Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1925

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
18/830468-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag Grijpskerk.

Verdachte heeft met een revolver het slachtoffer in het hoofd geschoten. Verweer dat verdachte niet bewust de kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard wordt verworpen. Door contra-indicaties is de rechtbank van oordeel dat van voorbedachte raad niet kan worden gesproken; gekwalificeerd als poging tot doodslag, die leidt tot veroordeling tot een gevangenisstraf van 8 jaar. Daarnaast onder meer immateriële schadevergoeding van € 100.000.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287, geldigheid: 2014-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/830468-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

14 april 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

15 november 2013, 6 februari 2014 en 31 maart 2014.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.F. Hoekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 augustus 2013, te Grijpskerk, althans in de gemeente

Zuidhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen

een kogel heeft afgevuurd en/of geschoten in het gezicht/hoofd (te weten de wang)

van die [slachtoffer] (welke kogel het hoofd van die [slachtoffer] in de richting van de keel/hals heeft doorboord), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 4 augustus 2013, te Grijpskerk, althans in de gemeente

Zuidhorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen

een kogel heeft afgevuurd en/of geschoten in het gezicht/hoofd (te weten de wang)

van die [slachtoffer] (welke kogel het hoofd van die [slachtoffer] in de richting van de keel/hals heeft doorboord), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd dat verdachte samen met het slachtoffer en twee getuigen de bewuste nacht bier heeft gedronken in de keuken van de woning van verdachte. Er is op enig moment tussen verdachte en het slachtoffer gesproken over de zoon van verdachte. Enige tijd hierna heeft verdachte uit een kluis in zijn slaapkamer een vuurwapen gehaald. Terug bij de keukentafel heeft hij het slachtoffer met dit vuurwapen in het hoofd geschoten. Uit het dossier blijkt niet dat er sprake was van een voor verdachte bedreigende situatie. Bovendien, als daar al sprake van zou zijn geweest, was verdachte, getuige het feit dat hij is weggelopen naar zijn slaapkamer, blijkbaar wel vrij om te gaan en staan waar hij wilde. Verdachte had op meerdere momenten de keuze kunnen maken om weg te gaan en hulp in te roepen. Een eventuele bedreiging van de zoon van verdachte is niet komen vast te staan. De verklaring van verdachte dat het wapen per ongeluk is afgegaan, is gezien het onderzoek van het NFI niet waarschijnlijk. Uit bovenstaande feiten en omstandigheden kan het opzet worden afgeleid. Ook is sprake van voorbedachte raad. Verdachte is naar zijn slaapkamer gelopen, heeft daar de kast geopend, de sleutel van de kluis gepakt die onder de sokken lag, daarmee de kluis geopend en zijn geladen revolver gepakt. Vervolgens heeft hij de wc doorgetrokken om de anderen te laten denken dat hij naar de wc was geweest, zoals hij had aangekondigd, en is hij teruggelopen naar de keuken. Dit alles duidt op een planmatige manier van werken en verdachte heeft op meerdere momenten de gelegenheid gehad om zich te beraden en er telkens voor gekozen om door te gaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor vrijspraak van de gehele tenlastelegging gepleit. Daarbij heeft hij primair aangevoerd dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Vast staat dat door toedoen van verdachte de revolver is afgegaan en dat de kogel die daarmee is afgevuurd in de hals van het slachtoffer terecht is gekomen. Door op een persoon te schieten met een vuurwapen is er sprake van een aanmerkelijke kans op de dood volgens jurisprudentie. Maar verdachte heeft deze kans niet bewust aanvaard. Zijn bedoeling was om met het wapen te dreigen zodat het slachtoffer zijn woning zou verlaten. Het wapen waarmee verdachte heeft geschoten kan zowel double-action als single-action schieten. Door het NFI is vastgesteld dat de benodigde kracht voor double-action schieten bijna drie keer zo veel is als bij single-action schieten. Waarschijnlijk is de hamer van het wapen, toen verdachte dit in zijn broekzak stopte, handmatig gespannen, waarmee het wapen was veranderd van een double-action wapen in een single-action wapen op het moment dat hij het tevoorschijn haalde. Er was dus nog weinig kracht nodig om het vervolgens af te laten gaan. Omdat verdachte nog in de veronderstelling verkeerde dat het wapen in de double-action stand stond, ging hij er dus van uit dat hij veel druk moest uitoefenen op de trekker om het wapen af te laten gaan. Toen hij er slechts minimale kracht op uitoefende is het wapen vervolgens per ongeluk afgegaan. Hij heeft daarmee de aanmerkelijke kans op de dood niet bewust aanvaard. Verdachte heeft bovendien tegen het slachtoffer gezegd: "Ik schiet wel als...." Hij wilde zeggen: "Ik schiet wel als je nu niet weggaat." Verdachte wilde het slachtoffer dus nog een kans bieden om weg te gaan. Als hij hem had willen doodschieten, had hij die kans niet geboden. De verklaring van 8 augustus 2013 is, voor zover het betreft het onderdeel dat hij gericht op het slachtoffer zou hebben geschoten, onjuist en onder druk van de situatie afgelegd.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake is van voorbedachte raad. Ten eerste kan vastgesteld worden dat tussen het moment dat verdachte de keuken verliet en het moment dat hij met het wapen terugkwam, slechts korte tijd zat. Te kort om na te kunnen denken over het kennelijk door hem voorgenomen besluit. Ten tweede handelde verdachte in een hevige gemoedsopwelling. Hij voelde zich ernstig bedreigd door het slachtoffer. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] dat er geen sprake was van een bedreigende situatie zijn niet geloofwaardig aangezien zij in zwaar dronken toestand verkeerden en zij bovendien tot het kamp van het slachtoffer behoren. Voorts is het onwaarschijnlijk dat verdachte zomaar uit het niets en zonder enige aanleiding een revolver pakte en het slachtoffer neerschoot. Aan de verklaring van de zoon van verdachte, [getuige 3], moet veel waarde worden gehecht, nu hij direct na het incident van zijn vader heeft gehoord wat er was gebeurd. Hij heeft verklaard dat hij van zijn vader hoorde dat hij het slachtoffer met behulp van een wapen de deur uit wilde werken.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL01PL 2013079271, gesloten op 21 oktober 2013, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01KG 2013079271-37, d.d. 8 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

We zaten aan de grote tafel in de keuken. [slachtoffer] zat links naast mij. Op een bepaald moment ben ik naar mijn slaapkamer gelopen. Ik wilde mezelf beschermen. Ik heb dat ding in de kluis in de kledingkast. Ik pakte het pistool en liep terug naar de keuken. Ik had dat ding in mijn rechterbroekzak. Ik had mijn hand in mijn rechterbroekzak. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei: "Jij schiet toch niet." Ik zei nogmaals dat ze weg moesten gaan, en dat ik anders zou schieten. Op dat moment pakte ik mijn pistool. Ik richtte dat pistool op [slachtoffer] en schoot direct. Ik wist dat het geladen was.

2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01ME 2013079271-4, d.d. 4 augustus 2013 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

Tussen 3:00 en 3:30 uur kwamen we bij de woning van [verdachte] aan. Op een gegeven moment ging [verdachte] naar het toilet. Hij was nog geen 5 minuten weg. Toen hij terug kwam ging hij weer aan het hoofd van de tafel zitten. Ik zat op dat moment rechts van [verdachte]. [slachtoffer] zat tegenover mij en mijn vriend [getuige 1] naast mij. [verdachte] ging zitten en sprak nog even met [slachtoffer]. Ik zag dat [verdachte] half overeind kwam en iets uit zijn rechterbroekzak pakte. Ik zag dat [verdachte] een zwart pistool pakte en in zijn hand had. Ik zag dat [verdachte] het pistool op [slachtoffer] richtte en schoot. Ik zag dat [slachtoffer] in zijn hoofd geraakt was en achterover sloeg met zijn hoofd naar achteren.

3.

een letselrapportage, op 2 oktober 2013 opgemaakt en ondertekend door dr. J. Broer, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Van de politie begreep ik dat er op 4 augustus 2013 een schietpartij is geweest waarbij het slachtoffer in het gezicht geschoten zou zijn met een revolver. De politie trof het slachtoffer zittend in een stoel aan met een gaatje in zijn rechterwang en heftig bloedend uit neus en mond.

Betrokkene [slachtoffer] is ter plaatse gestabiliseerd door een medisch mobiel team en vervoerd naar het UMCG, waarna een opname op de intensive care tot 12 augustus 2013 volgde. Op 12 augustus 2013 is betrokkene overgeplaatst naar medium care neurologie. Op

2 september 2013 werd hij overgeplaatst naar verpleeghuis Twaalfhoven in Winsum waar hij gerevalideerd wordt.

Beoordeling letsels

Ernstige schade van de mondkeelholte, beschadiging van de bloedvaten van de hals aan de linkerzijde ten gevolge van een kogel die is binnengekomen in de rechterwang. Herseninfarct linkerhersenhelft ten gevolge van onvoldoende bloedvoorziening (zuurstofgebrek) veroorzaakt door obstructie van de belangrijkste slagader die de hersenen aan de linkerzijde van bloed voorziet. Daardoor is een halfzijdige verlamming van de spieren (arm en been) aan de rechterzijde opgetreden. Verder is het geheugen van voor het ongeval verdwenen en zijn er spraak- en slikstoornissen.

4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL01N3 2013079271-22 d.d. 30 augustus 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zondag 4 augustus 2013 werd door mij, verbalisant, een forensisch onderzoek naar sporen verricht in een woning aan de [adres] te Grijpskerk. Onder meer de volgende sporen van overtuiging werden in het belang van het onderzoek veiliggesteld:

AAGA8777NL, zwart vuurwapen, merk Büffel.

Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, zaaknummer 2013.08.20.090, d.d. 28 januari 2014 opgemaakt door ing. P.J.M. Pauw-Vugts, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Te onderzoeken materiaal: AAGA8777NL, vuurwapen.

Conclusie

Hypothese 1: het betreffende vuurwapen is vanzelf afgegaan

Hypothese 2: het betreffende vuurwapen is door het overhalen van de trekker afgegaan

Op technische gronden kan worden uitgesloten dat, zonder de trekker naar achter te bewegen, de revolver vanzelf is afgegaan. Hierbij moet worden vermeld dat eventuele valscenario's buiten beschouwing zijn gelaten. De bevindingen van het technisch onderzoek lijken alleen te passen als de hypothese 2 juist is.

Een ambtsedig proces-verbaal d.d. 13 januari 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1], afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris:

Op een gegeven moment ging [verdachte] naar achteren. We dachten dat hij naar het toilet ging. Toen [verdachte] weer terug was, ging hij zitten, direct daarna ging hij weer staan. Toen was het 'bam'.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De lezing van verdachte, zoals naar voren gebracht ter terechtzitting van 31 maart 2014 en al eerder bij de politie in zijn verklaring van 15 augustus 2013, inhoudende dat hij niet op het slachtoffer heeft gericht en niet bewust heeft geschoten, maar dat het wapen min of meer per ongeluk is afgegaan, vindt geen bevestiging in andere bewijsmiddelen. De rechtbank neemt in aanmerking dat uit onderzoek van het NFI is gebleken dat de optie dat het wapen afgaat zonder de trekker naar achteren te halen op technische gronden is uitgesloten. Verdachte had het wapen in zijn hand en moet derhalve de trekker hebben overgehaald, nu het wapen is afgegaan en daarmee een kogel in het gezicht van het slachtoffer is geschoten. Dit komt ook overeen met de verklaring van verdachte van 8 augustus 2013, inhoudende dat hij het wapen uit zijn broekzak pakte, op het slachtoffer richtte en schoot, alsmede met de verklaringen van de getuigen. De rechtbank gaat daar dan ook van uit. Dat verdachte zich tijdens het afleggen van deze verklaring onder druk voelde gezet door de politie om te verklaren is niet gebleken. Het is ook niet aannemelijk, nu verdachte voorafgaand aan de verklaring van 8 augustus 2013 tot drie keer toe (op 4, 5 en 6 augustus 2013) in de gelegenheid was gesteld om een verklaring over het gebeurde af te leggen, maar er steeds voor koos nog niets te verklaren om zijn gedachten te ordenen.

Het verweer dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood niet bewust heeft aanvaard nu de haan van het wapen mogelijk al naar achteren was geduwd bij het in de broekzak steken van het wapen, waardoor minder kracht benodigd was om het wapen af te laten gaan, terwijl verdachte daarmee geen rekening hield omdat hij gewend was veel kracht te moeten uitoefenen om de trekker over te halen, verwerpt de rechtbank. Daargelaten of de trekker al dan niet in een positie was gebracht waardoor het gemakkelijker werd om het wapen af te laten gaan, komt deze omstandigheid, zo daarvan sprake was, voor rekening van verdachte zelf. Hij was immers degene die het wapen heeft gepakt, het in zijn broekzak heeft gestoken, het daar weer uit heeft gepakt en heeft gericht op het slachtoffer. Verdachte wist dat het wapen geladen was. Hij was daarbij bovendien in ieder geval in een behoorlijk beschonken toestand. Daarmee nam hij het risico dat het wapen af zou gaan, met als gevolg dat iemand door een kogel uit dat wapen zou worden geraakt.

Vaststaat dat door toedoen van verdachte het wapen is afgegaan waarbij de kogel in het hoofd van het slachtoffer terecht is gekomen. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden, nu dit zonder meer als te verwachten gevolg kan worden aangemerkt. Verdachte heeft zich daarmee in ieder geval schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag.

Nu aan verdachte primair poging tot moord is ten laste gelegd, ziet de rechtbank zich voorts gesteld voor de vraag of sprake was van voorbedachte raad.

Uit de volgorde van de gebeurtenissen die nacht zou geconcludeerd kunnen worden dat verdachte op meerdere momenten de tijd heeft gehad om zich op zijn besluit om uit zijn kluis in de slaapkamer een geladen revolver te pakken te beraden en zich rekenschap te geven van de gevolgen daarvan. Het is echter ook gebleken dat deze momenten zich in een zeer kort tijdsbestek hebben voorgedaan. De lezing van verdachte dat hij zijn wapen ophaalde met het doel om daarmee te dreigen zodat zijn gasten, waaronder het slachtoffer, zijn woning zouden verlaten, is bovendien niet uit te sluiten. Met name het forse alcoholgebruik van alle aanwezigen bij het incident maakt dat het voor de rechtbank niet mogelijk is de getuigenverklaringen, die verdachtes lezing tegenspreken, als objectief betrouwbaar aan te merken en daarmee de lezing van verdachte ter zijde te stellen. De mogelijkheid bestaat derhalve dat verdachte pas besloot om daadwerkelijk met het wapen te schieten op het moment dat hij schoot of kort daarvoor. Deze contra-indicaties brengen de rechtbank tot het oordeel dat van voorbedachte raad niet kan worden gesproken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 4 augustus 2013, te Grijpskerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd en/of geschoten in het gezicht/hoofd (te weten de wang) van die [slachtoffer] (welke kogel het hoofd van die [slachtoffer] in de richting van de keel/hals heeft doorboord), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 18 oktober 2013, opgemaakt door drs. C. Sipma, psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis, zodat hij volledig verantwoordelijk kan worden geacht voor het ten laste gelegde. Het risico op herhaling moet als laag worden ingeschat.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en oordeelt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat moord een van de zwaarste strafbare feiten is die het Wetboek van Strafrecht kent. Een dergelijk levensdelict heeft enorme gevolgen: het slachtoffer is van het leven beroofd hetgeen diepe sporen heeft achtergelaten in het leven van de naaste familie. Juridisch gezien is weliswaar sprake van een poging, waarvoor dus een ander strafmaximum geldt, maar dat sluit niet aan bij de feiten en de gevolgen ervan. De officier van

justitie heeft met al deze omstandigheden, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het recidiverisico als laag moet worden ingeschat, rekening gehouden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich, gezien zijn betoog tot vrijspraak, niet over een eventueel op te leggen straf uitgelaten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door een ander met een vuurwapen in het hoofd te schieten. Dit is een zeer ernstig feit waarmee verdachte geen enkel respect heeft getoond voor het leven van een ander, het meest waardevolle bezit. Verdachte is tot zijn daad gekomen, nadat hij vanaf de avond tevoren een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd, onder meer in het café van het slachtoffer, en uiteindelijk het slachtoffer en diens familieleden had uitgenodigd om mee te gaan naar verdachtes woning om daar, na sluitingstijd van het café verder te gaan met drinken. De rechtbank gaat er van uit dat er perikelen waren tussen verdachte en het slachtoffer en over hoe het slachtoffer daarbij tegen verdachte en diens zoon aankeek en dat die perikelen in verdachtes woning ter sprake zijn gekomen, toen alle betrokkenen na sluitingstijd van het café bij verdachte thuis zaten. Door onder die omstandigheden op enig moment het wapen, waarover hij beschikte, te pakken en te gebruiken met zeer ernstige gevolgen voor het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is. Strafrechtelijk gezien kan hetgeen is voorgevallen 'slechts' worden gekwalificeerd als een poging, maar feitelijk is het verschil met een voltooid delict in het onderhavige geval niet zo groot. De gevolgen voor het slachtoffer en zijn naasten zijn enorm. Hij is niet meer in staat om te spreken en evenmin om te eten, zijn geheugenfunctie is ernstig aangetast en hij zal zijn leven lang afhankelijk zijn van een rolstoel. Door deze ernstige beperkingen kan het slachtoffer op geen enkele wijze meer deelnemen aan de samenleving. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en het door de dochter van het slachtoffer uitgeoefende spreekrecht blijkt hoe groot de impact van het feit op een ieder is. De rechtbank houdt met deze gevolgen bij de bepaling van de straf rekening. Daarnaast neemt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder voor een dergelijk ernstig gewelddadig feit is veroordeeld alsmede zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank zal een iets lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, gezien het verschil in juridische kwalificatie van het feit en het bijbehorende strafmaximum.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich door middel van een gemachtigde, mr. L.H. Poortman-de Boer, voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Door de gemachtigde van de benadeelde is ter terechtzitting van 31 maart 2014 de vordering nader toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen en zich daarbij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, nu hij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair, voor het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring mocht komen, heeft de raadsman het volgende opgemerkt.

Met betrekking tot de post 'vervangende kracht' heeft de raadsman aangevoerd dat het bewijs voor het in dienst zijn van mevrouw [betrokkene 1] slechts bestaat uit één salarisspecificatie. Het had voor de hand gelegen een arbeidsovereenkomst en meerdere specificaties over te leggen. Voorts is het de vraag hoeveel deze vervangende kracht werkt en of zij ook de uren overneemt van de heer [betrokkene 2], die ook al voor het incident in het café werkzaam was. In dat geval dienen immers die uren te worden afgetrokken van het bedrag. Tot slot is het bedrag gebaseerd op de aanname dat [slachtoffer] tot zijn 70e levensjaar zal werken. Het bedrag kan echter maximaal de termijn tot de pensioengerechtigde leeftijd belopen.

Met betrekking tot de post 'verlies arbeidsvermogen' heeft hij aangevoerd dat het bewijs voor het verschil in gegenereerde omzet slechts bestaat uit enkele rekeningafschriften. Het is echter bepaald niet duidelijk dat de gestorte bedragen gelijk staan aan de behaalde omzet. Voor het vaststellen van de omzet dienen boekhoudkundige stukken te worden overgelegd en voor het bepalen van een goed gemiddelde dient een langere periode te worden genomen. Een boekhoudkundig onderzoek vormt echter een onevenredige belasting voor het strafproces. Tot slot is het de vraag of er geen arbeidsongeschiktheidsverzekering is afgesloten die een deel van de schade vergoedt.

Voor wat betreft het bedrag dat aan smartengeld moet worden toegekend en de overige gevorderde materiële kosten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Voor wat betreft de post 'vervangende kracht' overweegt de rechtbank dat hiertegen gemotiveerd verweer is gevoerd door de raadsman van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade op dit punt te kunnen beoordelen. Met name is niet duidelijk in hoeverre de ingehuurde vervangende kracht ook uren overneemt van de reeds voor het incident in het café werkzame heer [betrokkene 2]. Door de gemachtigde van benadeelde is hieromtrent ook ter terechtzitting geen duidelijkheid verschaft. Ook is niet zonder meer duidelijk over welke periode de vergoeding moet worden berekend, namelijk tot de voor de benadeelde partij geldende pensioengerechtigde leeftijd of tot de leeftijd van 70 jaar, zoals gevorderd. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van deze schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

Voor wat betreft de post 'verlies arbeidsvermogen' geldt dat ook hiertegen gemotiveerd verweer is gevoerd door de raadsman van verdachte. De rechtbank is, met de raadsman, van oordeel dat de overgelegde stortingsbewijzen onvoldoende zijn om vast te stellen wat de omzet van het café was voor en na het incident om zodoende het omzetverlies te kunnen berekenen. Door de gemachtigde van benadeelde is daarop als reactie naar voren gebracht dat publicatie van jaarstukken niet verplicht is voor een eenmanszaak en dat ook op andere wijze aangetoond kan worden wat de omzet is. De rechtbank is van oordeel dat beoordeling van deze schadepost inbreng van andere stukken dan uitsluitend de thans overgelegde stortingsbewijzen vergt. Tot slot geldt ook ten aanzien van deze post dat niet zonder meer duidelijk is over welke periode de vergoeding moet worden berekend, namelijk tot de voor de benadeelde partij geldende pensioengerechtigde leeftijd of tot de leeftijd van 70 jaar, zoals gevorderd. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van deze schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.

De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op bovenstaande twee posten. De vordering kan voor wat betreft deze posten slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade en de materiële schadeposten 'kosten opvragen medische informatie' en 'kosten medisch adviseur' voldoende aannemelijk zijn geworden en in zodanig verband staan met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering voor wat betreft dit gedeelte, dat niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal dus een bedrag van € 100.000,-- aan immateriële schade en € 884,31 aan materiële schade toewijzen, in totaal dus een bedrag van € 100.884,31,--.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade. De rechtbank zal tevens de wettelijke rente over het toegewezen bedrag toewijzen vanaf respectievelijk de datum van het schadeveroorzakend feit en de data van de facturen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een revolver, merk Büffel, en munitie, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het feit met behulp van deze voorwerpen is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,884,31 (zegge: honderdduizend achthonderdvierentachtig euro en eenendertig cent), bestaande uit

 een bedrag van € 100.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2013;

 een bedrag van € 737,07 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2014;

 een bedrag van € 75,12 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2013;

 een bedrag van € 75,12 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2014.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], te betalen een bedrag van € 100.884,31 (zegge: honderdduizend achthonderdvierentachtig euro en eenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 jaar, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 884,31 aan materiële schade en € 100.000,-- aan immateriële schade.

Onttrekking aan het verkeer

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen revolver, merk Büffel, en munitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. M.J. Oostveen, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 april 2014.