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen (verweerder deugdelijk vertegenwoordigd) en hun gemachtigden plaatsgevonden op 3 april 2014. Partijen hebben ter zitting hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, verweerder mede aan de hand van de door hun gemachtigden opgestelde pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat door partijen op de zitting verder is aangevoerd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1.

[A], geboren op [datum], is sinds 1 juni 2004 krachtens arbeidsovereenkomst in dienstbetrekking werkzaam bij [B], laatstelijk in de functie van teamleider ICT tegen een salaris van € 4.273,10 exclusief vakantiegeld ad 8 %.

1.2.

[B] is onderdeel van de Royal Wagenborg Groep en is een logistieke dienstverlener.

1.3.

In verband met een als gevolg van de recessie noodzakelijk geworden reorganisatie is in oktober 2009 een Sociaal Plan overeengekomen tussen [B], FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond. Dit Sociaal Plan had een looptijd tot 1 januari 2012.

1.4.

Op 20 oktober 2010 (getekend 19 november 2010) is voormeld Sociaal Plan voor de duur van twee jaren -mitsdien tot 1 januari 2014- verlengd. Daarbij is overeengekomen: “ Wanneer [B] eenmalig genoodzaakt is om meer dan 8 van haar medewerkers te ontslaan zullen er tussen partijen nieuwe afspraken gemaakt worden in een Sociaal Plan ten behoeve van de medewerkers die hierbij betrokken zijn.”

1.5.

Artikel 2c van het Sociaal Plan luidt:

“Indien tijdens de werkingsduur wijzigingen in wetgeving of overige regelgeving of een wijziging van de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, zullen partijen in overleg treden over wijziging van dit Sociaal Plan.”

1.6.

Tijdens een bijeenkomst op 2 september 2013 is het personeel van [B] door de heer [naam], algemeen directeur, geïnformeerd over de slechte financiële positie van het bedrijf. Daarbij is aangegeven dat [B], gelet op de structurele verliezen, (wederom) gedwongen is tot een ingrijpende reorganisatie in de vorm van de sluiting van haar vestiging te Tilburg, alsook de inkrimping van de overheadafdelingen op de vestiging te [plaatsnaam], waaronder ook de afdeling ICT.

1.7.

Bij brief van 17 september 2013 is aan [A] medegedeeld dat vanwege bedrijfseconomische omstandigheden zijn functie voor het einde van het jaar 2014 zou komen te vervallen. Tegelijk hebben elf collega’s van [A] een zelfde mededeling ontvangen.

1.8.

In oktober 2013 heeft [B] in het kader van de lopende reorganisatie de vakbonden verzocht om met haar in overleg te treden over het openbreken van het Sociaal Plan, zulks vanwege de precair financiële positie van het bedrijf.

1.9.

Bij brief van 15 oktober 2013 heeft [B] aan [A] geschreven dat de financiële positie van [B] geen ruimte biedt om integraal uitvoering te geven aan het Sociaal Plan. Zij heeft [A] daarbij een aangepast voorstel gedaan om te komen tot een beëindiging van het dienstverband.

1.10.In reactie op deze brief heeft de gemachtigde van [A] bij brief van 16 oktober 2013 het voorstel van [B] afgewezen, stellende dat het Sociaal Plan van toepassing is. Het tegenvoorstel van [A] is daarop gebaseerd.

1.11.Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd, waarbij meerdere voorstellen de revue zijn gepasseerd, over de wijze van beëindiging van het dienstverband. Partijen hebben daarbij geen overeenstemming kunnen bereiken.

1.12.Op 11 december 2013 hebben [B] en FNV overeenstemming bereikt over een principe akkoord, hetgeen heeft geleid tot een nieuw Sociaal Plan dat per 1 januari 2014 geldig is verklaard.

1.13.Van de elf collega’s van [A], aan wie ook ontslag was aangezegd, heeft één collega zelf het dienstverband opgezegd in verband met een nieuwe dienstbetrekking en zijn tien werknemers in december 2013 op grond van wederzijds goedvinden middels een vaststellingsovereenkomst uit dienst getreden. Daarbij is een vergoeding overeengekomen op basis van de correctiefactor van 0,42 van het Sociaal Plan (oud).

Het standpunt van [A]

2.1. De situatie is voor [A] niet meer houdbaar. [A] is 5 maanden geleden boventallig verklaard met de aanzegging dat zijn functie 1 januari 2014 zou vervallen. Hij is tot op heden ondanks zijn pogingen om afscheid te kunnen nemen van [B], steeds op de werkvloer aanwezig om zijn taken te vervullen, terwijl [B] niet aan [A] wil doen toekomen dat waarop hij aanspraak maakt. Om die reden verzoekt hij om ontbinding van zijn dienstverband met [B] en maakt hij aanspraak op alle financiële voorzieningen van het Sociaal Plan.

2.2. Omdat het Sociaal Plan een looptijd had tot 1 januari 2014 en zijn boventalligheid is aangezegd in september 2013 is het Sociaal Plan van toepassing. Het Sociaal Plan is overeengekomen met een tweetal werknemersvakbonden en heeft als zodanig de status van een CAO waaraan partijen zich hebben te houden. Het Sociaal Plan moet daarom toegepast en uitgevoerd worden. [B] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij in een “habe-nichts” situatie zou verkeren.

Het standpunt van [B]

3.1. [B] heeft in 2013 twaalf werknemers medegedeeld dat zijn of haar functie kwam te vervallen. Indien [B] deze werknemers overeenkomstig het Sociaal Plan had uitgekeerd, dan was dit neergekomen op een kostenpost van een half miljoen euro. Dit zou gelet op de zorgelijke situatie bij [B], waarbij een faillissement dreigde, leiden tot het einde van de organisatie.

3.2. De huidige financiële positie van [B] laat niet toe dat [A] bij ontbinding van het dienstverband een vergoeding wordt uitgekeerd conform het oude Sociaal Plan. Door deze gewijzigde (financiële) omstandigheden zou het ingevolge artikel 6:248 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als [B] ertoe wordt gehouden om de beëindigingsvergoeding uit dit Sociaal Plan uit te keren. [B] heeft bovendien de verplichting jegens de werknemers die boventallig zijn geworden in 2014 om ook hen een ontslagvergoeding uit te keren volgens het nieuwe Sociaal Plan dat per 1 januari 2014 van kracht is. [B] verzoekt de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden met toekenning van een ontbindingsvergoeding aan [A] overeenkomstig de correctiefactor 0,42 van het (oude) Sociaal Plan.

De beoordeling

4.1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

4.2. Uit de wederzijdse standpunten van partijen -en hun respectievelijke verzoeken- volgt dat zij het er in feite over eens zijn dat de arbeidsovereenkomst tussen hen dient te worden ontbonden. De noodzaak tot een reorganisatie binnen het bedrijf van [B], alsook het (op korte termijn) verval van de functie van [A] is niet weersproken, net zomin als de omstandigheid dat [A] tot heden goed heeft gefunctioneerd en dat het “boventallig” worden [A] niet kan worden aangerekend. Deze constatering vormt voor de kantonrechter een voldoende gewichtige reden om de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens gewijzigde omstandigheden te ontbinden. Dat partijen van meet af ernstig van mening verschillen over de voorwaarden -en meer specifiek de ontslagvergoeding- voor de beëindiging van het dienstverband vormt voor de kantonrechter onvoldoende aanleiding om -zoals door [B] primair gevorderd- te komen tot een ontbinding wegens dringende reden.

4.3. [A] komt derhalve krachtens het bepaalde in artikel 7: 685 lid 8 BW een billijke vergoeding toe. Met betrekking tot de vraag welke vergoeding [A] terzake toekomt, overweegt de kantonrechter als volgt.

4.4. Vooropgesteld zij dat de kantonrechter krachtens voormeld artikel de exclusieve en discretionaire bevoegdheid toekomt om bij een ontbinding wegens veranderingen in de omstandigheden aan een partij een vergoeding toe te kennen die hem met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Alle naar het oordeel van de kantonrechter daartoe dienende relevante factoren worden daarbij ten volle meegewogen en in de omvang van de vergoeding tot uitdrukking gebracht. De Aanbevelingen, zoals overeengekomen door de Kring van Kantonrechters, over de wijze van berekening van een dergelijke vergoeding zijn richtinggevend maar niet bindend.

4.5. [A] maakt aanspraak op een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het “oude” Sociaal Plan, dat gold tot 1 januari 2014. De kantonrechter constateert echter dat [A] nog steeds bij [B] werkzaam is en dat sedert 1 januari 2014, vanwege de slechte financiële situatie van het bedrijf van [B], een nieuw afgeslankt Sociaal Plan van toepassing is. Aangenomen evenwel dat en voor zover - als gevolg van de aanzegging van zijn “boventalligheid” in 2013- , op zijn ontslag niettemin het “oude” Sociaal Plan van toepassing is, overweegt de kantonrechter als volgt.

4.6. In aanbeveling 3.7 van de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters is opgenomen dat de kantonrechter in geval van een ontbinding wegens een reorganisatie van de onderneming een vergoeding zal toekennen “overeenkomstig een ter zake gemaakt sociaal plan, mits dat plan schriftelijk is overeengekomen door de werkgever met tot de cao – onderhandelingen in de sector toegelaten dan wel anderszins voldoende representatieve vakorganisaties, tenzij onverkorte toepassing daarvan leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor de betrokken werknemer.”

4.7. Indachtig deze Aanbeveling zal de kantonrechter bij de bepaling van de ontbindingsvergoeding voor [A] het tussen [B] en de vakorganisaties overeengekomen Sociaal Plan tot uitgangspunt nemen. Hoewel de Aanbeveling alleen voorziet in de mogelijkheid tot afwijking daarvan wanneer sprake is van een evident onbillijke uitkomst voor de werknemer, acht de kantonrechter gelet op de voor alle overeenkomsten geldende toets ex artikel 6:248 BW die mogelijkheid tot afwijken niet slechts daartoe beperkt.

4.8. De kantonrechter is, rekening houdend met alle omstandigheden -waaronder de hiervoor geformuleerde rechterlijke bevoegdheid alsook de hiervoor geciteerde aanbeveling-, van oordeel dat toekenning van een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het “oude” Sociaal Plan, zoals door [A] gevorderd, leidt tot een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat zodat toewijzing tot dat bedrag wordt afgewezen. De kantonrechter acht de volgende feiten en omstandigheden daartoe redengevend.

a. Niet betwist is dat het bedrijf van [B] in financieel zwaar weer verkeert en als gevolg daarvan haar bedrijf ingrijpend heeft moeten reorganiseren. Deze reorganisatie beperkt zich niet tot de ontslagronde in 2013 maar zal ook in 2014 tot een inkrimping van het personeelsbestand leiden, waaronder de sluiting van het bedrijf in Tilburg.

b. Deze slechte financiële positie van [B] is ook door de vakverenigingen erkend, nu zij akkoord zijn gegaan met een nieuw - sterk afgeslankt- Sociaal Plan met ingang van 1 januari 2014, dat geldt voor de in 2014 ontslagen werknemers.

c. Om voor dit nieuwe Sociaal Plan nog enige financiële reserve te kunnen genereren, heeft [B] in oktober 2013 -op grond van de hiervoor sub 1.4 en 1.5 geciteerde bepalingen- getracht het nog lopende Sociaal Plan in overleg met de vakverenigingen open te breken. Hoewel dit kennelijk niet is gelukt, hebben de tien collega’s, die eind 2013 tegelijk met [A] voor ontslag waren voorgedragen, uit solidariteit met hun toekomstig ontslagen collega’s genoegen genomen met een lagere (0.42 %) ontslagvergoeding.

d. [B] heeft [A] naast een zelfde ontslagvergoeding ook een vrijstelling van werk en arbeidsbemiddeling aangeboden, maar dit aanbod is door [A] geweigerd.

e. Toekenning van een ontbindingsvergoeding gebaseerd op het oude Sociaal Plan zou [A] onredelijk bevoordelen ten opzichte van zijn collega’s, die uit solidariteit met hun collega’s daarvan hebben afgezien. Dit klemt temeer daar het oude Sociaal Plan voor [A], gezien zijn jonge leeftijd, sowieso zeer gunstig zou uitvallen omdat daarin, anders dan in de berekeningsmethode van de Kantonrechtersformule, het aantal dienstjaren volledig en niet slechts voor de helft zou meetellen (A=10x1 ipv 10x0,5).

f. Gezien de leeftijd van [A] (34 jr.) en het arbeidsgebied waarin hij werkzaam is – de ICT-branche – bestaat de verwachting dat [A] niet lang werkloos zal zijn, zodat een compensatie voor het verlies van zijn werkkring in die zin van beperkte omvang kan zijn. Dat deze verwachting reëel is, moge blijken uit het feit dat [A] reeds eind december 2013 serieus zicht had op een nieuwe werkkring.

4.9. Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter alles afwegende de door [B] aangeboden ontbindingsvergoeding billijk. Deze vergoeding komt overeen met de aan de andere werknemers aangeboden vergoeding, ten bedrage van 42% van het (oude) Sociaal Plan, en correspondeert nagenoeg met het bedrag dat [A] ingevolge de Kantonrechtersformule zou worden toegekend.

4.10 De kantonrechter zal, rekening houdend met de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, overgaan tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2014 onder toekenning van een vergoeding naar billijkheid van € 19.000,00 bruto.

4.11 De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 mei 2014 op grond van gewichtige redenen bestaande in een verandering van de omstandigheden, onder toekenning aan [A], ten laste van [B], van een vergoeding van € 19.000,00 bruto;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J Oostdijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.

typ: TvdB/ejo

coll.: