Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1977

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
Awb 14/1040 en Awb 14/1161
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening van een aantal winkeliers gericht tegen de Lunatokermis in Leeuwarden. Aangevoerd is (onder meer) dat de aanvraag te laat is ingediend, nu in de APV is bepaald dat deze 16 weken voor het evenement moet worden ingediend. Ter zitting is van de kant van verweerder toegelicht dat de achtergrond van deze bepaling is gelegen in de omstandigheid dat een dergelijk lange termijn nodig is om de openbare orde- en veiligheidsaspecten goed te kunnen beoordelen. Bovendien heeft verweerder op grond van de APV de bevoegdheid om de termijn wegens bijzondere redenen te bekorten. Een redelijke uitleg van het betreffende artikel in de APV brengt met zich mee dat het enkel niet expliciet vermelden van bijzondere redenen om de termijn te bekorten in het bestreden besluit niet betekent dat de evenementenvergunning moet worden geweigerd. Ook andere (discretionaire) weigeringsgronden waren niet aan de orde. Van met het bestemmingsplan strijdig gebruik kan bij een evenement van enkele dagen niet worden gesproken. Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: Awb 14/1040 en Awb 14/1161

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2014 in de zaak tussen

Ondernemersvereniging Tjerk Hiddes,[verzoeker 1], h.o.d.n. C 1000 Cambuurplein,

[verzoeker 2], h.o.d.n. W.A.S. Leeuwarden,

[verzoeker 3], h.o.d.n. Primera Post,

allen wonende of gevestigd te Leeuwaren,verzoekers sub 1,

en Lidl Nederland Gmh, gevestigd te Huizen, zaakhoudend te Leeuwarden,verzoekster sub 2,(gemachtigde: mr. A.H. van der Wal)

tegen

De burgemeester van Leeuwarden, verweerder,(gemachtigde:)

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft verweerder een evenementenvergunning verleend aan de Stichting Lunatokermis Leeuwarden (hierna: vergunninghouder) voor het houden van een kermis op het Cambuurplein. Het besluit houdt tevens in een ontheffing van de geluidsbelasting gedurende de dagen van de kermis.

Namens verzoekers is bezwaar gemaakt tegen deze vergunning en ontheffing.

Tevens is namens verzoekers een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek van verzoeker sub 1 d.d. 18 maart 2014 is geregistreerd onder nummer Awb 14/1040 en het verzoek van verzoeker sub 2 d.d. 21 maart 2014 is geregistreerd onder nummer Awb 14/1161.

Verweerder heeft gedingstukken en een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 4 april 2014.
Van de kant van verzoekers zijn verschenen [verzoeker 3] (Primera Post), [verzoeker 1] (C 1000), [verzoeker 5] (Lidl), allen bijgestaan door mr. A.H. van der Wal.
Voorts is vergunninghouder [naam vergunninghouder] verschenen voor de Stichting Lunatokermis.
Namens verweerder zijn verschenen A. Alberda (woordvoerder), C.A. Maat en J. Stieber.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.

Verzoekers zijn allen met een zaak gevestigd aan het Cambuurplein te Leeuwarden Verzoekers achten zich daarom belanghebbende bij het bestreden besluit waartegen zij bezwaar hebben gemaakt.

3.

Bij het bestreden besluit is aan vergunninghouder een evenementenvergunning op grond van artikel 2.25 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (hierna: APV) verleend voor het houden van de zogenoemde Lunatokermis. Deze kermis vindt plaats in de periode van 16 april 2014 tot en met 21 april 2014 op de locatie Cambuurplein te Leeuwarden. De kermis is dagelijks open van 13.00 uur tot 23.00 uur.


4. Bij het bestreden besluit is voorts door verweerder ontheffing van de geluidsnormen verleend tot 85 DB op de gevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen.

5.

Uit de gedingstukken blijkt dat vergunninghouder de kermis op of omstreeks
3 september 2013 via het formulier ‘aanmelding evenementen’ bij verweerder heeft aangemeld. Dit formulier vermeldt dat een eventuele aanvraag voor een vergunning voor een evenement uiterlijkvier maanden voorafgaand aan het evenement dient te worden ingediend.

6.

De aanvraag van vergunninghouder is op 6 februari 2014 bij verweerder ingediend.

Standpunten van partijen

7.

Verzoekers stellen zich primair op het standpunt dat de aanvraag voor de onderhavige evenementenvergunning te laat is ingediend. Ingevolge artikel 2:25c, eerste lid, van de APV dient de aanvraag om een vergunning minimaal 16 weken voor het evenement te worden ingediend. Op grond van het vierde lid van artikel 2:25c van de APV kan de burgemeester op grond van bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van deze termijn. Volgens verzoeker is van dit laatste niet gebleken, zodat geconcludeerd moet worden dat de vergunning op grond van artikel 2:25g, eerste lid onder a van de APV door verweerder moest worden geweigerd.

Subsidiair stellen verzoekers zich op het standpunt dat de gekozen locatie ongeschikt is en dat, anders dan is aangegeven in de aanvraag, de kermis plaatsvindt op het Cambuurplein waar normaal gesproken parkeerplaatsen aanwezig zijn. Verzoekers vrezen daardoor minder klandizie met als gevolg omzetverlies. Zij achten daarom ook de weigeringsgrond van artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder a, van de APV aan de orde. Die bepaling geeft verweerder een weigeringsgrond indien onevenredig beslag wordt gelegd op de ruimte. Meer subsidiair vinden verzoekers dat de vergunning op grond van artikel 2:25g, tweede lid, aanhef en onder c geweigerd had moeten worden, omdat de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie.
Ook in dat verband hebben verzoekers er op gewezen dat de kermis parkeerplaatsen in beslag neemt. Nog meer subsidiair hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de verleende ontheffing van de geluidsbelasting, nu een ontheffing tot 85 DB in strijd is met het gemeentelijk beleid (Beleidsregel buitenevenementen gemeente Leeuwarden 2012), op grond waarvan slechts tot 75 DB ontheffing kan worden verleend.

Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekers met name bezwaar hebben tegen de gekozen periode voor de kermis. De dagen rond Pasen zijn voor de winkelomzet van groot belang. Gewezen is op het feit dat het verder moeten lopen voor een parkeerplaats klanten zal doen besluiten hun paasinkopen elders te doen. Verzoekers vrezen dan ook omzetverlies.
Tegelijkertijd verwachten ze dat dit omzetverlies niet zal kunnen worden gecompenseerd op grond van de Nadeelcompensatieverordening die ook in verweerders gemeente geldt.

8.

Verweerder is blijkens het bestreden besluit en de gedingstukken van mening dat
de gekozen locatie niet in strijd is met artikel 2:25g van de APV. De zogenoemde paaskermis vindt al 65 jaar plaats op deze locatie. Bovendien is omzetschade geen weigeringsgrond.
Met betrekking tot de ontheffing van de geluidsbelasting is verweerder, naar ter zitting is bevestigd, bereid de vergunningsvoorwaarde aan te passen in die zin dat het maximaal toegelaten aantal DB niet hoger mag zijn dan 75. Verweerder heeft toegezegd hierop te zullen handhaven. Verweerder heeft erkend dat de termijn van 16 weken van artikel 2:25 c, eerste lid, van de APV is overschreden. In het verweerschrift heeft verweerder zich er op beroepen dat er bijzondere omstandigheden waren als bedoeld in artikel 2:25c, vierde lid, van de APV om af te wijken van deze termijn. Deze bijzonder omstandigheden zijn er in gelegen dat de aanvraag, indien deze tijdig zou zijn ingediend, ook was verleend omdat die aan alle vereisten voldoet. Voorts is in dit verband ter zitting door de gemachtigde van verweerder (desgevraagd) toegelicht dat de voorwaarde van 16 weken een formeel vereiste is, waarvan de achtergrond is dat tijdig kan worden beoordeeld welke openbare orde en veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen. Aangezien het hier een jaarlijks terugkerend evenement betreft, is verweerder al ruim voor de formele indiening van de aanvraag, namelijk na de melding op de evenementenkalender, begonnen met deze veiligheidsbeoordeling.

9.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

10.

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

11.

De voorzieningenrechter is op grond van de feiten van oordeel dat verzoekers sub
1 en 2 belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en dat zij, een spoedeisend belang hebben bij een te treffen voorlopige voorziening.

12.

Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerders gemachtigde ter zitting, naar aanleiding van de constatering van de voorzieningenrechter dat verweerder ter zake heeft gehandeld in strijd met zijn eigen beleid, heeft toegezegd de verleende vergunning voor wat betreft het toegestane aantal DB te zullen wijzigen van 85 naar 75 DB. In de bijlage bij Beleidsregel buitenevenementen gemeente Leeuwarden 2012 wordt het maximale niveau immers op 75 DB gesteld. De onderhavige kermis wordt niet genoemd bij het rijtje evenementen waarvoor de ‘oude’ norm van 85 DB nog geldt.

13.

Daarmee komt de voorzieningenrechter toe aan de beoordeling van de overige gronden van verzoekers. De meest verstrekkende grond is dat verweerder de vergunning had moeten weigeren op grond van artikel 2:25 g, eerste lid onder a van de APV.

14.

Verzoekers vinden dat sprake is van een te laat ingediende aanvraag.
De voorzieningenrechter is echter met verweerder van oordeel dat verweerder gebruik heeft gemaakt en heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in het vierde lid van artikel 2:25 c van de APV om wegens bijzondere omstandigheden van de 16 weken termijn af te wijken. Alhoewel het de voorkeur had verdiend wanneer verweerder de toepassing van het vierde lid van artikel 2:25 c van de APV in het bestreden besluit expliciet had genoemd en gemotiveerd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het feit dat verweerder dit heeft nagelaten redelijkerwijs niet tot de consequentie mag leiden dat de vergunning had moeten worden geweigerd. Verweerder heeft in het verweerschrift immers alsnog toegelicht dat en waarom sprake is van bijzondere omstandigheden die hem de bevoegdheid geven om de termijn te bekorten. Niet valt in te zien hoe verzoekers zijn benadeeld door deze verlate motivering, temeer nu ter zitting is gebleken dat de achtergrond van de keuze in de APV voor een dergelijk lange termijn niet is om belanghebbenden als verzoekers beter in het proces te kunnen betrekken, maar om de openbare orde en veiligheidsaspecten tijdig te kunnen beoordelen. Verweerder heeft echter al voor de formele indiening van de aanvraag een begin gemaakt met deze beoordeling.
Een redelijke uitleg van artikel 2:25 c en van artikel 2:25 g, eerste lid onder a van de APV brengt dan ook met zich mee dat het enkel niet expliciet vermelden in het besluit van de toepassing van het vierde lid, niet betekent dat de vergunning moet worden geweigerd.

15.

Uit het voorgaande volgt dat er, anders dan verzoekers menen, geen verplichte weigeringsgrond was om de vergunning te verlenen. Het tweede lid van artikel 2:25g van de APV geeft verweerder echter de bevoegdheid om de vergunning te weigeren op de daar genoemde gronden. Verzoekers hebben zich op twee daarvan beroepen.

16.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband allereerst dat verweerders standpunt, zoals ter zitting verwoord en inhoudende dat sprake is van een gebonden beschikking, gelet op de tekst van artikel 2:25g, tweede lid van de APV onjuist is.
Verweerder heeft op grond van het tweede lid immers een discretionaire bevoegdheid om de vergunning te weigeren indien, voor zover hier relevant, sprake is van een situatie waarin onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte (…) - de a-grond- dan wel de aard van het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie -de b-grond-. Verweerder dient, zoals ook uit de door verzoekers genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 8 februari 2012 blijkt, een belangenafweging te maken, waarbij de door verzoekers gestelde belangen dienen te worden betrokken (zie ECLI:NL:RVS:2012:BV3184).

17.

Overschrijding van de geluidsnorm is niet langer een belang, nu verweerder de voorwaarden ter zake in de vergunning al aanpassen. Het geding spitst zich dan ook toe op de vraag of verweerder in redelijkheid, onder afweging van alle betrokken belangen, heeft kunnen kiezen voor deze locatie en deze periode.

18.

Zoals ook uit de door verzoekers aangehaalde uitspaak van de AbRS blijkt is de bevoegdheid van verweerder om een vergunning als de onderhavige te verlenen een discretionaire bevoegdheid, waarbij aan verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. De invulling van deze beleidsvrijheid door verweerder wordt door de rechter terughoudend getoetst. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voor wat betreft de locatiekeuze in redelijkheid een zwaar gewicht heeft mogen toekennen aan het feit dat de kermis al meer dan 60 jaar op deze plek wordt gehouden. Ook heeft verweerder zwaar mogen wegen dat de kermis wordt gebouwd op een openbare parkeerplaats.
Verzoekers’ klanten hebben niet het alleenrecht op deze parkeerplaats. Naar ter zitting is gesteld en door verzoekers niet is weersproken wordt de parkeerplaats ook gebruikt door bewoners. Van de 250 plaatsen blijven er nog 60 beschikbaar en in de nabije omgeving zijn 140 plaatsen te vinden. Verweerder heeft toegezegd zorg te dragen voor een goede bewegwijzering naar de alternatieve parkeerlocatie ten tijde van de kermis. Hiermee is verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voldoende tegemoet gekomen aan de belangen die verzoekers hebben bij dichtbij gelegen parkeerplaatsen voor hun klanten.
Het beroep van verzoekers op de a- grond van artikel 2:25g, tweede lid, van de APV wordt dan ook verworpen.

19.

Datzelfde geldt voor het beroep van verzoekers op de b-grond van artikel 2:25g, tweede lid, van de APV. Niet valt in te zien hoe een kermis van enkele dagen, die bovendien al meer dan 60 jaar op deze plek plaatsvindt, zich niet zou verdragen met het karakter of de bestemming van de locatie. Uit jurisprudentie van de AbRS van 6 juni 2012,
LJN: BW7611 volgt dit eveneens. De AbRS overwoog in die zaak onder meer:

“(…) Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 6 oktober 2010 in zaak nr. 201001177/1), verzet een bestemmingsplan zich bij wijze van uitzondering niet tegen kortdurend en incidenteel gebruik van het terrein in strijd met het bestemmingsplan (…)”.

20.

Met betrekking tot de door verweerder gekozen periode overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Ook hiervoor geldt uiteraard dat verweerder veel beleidsruimte heeft om keuzes te maken. Ter zitting is door verweerder aangegeven dat de Lunatokermis vrijwel ieder jaar plaatsheeft omstreeks 15 april van dat jaar. Ook is aangegeven dat er tal van andere evenementen plaatsvinden, waardoor het plannen van evenementen ‘passen en meten’ is. Op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het overleg van verweerder met verzoekers zeker beter had gekund. Van de kant van verzoekers is overtuigend gesteld dat bepaalde (vervolg) overleggen wel zijn beloofd, maar niet hebben plaatsgevonden. Dat wil echter niet zeggen dat verweerder daarom niet kon besluiten de kermis in de paasperiode te houden.
De voorzieningenrechter heeft niet de indruk gekregen dat intensiever overleg met verzoekers tot de keuze voor een andere periode had geleid. Mogelijk had het echter wel tot bepaalde randvoorwaarden geleid. Een goede bewegwijzering naar alternatieve parkeerplaatsen, zoals ter zitting aan de orde is gekomen, is daarvan een voorbeeld.
Indien en voor zover op het vlak van randvoorwaarden nog (redelijke) wensen bij verzoekers leven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze aan de orde kunnen komen in de bezwaarprocedure, waarvan de hoorzitting op maandagavond 14 april 2014 zal plaatsvinden.
Bij de beslissing op bezwaar kan verweerder deze aspecten nog in de beoordeling betrekken.

21.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het verzoek van verzoekers moet worden afgewezen.

22.

Er is geen aanleiding om een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H.W. Wind als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2014.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op 14 april 2014.