Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1783

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
AWB LEE 11-466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inkomsten inwoner van Spanje - ingetrokken grief - schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1040
V-N 2014/44.8.12
mr. J.P.A. Buitenhek annotatie in NTFR 2014/1901

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummers: AWB LEE 11/466, 10/2659 en 10/2660

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] (Spanje), eiser

(gemachtigde: [gemachtigde eiser]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2005 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 163.568 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.000. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 11.477 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 60.945.

Verweerder heeft voor het jaar 2006 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 161.450 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.000. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 9.833 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 59.898.

Verweerder heeft voor het jaar 2007 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.650 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.000. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 6.503 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 57.456.

Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar van 15 januari 2011 heeft verweerder de navorderingsaanslag over 2005 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 126.060 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.000, de boetebeschikking verminderd tot € 46.316 en de beschikking heffingsrente tot € 8.781. De rechtbank heeft deze zaak bij het hierna vermelde beroep geregistreerd onder nummer 11/466.

Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar van 17 november 2010 heeft verweerder de aanslag en de beschikkingen over 2006 gehandhaafd. De rechtbank heeft deze zaak bij het hierna vermelde beroep geregistreerd onder nummer 10/2659.

Bij, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar van 17 november 2010 heeft verweerder de aanslag en de beschikkingen over 2007 gehandhaafd. De rechtbank heeft deze zaak bij het hierna vermelde beroep geregistreerd onder nummer 10/2660.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Eiser heeft bij brief van 29 mei 2012 nadere stukken ingestuurd. Verweerder heeft bij brief van 31 mei 2012 nadere stukken ingestuurd. Deze stukken zijn door de rechtbank telkens in afschrift naar de tegenpartij gestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012 te Leeuwarden. Eiser is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn bovengenoemde gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].

Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk AWB LEE 11/465 en 10/2658.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar in gesprek te gaan, en heeft bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Van het ter zitting verhandelde is een verkort proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden.

Eiser heeft bij brieven van 15 november 2012 en 1 februari 2013 een reactie gegeven en nadere stukken overgelegd. Verweerder heeft bij brief van 2 januari 2013 een reactie gegeven en nadere stukken overgelegd. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de tegenpartij.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaken worden daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek ter zitting is hervat ter nadere zitting van 4 april 2013 te Leeuwarden. Aldaar is verschenen eiser bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn eerdergenoemde gemachtigde, bijgestaan door [bijstand]. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser de gelegenheid te geven nadere stukken te overleggen aan verweerder en met een reconstructie te komen ten aanzien van gepleegde boekingen, en heeft bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Van het ter zitting verhandelde is een verkort proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden.

Eiser heeft bij brieven van 13 april 2013, 28 mei 2013 en 11 september 2013 een reactie gegeven en nadere stukken overgelegd. Verweerder heeft bij brieven van 6 mei 2013 en 20 augustus 2013 een reactie gegeven en nadere stukken overgelegd. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de tegenpartij.

Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Van het verhandelde ter zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt, waarvan afschriften aan deze uitspraak zijn gehecht.

Overwegingen

Feiten

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser, geboren op [geboortedag] 1946, heeft de Nederlandse nationaliteit en is gehuwd met [echtgenote]. Eiser heeft een pilotenopleiding genoten en was werkzaam als piloot.

1.2

Eiser is eigenaar van de woning [adres Nederland] en heeft sinds 1997 ook een woning op [Spaans eiland]. De zoon van eiser woonde in de onderhavige jaren in de woning aan [adres Nederland], maar eiser en zijn echtgenote verbleven in deze woning tijdens hun periodieke verblijf in Nederland.

1.3

Eiser bezit 50% van de aandelen in [X] BV, gevestigd te [vestigingsplaats]. De andere aandeelhouder is [aandeelhouder]. Eiser stond in de onderhavige jaren in het handelsregister vermeld als bestuurder van deze BV.

1.4

Verweerder heeft met dagtekening 9 november 2006 ambtshalve een aanslag IB/PVV over 2005 opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 373. Eiser heeft op 20 augustus 2008 alsnog over 2005 een aangifte IB/PVV gedaan als buitenlands belastingplichtige naar een verzamelinkomen van nihil.

1.5

Eiser heeft op 20 augustus 2008 over 2006 een aangifte IB/PVV gedaan als buitenlands belastingplichtige naar een verzamelinkomen van nihil.

1.6

Eiser heeft op 20 augustus 2008 over 2007 een aangifte IB/PVV gedaan als buitenlands belastingplichtige naar een verzamelinkomen van nihil.

1.7

Door verweerder is een boekenonderzoek ingesteld, gericht op een onderzoek naar de feitelijke woonplaats van eiser en zijn echtgenote. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 11 november 2008.

1.8

Verweerder heeft met dagtekening 7 januari 2009 voor het jaar 2005 aan eiser de in het procesverloop vermelde navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd en bij beschikking de vergrijpboete en heffingsrente vastgesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in de motivering van de uitspraak op bezwaar over 2005 (zie 1.12), alsmede in zijn verweerschrift, vermeld dat het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV door hem op 5 januari 2009 is ontvangen.

1.9

Verweerder heeft met dagtekening 23 januari 2009 voor het jaar 2006 aan eiser de in het procesverloop vermelde aanslag IB/PVV opgelegd en bij beschikking de vergrijpboete en heffingsrente vastgesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar over 2006, alsmede in zijn verweerschrift, vermeld dat het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV door hem op 16 december 2008 is ontvangen.

1.10

Verweerder heeft met dagtekening 28 februari 2009 voor het jaar 2007 aan eiser de in het procesverloop vermelde aanslag IB/PVV opgelegd en bij beschikking de vergrijpboete en heffingsrente vastgesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar over 2007, alsmede in zijn verweerschrift, vermeld dat het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV door hem op 3 maart 2009 is ontvangen.

1.11

Op 5 februari 2009 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden met betrekking tot de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 tot en met 2005. Verweerder heeft hiervan een verslag gemaakt. Met dagtekening 9 februari 2009 heeft eiser op dit verslag gereageerd door het terugsturen van het reactieformulier waarop – onder meer – het volgende is vermeld:

Het bezwaar geldt tevens voor het jaar 2006, aanslagnr. (…)”

1.12

Verweerder heeft met dagtekening 17 november 2010 met betrekking tot het onder 1.8 vermelde bezwaarschrift over 2005 aan eiser een “Kennisgeving motivering uitspraak op het bezwaarschrift” toegestuurd, waarin – onder meer – is vermeld:

Beroepsclausule

Deze kennisgeving hoort bij de verminderingsbeschikking die u binnen enkele weken wordt toegezonden. U kunt tegen mijn beslissing op uw bezwaar in beroep gaan bij de rechtbank nadat u deze verminderingsbeschikking hebt ontvangen.”.

1.13

Bij brief van 17 december 2010, ontvangen door verweerder op 20 december 2010, heeft de toenmalige gemachtigde van eiser – onder meer – het volgende geschreven:

Op zeventien november 2010 stuurde u kennisgevingen van motivering uitspraken op bezwaar inzake de [eiser] (…)

Twee definitieve uitspraken op bezwaar zijn tot heden niet ontvangen. Het betreft

de aanslag inkomstenbelasting 2003, nummer (…)

de aanslag inkomstenbelasting 2005, nummer (…)

In de bezwaarschriften die hierop betrekking hebben is geen kostenveroordeling gevraagd.

Omdat wij van mening zijn en blijven dat [eiser] buitenlands belastingplichtige is, verzoeken wij u om integrale kostenveroordeling.”.

1.14

De “Uitspraak op bezwaar 2005” is met dagtekening 15 januari 2011 toegestuurd. Op deze uitspraak staat – onder meer – vermeld:

De motivering van de beslissing is u reeds afzonderlijk medegedeeld.

Tegen deze uitspraak kunt u in beroep gaan. Voor 26 februari 2011 moet uw beroepschrift ingediend zijn(…)”.

1.15

Verweerder heeft in een brief van 6 mei 2013 aan eiser naar aanleiding van een door eiser gedaan compromisvoorstel een tegenvoorstel gedaan. Verder heeft verweerder in de brief – onder meer – het volgende geschreven:

“Conform de afspraak zal dan door mij een overzicht worden gemaakt van de vast te stellen inkomens over de jaren 2003 t/m 2007. Daarnaast zal ik aangegeven voor welk bedrag vermindering wegens dubbele belastingheffing moet plaatsvinden.

In dit verband heb ik alvast een concept opgemaakt. Deze heb ik als bijlage bijgevoegd.

Uit dit concept blijkt ook dat ik nog niet over alle gegevens beschik dan wel een aantal vraagpunten heb. Deze zijn:

(…)

- In 2006 en 2007 worden diverse bedragen ontvangen van [D] GMBH en bedragen met omschrijving [H]. Graag een nadere toelichting.

Indien u niet akkoord gaat met het compromisvoorstel verzoek ik u bovenstaande vragen te beantwoorden. (…) Hierbij is nog wel van belang dat het met name voor de ontvangen bedragen van [H] en [D] GMBH de vraag is of voor deze ontvangen bedragen een vermindering wegens dubbele belastingheffing verleend moet worden. Deze bewijspositie ligt bij u.”.

1.16

Verweerder heeft na de zitting van 4 april 2013 aan de hand van de nadien door eiser verstrekte stukken een overzicht gemaakt van het wereldinkomen en het aan Spanje toe te rekenen deel daarvan. In dit overzicht, dat door verweerder als bijlage bij zijn brief van 20 augustus 2013 is gevoegd, is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“Overzicht wereldinkomen [eiser]. Aanbrengcommissie aan Nederland toegerekend.

Box 1 (werk en woning)

2005

2006

2007

Loon [B] Ltd

28.804

38.554

17.766

Loon [C]

7.201

Rente tbs

29.700

25.700

20.900

[D] GMBH

87.193

72.900

[E]-consultancy werk

30.194

[H].

82.189

Aanbrengcommissie

Ink. Eigen woning

-13.500

-13.500

-13.500

----------

----------

----------

Inkomen uit werk en woning

52.205

220.136

128.260

Vastgesteld na bezwaar

126.060

161.450

156.650

Waarvan toe te rekenen aan Spanje

36.005

38.554

47.960

Box 2 (aanmerkelijk belang)

Dividend [X]

10.000

60.000

60.000

Box 3 (sparen en beleggen)

1-1-2005

1-1-2006

1-1-2007

1-1-2008

Effectenportefeuille

25.107

33.468

35.663

35.251

Lening [G]

297.000

Rek: [rekeningnummer]

3.675

12.924

13.787

26.129

Spaanse rekening

15.597

7.775

12.074

13.831

Bank [Kanaaleiland] [rekeningnummer]

14.823

15.960

54.548

72.270

Bank [Kanaaleiland] [rekeningnummer]

Woning Spanje - Hypotheek

pm

pm

pm

pm

-----------

-----------

-----------

-----------

356.202

70.127

116.072

147.481

2005

2006

2007

Gemiddeld rendementsgrondslag

213.165

93.100

131.777

Waarvan toegerekend aan Spanje

213.165

93.100

131.777

Vastgestelde rendementsgrondslag na bezwaar

500.000

500.000

500.000”

1.17

In de brief van 20 augustus 2013 heeft verweerder – onder meer – het volgende geschreven:

“In het proces verbaal van de zitting van 13 juni 2012 wordt vermeld datDe voorzitter constateert dat tussen partijen geen verschil van mening meer bestaat over de correctie inzake de rente over het aan [X] BV ter beschikking gesteld vermogen en evenmin over de van deze vennootschap in de jaren 2005, 2006 en 2007 ontvangen bedragen. De discussie tussen partijen zal zich dan moeten toespitsen op de door verweerder als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen aanbrengcommissie (2003 en 2004)

Deze conclusie was op het moment van de zitting terecht aangezien ik geen gegevens had waaruit bleek dat er over de jaren 2005 t/m 2007 meer inkomen was dan vermeld in mijn verweerschrift. Over het in Nederland te belasten loon en dividend waren belanghebbende en ik het eens en voor een eventueel genoten loon als piloot zal een vermindering wegens dubbele belasting moeten worden verleend en is de hoogte voor mij derhalve niet zo relevant. Overigens heb ik niet aangegeven dat de jaren 2003 t/m 2005 niet verder in geschil zijn. Gezien de, op dat moment, aanwezige gegevens was er geen discussie meer nodig over het vast te stellen inkomen.

(…)

Voor een aantal posten wil ik nog even een nadere toelichting geven;

(…)

- De beide inkomens uit Duitsland ([D] GMBH en [H]) heb ik in het inkomen opgenomen. Belanghebbende stelt dat het om terugbetaling van een lening gaat. Hiervoor is echter geen bewijs aangedragen.”.

In bovengenoemd overzicht heeft verweerder deze bedragen in het wereldinkomen opgenomen en daarvoor geen vermindering wegens dubbele belasting in aanmerking genomen.

Geschil en beoordeling

2.

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de onderhavige (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd.

2.1

Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de opgelegde boetes dienen te worden vernietigd.

2.2

Ter zitting heeft eiser zijn grieven tegen de correctie met betrekking tot de rente ter zake van de vordering op [X] BV ingetrokken. Partijen hebben ter zitting verklaard dat deze rente ten bedrage van respectievelijk € 29.700 (2005), € 25.700 (2006) en € 20.900 (2007) in verband met verdragstoepassing belast dient te worden tegen een tarief van (maximaal) 10 percent.

2.3

Ter zitting heeft eiser zijn grieven tegen de correcties met betrekking tot de door [X] BV aan eiser in de jaren 2005, 2006 en 2007 overgemaakte bedragen van respectievelijk € 10.000, € 60.000 en € 60.000 ingetrokken. Partijen hebben ter zitting verklaard dat deze bedragen als verkapt dividend in box 2 in aanmerking dienen te worden genomen, tegen een tarief van 15%, in verband met verdragstoepassing.

2.4

Tussen partijen is tevens in geschil het antwoord op de vraag of eiser terecht aanspraak maakt op vergoeding van immateriële en materiële schade. Tenslotte verzoekt eiser om verweerder te veroordelen tot een integrale proceskostenvergoeding.

2.5

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.

De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder de bezwaren terecht ontvankelijk heeft geacht. Zij overweegt daartoe het volgende. Met in achtneming van de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) eindigde de termijn voor het indienen van de bezwaarschriften tegen de onderhavige (navorderings)aanslagen op respectievelijk 18 februari 2009 (2005), 6 maart 2009 (2006) en 14 april 2009 (2007). Verweerder heeft in de motivering van de uitspraak op bezwaar over 2005, alsmede in zijn verweerschrift, vermeld - stukken in het dossier ontbreken - dat het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 door hem op 5 januari 2009 is ontvangen (zie 1.8). Omdat dit niet in het nadeel is van eiser, er geen aanwijzingen zijn van het tegendeel en aanwijzingen ontbreken dat sprake is van een prematuur bezwaar, neemt de rechtbank deze vaststelling over. Hetzelfde heeft te gelden voor het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2007, dat op 3 maart 2009 door verweerder zou zijn ontvangen (zie 1.10). Ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2006 merkt de rechtbank de reactie van eiser op het hoorverslag, met dagtekening 9 februari 2009 (zie 1.11), naar de rechtbank begrijpt ook omstreeks die datum door verweerder ontvangen, aan als bezwaarschrift. Het voorgaande leidt gezien de hiervoor vermelde bezwaartermijnen tot de conclusie dat eiser terecht ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaren.

4.

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiser in de onderhavige jaren - ingevolge artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) - naar de omstandigheden beoordeeld in Nederland woonde en tevens op grond van de Spaanse wetgeving als inwoner van Spanje wordt aangemerkt. Partijen zijn het er ook over eens dat eiser in de onderhavige jaren voor de toepassing van de overeenkomst tussen Nederland en Spanje ter vermijding van dubbele belasting (Trb. 1971,144) (hierna: Verdrag met Spanje) als inwoner van Spanje heeft te gelden.

5.

Het onder 4. overwogene brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat eiser ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) aangemerkt wordt als binnenlands belastingplichtige (zie HR 21 december 2012, nr. 11/00180, ECLI:NL:HR:2012:BY6905). Dit betekent dat eiser voor zijn wereldinkomen in de heffing wordt betrokken. Daarbij worden de inkomsten van eiser waarvoor het heffingsrecht aan Spanje is toegewezen – eiser wordt immers voor verdragstoepassing aangemerkt als inwoner van Spanje – vrijgesteld op de wijze als vermeld in artikel 25 van het Verdrag met Spanje.

6.

Onderhavige zaken maken onderdeel uit van een procedure die zich uitstrekt over vijf belastingjaren (2003 tot en met 2007). Het geschil beperkt zich over deze jaren tot het antwoord op de vraag of voor de jaren 2003 en 2004 sprake is van (aanbreng)commissies die als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking moeten worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan namelijk uit de hierna opgenomen passages uit de processen-verbaal ter zitting, in onderling verband bezien, geen andere conclusie worden getrokken dan dat partijen de rechtsstrijd ter zittingen van 13 juni 2012 en 4 april 2013 tot dit geschil hebben beperkt.

In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 13 juni 2012 is – onder meer – opgenomen:

“Partijen verklaren na een korte schorsing van de behandeling van de zaak eenparig dat zij het erover eens zijn dat, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat eiser in Nederland buitenlands belastingplichtige is, de door [X] B.V. aan eiser in de jaren 2005, 2006 en 2007 overgemaakte bedragen van respectievelijk € 10.000, € 60.000 en € 60.000 als verkapt dividend in box 2 tegen een tarief van 15% in aanmerking moeten worden genomen.

(…)

De voorzitter constateert dat tussen partijen geen verschil van mening meer bestaat over de correctie inzake de rente over het aan [X] B.V. ter beschikking gesteld vermogen en evenmin over de van deze vennootschap in de jaren 2005, 2006 en 2007 ontvangen bedragen. De discussie tussen partijen zal zich dan moeten toespitsen op de door verweerder als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen aanbrengcommissie (2003 en 2004).”.

In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 4 april 2013 is – onder meer – opgenomen:

“Partijen verklaren desgevraagd dat hetgeen tijdens de vorige zitting is besproken over de toerekening van de inkomsten aan Spanje en Nederland en de hoogte daarvan ook geldt voor de situatie waarin eiser moet worden aangemerkt als binnenlands belastingplichtige.

(…)

Verweerders gemachtigde verklaart in antwoord op vragen van de rechtbank:

(…)

Het is van belang om het door eiser ontvangen inkomen als piloot vast te stellen voor het bepalen van het wereldinkomen en vervolgens voor het vaststellen van de te verlenen vermindering in verband met dubbele belasting. Aldus worden deze looninkomsten per saldo niet aan Nederland toegerekend.

(…)

Eiser en zijn gemachtigde verklaren in antwoord op vragen van de rechtbank:

(…)

De rente en dividend zijn, zoals tijdens de vorige zitting is besproken, belast in Nederland. (…) De rechtbank houdt ons voor dat het vaststellen van de looninkomsten als piloot van belang is voor het vaststellen van het wereldinkomen, waarvoor vervolgens vrijstelling wordt verleend ter voorkoming van dubbele belasting. In reactie hierop bieden wij aan ter zake informatie te verstrekken aan verweerder.

(…)

Partijen komen overeen dat de door eiser verzochte immateriële schadevergoeding, aan eiser te betalen door verweerder, voor alle samenhangende zaken (met procedurenummers AWB LEE 11/465, 11/466 en 10/2658 tot en met 10/2660) gezamenlijk dient te worden gesteld op € 2.000. Eiser en zijn gemachtigde verklaren hierbij desgevraagd dat eiser zijn verzoek om immateriële schade beperkt tot dit bedrag; hij verzoekt hiernaast niet om vergoeding van andere immateriële schade.

(…)

De voorzitter schorst het onderzoek ter zitting. De voorzitter geeft hierbij aan eiser de opdracht om, zoals [gemachtigde eiser] heeft verzocht, met een reconstructie te komen ten aanzien van de boekingen van de onderhavige aanbrengcommissies. Verder verzoekt de voorzitter aan eiser op de bankafschriften van de bank in [Kanaaleiland] over de jaren 2005 tot en met 2007 over te leggen aan verweerder en aan de rechtbank. (…)

De voorzitter verzoekt verweerder om een overzicht per jaar te maken van de belastbare inkomens en de wijze waarop de vermindering wegens voorkoming van dubbele belasting moet worden berekend. De voorzitter verzoekt verweerder dit te berekenen voor zowel het geval de aanbrengcommissies in Nederland als het geval waarin deze niet in Nederland worden belast.”.

7.

Verweerder heeft zich in zijn brief van 20 augustus 2013 (zie 1.17) na bestudering van de door eiser na de zitting overgelegde stukken evenwel op het standpunt gesteld dat eiser in 2006 en 2007 nog andere inkomsten – van [D] GMBH en [H] – heeft genoten. De rechtbank zal deze door verweerder gestelde inkomsten buiten beschouwing laten. De rechtbank overweegt daartoe dat partijen ter zitting uitdrukkelijk en zonder voorbehoud het geschil hebben beperkt, zoals hiervoor omschreven, en dat verweerder in dit verband ook geen voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van in de - door eiser na zitting overgelegde - bankafschriften naar voren komende (mogelijke) nieuwe inkomsten. Als hoofdregel heeft te gelden dat een ingetrokken grief niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuw geschilpunt in de rechtsstrijd kan worden toegelaten (vgl. HR 4 oktober 2013, nr. 11/03207, ECLI:NL:HR:2013:781; HR 14 augustus 2009, nr. 08/00066, ECLI:NL:HR:2009:BN5125; HR 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2009: BO6786). Naar het oordeel van de rechtbank geldt het voorgaande eveneens voor het beperken van het geschil als in het onderhavige geval.

8.

Voor zover eiser in zijn brief van 11 september 2013 terug heeft willen komen op zijn beslissing om ter zitting akkoord te gaan met het in aanmerking nemen als verkapt dividend in box 2 van de door [X] BV aan eiser overgemaakte bedragen (zie 2.3), overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft, naar het oordeel van de rechtbank, zijn grieven tegen deze correcties ter zitting van 13 juni 2012 (zie onder 6.) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud prijsgegeven, hetgeen hij nogmaals heeft bevestigd ter zitting van 4 april 2013 (zie onder 6.). Zoals onder 7. is overwogen, kan een dergelijke grief in de loop van de procedure niet wederom als geschilpunt in de rechtsstrijd worden toegelaten. De rechtbank ziet geen aanleiding in het onderhavige geval anders te oordelen en zal derhalve aan eisers grief voorbij gaan.

9.

Verweerder heeft na de tweede zitting aan de hand van de nadien door eiser verstrekte stukken, ten behoeve van de bepaling van de toepassing van zogenoemde vrijstellingsmethode (vermindering ter voorkoming van dubbele belasting) als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag met Spanje, een overzicht gemaakt van het wereldinkomen van eiser en het aan Spanje toe te rekenen deel daarvan (zie 1.16). Nu eiser tegen de in het overzicht opgenomen bedragen met betrekking tot de onderhavige jaren – afgezien van de correcties als genoemd onder 8. – geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en dit overzicht is bepaald aan de hand van de door eiser zelf verstrekte gegevens, gaat de rechtbank voor de bepaling van de verschuldigde belasting – met uitzondering van de inkomsten als bedoeld onder 7. – uit van de in dit overzicht opgenomen bedragen.

10.

De rechtbank overweegt allereerst dat de voorkomingsbreuk als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag met Spanje dient te worden bepaald per box.

11.

Gelet op het voorgaande dient het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) over 2005 te worden verminderd tot € 52.205, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 36.005 en dat het bedrag van de belasting over € 29.700 (zie 2.2, artikel 11 van het Verdrag met Spanje) niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.970. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) dient te worden bepaald op € 10.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 1.500 (zie 2.3, artikel 10 van het Verdrag met Spanje). Het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) dient te worden bepaald op € 213.165, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering wordt verleend van Nederlandse belasting.

12.

Gelet op het voorgaande dient het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) over 2006 te worden verminderd tot € 50.754, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 38.554 en dat het bedrag van de belasting over € 25.700 (zie 2.2, artikel 11 van het Verdrag met Spanje) niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.570. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) dient te worden bepaald op € 60.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 9.000 (zie 2.3, artikel 10 van het Verdrag met Spanje). Het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) dient te worden bepaald op € 93.100, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering wordt verleend van Nederlandse belasting.

13.

Gelet op het voorgaande dient het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) over 2007 te worden verminderd tot € 55.360, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 47.960 en dat het bedrag van de belasting over € 20.900 (zie 2.2, artikel 11 van het Verdrag met Spanje) niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.090. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) dient te worden bepaald op € 60.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 9.000 (zie 2.3, artikel 10 van het Verdrag met Spanje). Het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) dient te worden bepaald op € 131.777, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering wordt verleend van Nederlandse belasting.

14.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de met de beschikkingen heffingsrente samenhangende (navorderings)aanslagen over 2005, 2006 en 2007 zullen worden verminderd, verstaat de rechtbank dat verweerder het bedrag van de heffingsrente over de desbetreffende jaren dienovereenkomstig zal verminderen.

15.

De rechtbank zal op grond van hetgeen verweerder ter zitting heeft verklaard - zie 2.1 - de opgelegde vergrijpboeten vernietigen.

16.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen gegrond verklaren.

17.

De rechtbank verwijst voor haar oordelen inzake de verzoeken van eiser om een vergoeding van materiële en immateriële schade naar haar uitspraak van heden in de zaken van eiser met procedurenummers AWB LEE 11/465 en 10/2658. Daarin wijst de rechtbank het verzoek om een vergoeding van materiële schade af en veroordeelt zij verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.000 in de zaak 11/465, en wordt in de overige - waaronder de onderhavige - zaken volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de integrale proceskosten van eiser. Voor de overwegingen verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van heden in de zaken van eiser met procedurenummers AWB LEE 11/465 en 10/2658, onderdeel 29.

19.

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder, op grond van het forfaitaire stelsel, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Eiser heeft ter zitting bevestigd dat hij, voordat verweerder heeft beslist op de bezwaren over de jaren 2006 en 2007, niet heeft verzocht om vergoeding van kosten die hij in verband met de behandeling van deze bezwaren heeft gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, kan de rechtbank verweerder dan niet veroordelen in de door eiser in de bezwaarfase voor deze jaren gemaakte kosten. Anders dan verweerder meent, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bezwaar over 2005 met zijn verzoek van 17 december 2010 (zie 1.13) wel tijdig verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt daartoe dat als relevante beslissing op het bezwaar heeft te gelden de officiële uitspraak – in dit geval de uitspraak uit Apeldoorn – met dagtekening 15 januari 2011 (zie 1.14) en niet de daaraan voorafgaande motivering van de uitspraak (zie 1.12). Dat het nog twee maanden heeft geduurd voordat de officiële uitspraak is gedaan, blijft voor rekening van verweerder. De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase in de zaak met procedurenummer 11/466 (IB/PVV 2005) wordt vastgesteld op € 486 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 243, en een wegingsfactor 1).

In de beroepsfase heeft te gelden dat eiser de onderhavige beroepschriften (nagenoeg) gelijktijdig heeft ingediend en dat de aangevoerde gronden vergelijkbaar zijn. Gelet op het voorgaande beschouwt de rechtbank onderhavige zaken als samenhangende zaken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op een bedrag van in totaal € 1.461 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 voor het indienen van een conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Voor de vergoeding van de kosten van de vliegtickets ([Spaans eiland]-Amsterdam-[Spaans eiland]) van eiser ten behoeve van het bijwonen van de zittingen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van heden in de zaken van eiser met procedurenummers 11/465 en 10/2658. Aangezien de rechtbank uitgaat van drie samenhangende zaken, die gelijktijdig ter zitting zijn behandeld, zal eenderde van voormelde bedrag ter zake van ieder van de onderhavige zaken met procedurenummers 11/466, 10/2659 en 10/2660, moeten worden vergoed. De kostenvergoeding voor de beroepsfase voor elk van deze zaken wordt vastgesteld op € 487 (eenderde van € 1.461).

20.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het voor de zaak 11/466 betaalde griffierecht vergoedt. Voor de zaken 10/2659 en 10/2660 heeft de rechtbank niet afzonderlijk griffierecht geheven.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.205, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 36.005 en dat het bedrag van de belasting over € 29.700 niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.970, alsmede naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 10.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 1.500, alsmede naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 213.165, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2006 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.754, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 38.554 en dat het bedrag van de belasting over € 25.700 niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.570, alsmede naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 60.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 9.000, alsmede naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 93.100, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.360, met dien verstande dat op de berekende belasting een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast over een bedrag aan Spaanse bestanddelen van het inkomen van € 47.960 en dat het bedrag van de belasting over € 20.900 niet hoger wordt vastgesteld dan € 2.090, alsmede naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 60.000, met dien verstande dat het bedrag van de belasting over dit bedrag niet hoger wordt vastgesteld dan € 9.000, alsmede naar een inkomen uit sparen en beleggen van € 131.777, waarbij voor dit gehele bedrag een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting wordt toegepast;

  • -

    vermindert de heffingsrente over 2005, 2006 en 2007 dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 973 voor de zaak 11/466, en tot een bedrag van € 487 voor elk van de zaken 10/2659 en 10/2660, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. T. Tanghe, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

de griffier is verhinderd

te ondertekenen

griffier

w.g. voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.