Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1412

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
Awb 13/706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is (toepassing van) artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping in strijd met de in artikel 7 EVRM en artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van het IBPR vastgelegde bepaling dat geen zwaardere sanctie wordt opgelegd dan die welke gold ten tijde van het plegen van de overtreding. Eenzelfde bepaling is thans eveneens neergelegd in artikel 49, eerste lid, tweede volzin, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Artikel XXV van de Wet aanscherping dient slechts buiten toepassing te worden gelaten voor zover dit in strijd is met bovengenoemde internationaalrechtelijke bepaling. Dit betekent dat uitsluitend voor de overtreding, voor zover die is begaan in de periode tot 1 januari 2013 moet worden uitgegaan van de regels omtrent de boetetoemeting zoals die golden tot 1 januari 2013.

Wetsverwijzingen
Toeslagenwet
Toeslagenwet 14a
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2
Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/284 met annotatie van H.E. Bröring
USZ 2014/241 met annotatie van mr. dr. A. Tollenaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Afdeling bestuursrecht

Locatie Assen

Zaaknummer: AWB 13/706

Uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2014 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,

(gemachtigde mw. F. Dekker),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verweerder

(gemachtigde: W.G. Metus).

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft verweerder het recht van eiseres op een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) op haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 13 mei 2010 herzien en de over de periode van 13 mei 2010 tot en met 31 mei 2013 onverschuldigd betaalde toeslag

van € 12.340,40 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd.

Het door eiseres tegen de hiervoor vermelde besluiten gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 9 augustus 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van het beroep verwezen naar een zitting van de meervoudige kamer.

De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van de meervoudige kamer van 30 januari 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij eerder genoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan nu deze niet door partijen worden betwist. Eiseres ontvangt met ingang van 16 juni 2004 een WAO-uitkering. Sinds 13 mei 2010 wordt deze uitkering aangevuld met een toeslag op grond van de TW.

2.

Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiseres met ingang van 16 juni 2005 een uitkering ontvangt van Stichting Pensioenfonds Zorg Welzijn Pensioenbetalingen en heeft nagelaten hiervan bij verweerder melding te doen. Gelet op de hoogte van deze uitkering bestaat met ingang van 13 mei 2010 geen recht op toeslag. Verweerder heeft besloten de toeslag per 13 mei 2010 terug te vorderen.
Omdat eiseres volledig verwijtbaar de mededelingsverplichting heeft geschonden, is verweerder van mening terecht een boete te hebben opgelegd ter hoogte van het benadelingsbedrag ad € 12.340,40.

3.

Eiseres heeft in haar beroepschrift aangegeven dat zij doordrongen is van het feit dat zij teveel toeslag heeft ontvangen en dat zij dit bedrag dient terug te betalen. Zij is het echter niet eens met de forse boete die haar is opgelegd en voert aan dat twee medewerkers van de gemeente Midden-Drenthe haar hebben verteld dat de bestanden van het UWV en de gemeente gekoppeld zijn, zodat alle gegevens op het door haar ingevulde formulier, waarbij zij ook haar pensioengegevens had ingevuld, bij UWV bekend zouden zijn. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij elk jaar belastingaangifte doet waarbij zij ook haar pensioen opgeeft en dat ook deze bestanden gekoppeld zijn.

4.

De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres zich uitsluitend richt tegen het onderdeel van het bestreden besluit, waarin het bezwaar tegen het boetebesluit ongegrond is verklaard.

5.1

Op grond van artikel 12 van de TW is degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht om aan verweerder op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.

5.2

Op grond van artikel 14a, eerste lid, van de TW, zoals dit luidt sinds de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid Sociale zekerheidswetgeving, gepubliceerd in Stb. 2012, 462 (hierna: de Wet aanscherping), legt verweerder een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, van de verplichting, als bedoeld in artikel 12. Ingevolge artikel 14a, achtste lid, onder a en b kan verweerder de bestuurlijke boete verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid en afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5.3

Bij algemene maatregel van bestuur zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de boete: het Boetebesluit Socialezekerheidswetten. Met het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (gepubliceerd in het Stb. 2012, 484) is het boetebesluit per 1 januari 2013 gewijzigd. De rechtbank zal in het navolgende het per
1 januari 2013 geldende Boetebesluit Socialezekerheidswetten aanduiden als het Boetebesluit.

5.4

Op grond van artikel 2, eerste lid van het Boetebesluit wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op tenminste € 150,00 wordt vastgesteld. In artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit zijn de criteria verminderde verwijtbaarheid opgenomen.

6.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De rechtbank dient in dit geschil allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat eiseres de inlichtingenplicht, weergegeven in artikel 12 van de TW, heeft geschonden. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.
Eiseres had, mede gelet op de hoogte ervan, redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat haar inkomsten uit een pensioen (ter voorziening in het WAO-gat) van invloed konden zijn op het recht op toeslag. In de toekenningsbeslissing van 19 mei 2010 is reeds aangegeven dat eiseres wijzigingen in haar leefvorm, gezinssamenstelling, inkomen of het inkomen van haar partner onmiddellijk aan verweerder diende door te geven. Ook op het aanvraagformulier “Toeslag aanvragen” dat eiseres op 11 mei 2010 heeft ingevuld en ondertekend, is duidelijk gevraagd naar eventuele uitkeringen. Op de vraag: “ontvangt u een uitkering” heeft eiseres het vakje ‘ja’ aangekruist en er bij vermeld: WAO- en tot 12 mei 2010 WW-uitkering. Het vakje ‘WAO-gat’ heeft eiseres niet aangekruist en ook anderszins is door eiseres geen melding gemaakt van het aanvullend pensioen. Door na te laten de inkomsten uit een pensioen aan verweerder door te geven heeft eiseres de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 12 TW geschonden.

6.2

In het geldende wettelijke systeem betekent het schenden van de inlichtingenplicht dat verweerder een boete dient op te leggen. Dit is bepaald in artikel 14a van de TW.

6.3

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 14a lid 8 onder a van de TW en evenmin van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a lid 8 onder b van de TW. In dat verband merkt de rechtbank op dat niet aannemelijk is geworden dat de gedragingen van eiseres haar op psychische gronden niet of verminderd zouden moeten worden toegerekend. Voor zover eiseres stelt dat hiervan wel sprake was, heeft zij dit niet met medische stukken onderbouwd en ook overigens acht de rechtbank dit niet aannemelijk. Daarbij acht de rechtbank relevant dat eiseres wel in staat was een gemachtigde in te schakelen om haar zaken te behartigen. Dit duidt derhalve niet op een onvermogen op psychische gronden om stappen te zetten die nodig zijn in een situatie als deze. De omstandigheid dat eiseres de pensioenuitkering wel had vermeld op het formulier van de gemeente en dat haar was verteld dat de bestanden van de gemeente en het Uwv gekoppeld zijn kan evenmin tot het oordeel leiden dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

6.4

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of verweerder op goede gronden de hoogte van de boete heeft vastgesteld op een bedrag dat gelijk is aan 100% van het benadelingsbedrag.

6.5

Verweerder heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit). Zoals hiervoor overwogen, heeft verweerder, naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden, geen reden gezien om bij de bepaling van de boete tot een verlaging over te gaan wegens verminderde verwijtbaarheid. Dat betekent, naar het oordeel van de rechtbank, evenwel nog niet dat de opgelegde boete stand kan houden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.


6.6 De verwijtbare gedraging van eiseres die tot de oplegging van een boete heeft geleid is voor het overgrote deel gepleegd vóór 1 januari 2013, de datum van inwerkingtreding van het Boetebesluit. Met de vaststelling van het nieuwe Boetebesluit heeft de wetgever een drastische verhoging van de op te leggen boetes bepaald.
De wetgever heeft overgangsrecht gemaakt. Dit is opgenomen in artikel XXV van de Wet aanscherping. Dit artikel luidt -voor zover hier relevant- als volgt:

1.

Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, blijft het recht, met inachtneming van het tweede lid, van toepassing zoals dat gold op die dag.
2. Ten aanzien van beboetbare overtredingen voorzien bij of krachtens de wetten die bij deze wet zijn gewijzigd en die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden en voortduren op de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden blijft het recht van toepassing, zoals dat gold op de dag voor de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden, mits uiterlijk op de dertigste dag na de dag waarop deze wet of het desbetreffende onderdeel daarvan in werking is getreden de overtreding is opgeheven of geconstateerd.

6.7.

De door eiseres gepleegde overtreding van de verplichting, zoals weergegeven in artikel 12 van de TW, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden aangemerkt als een “voortdurende overtreding”: een overtreding die betreft het doen bestaan en/of voorbestaan van een verboden toestand”. In dit geval: het doen bestaan en voortbestaan van het overtreden door eiseres van de verplichting om verweerder mee te delen dat zij een pensioenuitkering ontvangt.

6.8.

De overtreding is aangevangen voor 1 januari 2013 en duurde voort na 30 januari 2013. Artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping is derhalve op deze overtreding van toepassing. In dit artikel is bepaald dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete het nieuwe Boetebesluit moet worden toegepast.

6.9.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping gedeeltelijk buiten toepassing moet worden gelaten. Daartoe wordt als volgt overwogen.

6.10.

Met het nieuwe Boetebesluit is de boete op het plegen van de overtreding verhoogd. Doordat in artikel 2 van het Boetebesluit de hoogte van de boete wordt gekoppeld aan de hoogte van het benadelingsbedrag wordt in het geval van eiseres de hoogte van de boete deels bepaald door het begaan van de overtreding gedurende de periode dat het nieuwe Boetebesluit nog niet in werking was getreden. Aldus volgt uit artikel XXV, tweede lid, dat over de periode van de voortdurende overtreding tot 1 januari 2013 een hogere boete wordt opgelegd dan de hoogte van de boete, zoals die gold in die periode van de overtreding.

6.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is (toepassing van) artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping in zoverre in strijd met de in artikel 7 EVRM en artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van het IBPR vastgelegde bepaling dat geen zwaardere sanctie wordt opgelegd dan die welke gold ten tijde van het plegen van de overtreding. Eenzelfde bepaling is thans eveneens neergelegd in artikel 49, eerste lid, tweede volzin, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.


Voor het standpunt dat de nationaalrechtelijke overgangsbepaling buiten toepassing moet worden gelaten indien en voor zover deze in strijd is met de bedoelde internationaalrechtelijke bepaling vindt de rechtbank steun in het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, LJN: BP6878.

6.12.

Het bovenstaande betekent dat artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping, voor zover die ziet op de overtreding tot 1 januari 2013, buiten toepassing moet worden gelaten.

6.13.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit, voor zover die de opgelegde boete betreft, zal worden vernietigd.

7.

De rechtbank zal zelf, met toepassing van artikel 8:72a van de Awb, een beslissing nemen omtrent het opleggen van de boete en bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking.

8.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres de verplichting van artikel 12 TW heeft overtreden tussen 13 mei 2010 tot en met 31 mei 2013, dat een boete moet worden opgelegd en dat geen sprake is van verminderde verwijtbaarheid dan wel dringende omstandigheden die tot verlaging van een boete zouden moeten leiden. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar rechtsoverwegingen 6.1. t/m 6.3.

9.

Bij de bepaling van de hoogte van de boete hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten.

9.1.

Artikel XXV van de Wet aanscherping dient slechts buiten toepassing te worden gelaten voor zover dit in strijd is met bovengenoemde internationaalrechtelijke bepaling. Dit betekent dat uitsluitend voor de overtreding, voor zover die is begaan in de periode tot 1 januari 2013 moet worden uitgegaan van de regels omtrent de boetetoemeting zoals die golden tot 1 januari 2013. Gelet op de opvatting van de wetgever over de hogere boetewaardigheid van de overtreding zal de rechtbank de, volgens de in die periode geldende regels, maximumboete opleggen (HR 13 mei 1986, NJ 1987, 277 en EHRM 9 februari 1995, NJ 1995,606). Over de periode van de overtreding vanaf 1 januari 2013 wordt de boete overeenkomstig het Boetebesluit zoals dat sindsdien geldt, vastgesteld op het benadelingsbedrag over die periode.

9.2.

De rechtbank is van oordeel dat aldus tevens recht wordt gedaan aan artikel XXV van de Wet aanscherping. Daartoe wordt overwogen dat deze bepaling blijkens de toelichting in de Wet aanscherping is opgenomen om te voorkomen dat een belanghebbende beter af zou zijn door de juiste feiten te blijven verzwijgen, omdat bij een latere constatering steeds het oude recht van toepassing zou zijn. Door de wijze waarop de rechtbank de hoogte van de boete thans vaststelt is eiseres niet beter af door het laten voortduren van de overtreding na de wetswijziging.

9.3.

De rechtbank stelt vast dat tot 1 januari 2013 als maximumboete volgens de toen geldende regelgeving een boete van 10 % van het benadelingsbedrag gold .
De rechtbank zal in de uitspraak beslissen dat de hoogte van de boete wordt bepaald op 10% van het benadelingsbedrag over de periode van 13 mei 2010 tot 1 januari 2013 plus 100% over de periode van 1 januari 2013 tot 31 mei 2013 en zal verweerder opdragen aan eiseres het concrete bedrag van de boete via toepassing van deze criteria mee te delen.


10. Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.


Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 augustus 2013;

- stelt de hoogte van de boete op 10 % van het benadelingsbedrag over de periode

13 mei 2010 tot 1 januari 2013 plus 100% over de periode 1 januari 2013

tot en met 31 mei 2013;

- draagt verweerder op aan eiseres binnen 4 weken na heden het concrete bedrag

van de boete mee te delen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,00 aan eiseres te

vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzitter, en mr. J.L. Boxum en
mr. E.M. Visser, leden, in aanwezigheid van mr. H.W. Wind, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2014.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden aan partijen op: