Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1777

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-04-2014
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
K L 2132574 - CV EXPL 13-4236 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; beklamelnorm; faillissement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0179

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 2132574 \ CV EXPL 13-4236

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 april 2014

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PUTKAST B.V.,

gevestigd te Wormerveer,

eiseres,

gemachtigde: mr. J.M. Hesselink,

tegen

[A],

wonende te [woonplaats],

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WEJA BEHEER B.V.,

gevestigd te Drachten,

gedaagden,

aanvankelijk procederend bij gemachtigde mr. R.M. Goudberg, thans procederend in persoon.

Partijen zullen hierna Putkast en [A] en Weja worden genoemd.

Procesverloop

1.

Ingevolge het tussenvonnis van 6 december 2013 is op 21 februari 2014 een comparitie gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Motivering

2.

De kantonrechter neemt hier over hetgeen hij heeft overwogen en beslist bij voormeld tussenvonnis.

De verdere beoordeling van het geschil

3.1.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om benadeling van Putkast door het onbetaald en onverhaalbaar blijken van haar vorderingen. De boedel van het gefailleerde Griek Techniek B.V. (hierna: Griek Techniek) biedt geen verhaal voor de onbetaald gebleven vorderingen van Putkast van in totaal (in hoofdsom) € 7.302,00. In een geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, is naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (vgl. HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295 en HR 8 december 2006, NJ 2006, 659). In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.2.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard (de zogenaamde Beklamelnorm) dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. (vgl. HR 8 december 2006, NJ 2006, 659).

3.3.

In het onderhavige geval kan, gelet op de getekende opdrachtformulieren alsmede op hetgeen partijen ter comparitie hebben verklaard, als vaststaand worden aangenomen dat Griek Techniek op 24 en 26 april 2013 opdracht heeft gegeven tot de door Putkast uit te voeren leveringen. Eveneens staat vast dat Griek Techniek minder dan vier weken na de verleende opdrachten, namelijk op 21 mei 2013, failliet is verklaard. De kantonrechter gaat er van uit dat de faillissementsaanvraag op 14 mei 2013 is ingediend, nu deze datum niet dan wel onvoldoende is weersproken door Putkast. Gelet op de door Putkast overgelegde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan voorts worden aangenomen dat [A] als enig aandeelhouder via Weja feitelijk degene was aan wie de volledige zeggenschap met betrekking tot Griek Techniek toekwam. Bij dupliek hebben Weja en [A] weliswaar tot hun verweer aangevoerd dat ook [B] via zijn vennootschap [C] aandeelhouder was, maar hieraan gaat de kantonrechter voorbij. Voor zover het de bedoeling van Weja en [A] is geweest om te weerleggen dat de volledige zeggenschap bij [A] heeft gelegen, hebben zij hun verweer onvoldoende gemotiveerd, omdat ter onderbouwing hiervan geen stukken, bijvoorbeeld een uittreksel uit het handelsregister, zijn overgelegd.

3.4.

[A] en Weja hebben betwist dat in het onderhavige geval bij de bestuurder sprake was van wetenschap van benadeling van de schuldeiser als hiervoor (onder 3.2. laatste volzin) bedoeld. Daartoe hebben zij onder meer gesteld dat zij tot vlak voor het moment van de faillissementsaanvraag in onderhandeling waren met een tweetal banken en daarbij in de veronderstelling waren dat een financiële regeling zou worden getroffen. Tevens hebben [A] en Weja ter comparitie verklaard op dezelfde datum als de datum waarop de opdracht tot levering aan Putkast werd gegeven een bedrag van € 25.000,00 te hebben laten overboeken van [C] naar Griek Techniek, hetgeen zij niet gedaan zouden hebben als zij een faillissement van Griek Techniek hadden voorzien.

3.5.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [A] en Weja ligt het op de weg van Putkast om de juistheid van haar stelling aan te tonen dat - kort gezegd - [A] en Weja aansprakelijk zijn voor de door Putkast geleden schade. Daarbij merkt de kantonrechter op dat hij geen aanleiding ziet tot - zoals door Putkast is betoogd - omkering van de bewijslast, nu niet uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. In de rechtspraak is uitgemaakt dat het feit dat de bestuurder die beweerdelijk onrechtmatig jegens de crediteur heeft gehandeld, de volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, geen 'bijzondere regel' in de zin van art. 150 Rv met zich brengt (HR 10 juni 1994, NJ 1994, 766). Hoewel er bijzondere omstandigheden kunnen zijn die een omkering van de bewijslast rechtvaardigen - waaronder bijvoorbeeld de omstandigheid dat een vennootschap ten tijde van het aangaan van de overeenkomst met de crediteur over onvoldoende middelen beschikte om de schuld te voldoen en voor aanvullende middelen van een andere, gelieerde vennootschap afhankelijk was - ziet de kantonrechter hiertoe in de onderhavige kwestie geen aanleiding. Daartoe overweegt de kantonrechter dat [A] en Weja blijkens de overboeking vanuit [C] kennelijk niet aan hun lopende financiële personele verplichtingen konden voldoen, maar zij tegelijkertijd met de banken in onderhandeling waren. Op grond van deze lopende onderhandelingen behoefden zij er niet van uit te gaan niet aan hun betalingsverplichtingen ten opzichte van Putkast te zullen kunnen voldoen.

3.6.

De kantonrechter acht voorts van belang dat het gelet op het uitzonderlijke karakter van de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders niet voldoende is dat de bestuurder ten tijde van de gegeven opdracht met de mogelijkheid van een faillissement rekening diende te houden. Ook een financieel noodlijdende onderneming zal in beginsel zolang als mogelijk trachten het hoofd boven water te houden. Het gaat er dan ook om dat de bestuurder ten tijde van de verleende opdracht wist of had behoren te weten dat de vennootschap feitelijk geen overlevingskansen meer had. In dat geval had het immers voor de hand gelegen om de ondernemingsactiviteiten te staken. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Putkast onvoldoende gesteld om te concluderen dat [A] en Weja ten tijde van de verleende opdracht aan Putkast wisten of hadden behoren te weten dat Griek Techniek feitelijk geen overlevingskansen meer had. Het enkele feit dat de opdrachten zijn geplaatst minder dan vier weken voor de datum van het faillissement is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de bestuurders wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de opdrachten onbetaald zouden blijven. Het gestelde door Putkast dat het faillissement door de aandeelhouders zelf is aangevraagd en dat aan een dergelijke aanvraag tenminste een bepaalde tijd vooraf gaat om de aanvraag inhoudelijk voor te bereiden kan ook niet leiden tot de conclusie dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem toegelaten handelwijze van Griek Techniek tot gevolg zou hebben dat deze vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat [A] en Weja immers tot vlak voor de faillissementsaanvraag nog in onderhandeling waren met banken, op grond waarvan zij de verwachting hadden een faillissement af te wenden.

3.7.

Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend oordeelt de kantonrechter dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt door Putkast dat in het onderhavige geval sprake is van een van de situaties (i) of (ii) - zoals hierboven vermeld onder 3.1. en

3.2. -

waarin bestuurdersaansprakelijkheid kan worden aangenomen. Dientengevolge kunnen [A] en Weja niet aansprakelijk worden gehouden voor schade als gevolg van de door Griek Techniek niet betaalde vorderingen. Nu om voormelde redenen de grondslag aan de vordering van Putkast ontbreekt, zal de kantonrechter deze afwijzen.

3.8.

Putkast zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat [A] en Weja hebben verklaard na hun conclusie van antwoord geen betaalde professionele rechtshulpverlener meer te hebben ingeschakeld, worden de proceskosten aan de zijde van [A] en Weja als volgt vastgesteld:

salaris gemachtigde € 250,00 (1 punt x tarief € 250,00).

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van Putkast af;

veroordeelt Putkast in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [A] en Weja vastgesteld op € 250,00;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 10681