Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2014:1252

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2014
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
2741372 CV EXPL 14-997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

wijziging looptijd 3e arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden resulteert i.c. niet in een 4e arbeidsovereenkomst. Geen misbruik van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0242
AR 2014/78

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: 2741372 / CV EXPL 14-997

Vonnis in kort geding van 21 februari 2014

in de zaak van

[voornamen] [eiser],

wonende te Nijmegen,

eiser,

gemachtigde: mr. A.J.C. Scheers te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap

TEKENPLUS B.V.,

statutair gevestigd te Woudrichem,

gedaagde,

gemachtigde: mr. D.W.F. Schalkwijk te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Tekenplus worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de namens [eiser] uitgebrachte dagvaarding, inclusief producties;

 de voorafgaand aan de terechtzitting overgelegde producties van de zijde van Tekenplus;

 de mondelinge behandeling ter zitting van 10 februari 2014, ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten (aan de hand van pleitnotities) nader hebben toegelicht.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Met ingang van 11 januari 2012 is [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 juli 2012 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Tekenplus in de functie van tekenaar.

2.2.

Op 11 juli 2012 is de arbeidsrelatie tussen [eiser] en Tekenplus voortgezet middels een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 10 januari 2013.

2.3.

Vervolgens is tussen [eiser] en Tekenplus een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten met ingang van 10 januari 2013 tot 1 juli 2013.

2.4.

Op of omstreeks 20 juni 2013 heeft er een gesprek plaats gehad tussen Tekenplus en [eiser], waarbij partijen overeenstemming hebben bereikt over het feit dat de duur van de derde arbeidsovereenkomst van zes in elf maanden is gewijzigd.

2.5.

Op 2 juli 2013 hebben [eiser] en Tekenplus een verklaring “Wijziging bestaande Arbeidsovereenkomst” ondertekend. In deze verklaring is onder andere het volgende opgenomen:

‘In aanmerking nemende dat:

1. (…)

2. Partijen beogen om in deze bestaande arbeidsovereenkomst de looptijd te wijzigen.

Komen het volgende overeen:

3. De looptijd van de bestaande arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd. De gewijzigde looptijd eindigt op 01-12-2013.

4. Alle overige bepalingen van de arbeidsovereenkomst blijven gehandhaafd. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst is dan ook op 01-12-2012 zonder verdere mededeling of schrijven.

2.6.

Na 1 december 2013 heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht voor Tekenplus en heeft [eiser] ook geen salaris meer ontvangen.

2.7.

Na een aanvraag voor een WW-uitkering te hebben ingediend heeft het UWV [eiser] meegedeeld dat de wijziging van de derde arbeidsovereenkomst erin geresulteerd heeft dat er een vierde arbeidsovereenkomst is ontstaan en dat daardoor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. In dat kader is [eiser] een uitkering geweigerd.

3 De vordering

3.1.

De vorderingen van [eiser] strekken ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Tekenplus veroordeelt:

  1. tot betaling aan [eiser] van het salaris vanaf 1 december 2013 op het gebruikelijke tijdstip totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd;

  2. tot betaling aan [eiser] van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over te laat betaald salaris aan [eiser];

  3. tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over het sub I en II gevorderde vanaf de dag waarop Tekenplus met de voldoening van het salaris en de wettelijke verhoging in verzuim is tot en met de dag der algehele voldoening;

  4. om [eiser] weer toe te laten tot zijn werkplek teneinde aldaar zijn werkzaamheden te kunnen verrichten, waarbij tevens de bedrijfsmiddelen weer aan hem ter beschikking worden gesteld;

  5. in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.

3.2.

Tekenplus voert verweer, waarbij zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eiser] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de procedure.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Standpunt van partijen

4.1.

Anders dan bij dagvaarding is gesteld, heeft [eiser] ter zitting erkend dat op of omstreeks 20 juni 2013 tussen partijen overeenstemming is bereikt over het feit dat de duur van de derde arbeidsovereenkomst van zes in elf maanden is gewijzigd, hetgeen partijen hebben vastgelegd in de verklaring “Wijziging bestaande arbeidsovereenkomst”. Desalniettemin meent [eiser] dat middels deze verklaring een vierde arbeidsovereenkomst is gesloten, waardoor met ingang van 2 juli 2013 op grond van artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. [eiser] voert aan dat artikel 7:668a BW een (driekwart) dwingendrechtelijke bepaling is en als doel heeft te voorkomen dat de ontslagbescherming aan de werknemer met een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd wordt onthouden. Door in de derde arbeidsovereenkomst een wijziging aan te brengen in de looptijd die bijna wordt verdubbeld, wordt voornoemde bepaling omzeild.

4.2.

Tekenplus heeft de vorderingen betwist, daartoe (onder andere) aanvoerend (en verwijzend naar een arrest van het Hof Arnhem van 26 juli 2011, LJN BR6498), dat arbeidsovereenkomsten ook wat betreft looptijd, tussentijds gewijzigd kunnen worden, mits partijen daarover overeenstemming hebben bereikt. Tekenplus stelt dat nu partijen in de onderhavige zaak op 20 juni 2013 overeenstemming hebben bereikt over de omstandigheid dat de looptijd van de arbeidsovereenkomst gewijzigd zou worden, de vraag of in casu een vierde arbeidsovereenkomst is ontstaan, ontkennend moet worden beantwoord. Van misbruik van artikel 7:668a BW is evenmin sprake, aldus Tekenplus. Voorts voert Tekenplus aan voor het geval uitgegaan zou worden van de stelling van [eiser] dat er sprake is van een vierde schakel, op grond van de op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijnde cao, waarbij is afgeweken van artikel 7:668a BW, er geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Tot slot stelt Tekenplus voor het geval geoordeeld zal worden dat er thans sprake is van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, dat toewijzing van het achterstallig salaris pas aan de orde kan zijn vanaf 7 januari 2014. Immers, pas op dat moment heeft [eiser] zich beschikbaar gesteld voor werk.

5 Het geschil en de beoordeling daarvan

5.1.

Nu [eiser] doorbetaling van loon vordert, wordt het spoedeisend belang gelet op de aard van deze vordering voldoende aanwezig geacht.

5.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat het voor toewijzing van voorzieningen zoals door [eiser] worden gevorderd in hoge mate aannemelijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Er dient derhalve beoordeeld te worden of al dan niet aannemelijk is geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat als gevolg van de wijziging van de looptijd van de derde arbeidsovereenkomst er een vierde arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen met als gevolg dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. Het volgende is daartoe redengevend.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de wetgever in artikel 7:668a BW heeft geregeld hoe vaak en hoe lang een werkgever een werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan laten werken voordat er van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand komt. Maximaal kan een werkgever drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd achter elkaar met dezelfde werknemer sluiten. De vierde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt dan automatisch geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Voorwaarde is wel dat tussen de elkaar opvolgende tijdelijke contracten telkens niet meer dan drie maanden ligt. Een conversie vindt eveneens plaats, wanneer met dezelfde werknemer elkaar opvolgende tijdelijke arbeidscontracten worden gesloten, met een tussenpoze van niet meer dan drie maanden, die tezamen een tijdvak van méér dan 36 maanden beslaan. Na het verstrijken van de 36e maand wordt het laatste tijdelijke arbeidscontract binnen de reeks vanzelf omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

5.4.

In de lijn van het arrest van het Hof Arnhem van 26 juli 2011 (LJN BR6498) is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat partijen bij zowel arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden nadere afspraken mogen maken en wijzigingen in de bepalingen van die overeenkomsten mogen aanbrengen. Dat geldt ook voor een wijziging van de duur waarvoor een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan. Indien partijen daartoe (bij herhaling) overgaan, kan (op enig moment) het goed werkgeverschap er toe leiden dat een tussen werknemer en werkgever gemaakte afspraak niet van toepassing is voor zover dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Of hiervan sprake is, zal van alle omstandigheden van het geval afhangen. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat de enkele omstandigheid dat partijen in onderhavige zaak eenmaal zijn overeengekomen dat de looptijd van de arbeidsovereenkomst van zes maanden in elf maanden is gewijzigd, niet tot de conclusie kan leiden dat daarvan sprake is.

5.5.

Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat Tekenplus bij het wijzigen van de arbeidsovereenkomst misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden overweegt de voorzieningenrechter dat hiervan niet is gebleken. Tekenplus heeft in een gesprek op of omstreeks 20 juni 2013 aangegeven aan [eiser] dat zij onverwachts een grote opdracht had gekregen, hetgeen er voor zorgde dat Tekenplus in elk geval tot december 2013 veel tekenwerk moest afleveren. Na daartoe overleg te hebben gevoerd met het UWV, heeft Tekenplus (onder meer) [eiser] aangeboden om de duur van de arbeidsovereenkomst te wijzigen. Indien [eiser] hiermee niet akkoord zou gaan, dan zou de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 1 juli 2013 eindigen. [eiser] heeft met het voorstel ingestemd. De enkele omstandigheid dat hij dit heeft gedaan omdat anders reeds op 1 juli 2013 een einde zou zijn gekomen aan de arbeidsrelatie met Tekenplus, brengt niet met zich dat hij daarbij op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet. Andere feiten of omstandigheden, die aanleiding zouden kunnen geven tot het oordeel dat [eiser] op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet, zijn niet gesteld of gebleken.

5.6.

Het voorgaande betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet per 1 juli 2013 is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waardoor de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst op de in de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst genoemde datum van 1 december 2013 is geëindigd.

5.7.

Al hetgeen partijen overigens nog te berde hebben gebracht – waaronder het vermeende disfunctioneren van [eiser], de omstandigheid dat het aanbieden van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd niet strookt met de zogenoemde MVO-gedachte van Tekenplus en de vraag of de door Tekenplus genoemde CAO van toepassing is (geweest) op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten zal als niet relevant voor de uitkomst van het geschil onbesproken blijven.

5.8.

Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.



5.9. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden aan de zijde van Tekenplus vastgesteld als volgt:

- salaris gemachtigde € 200,00 (1 punt x € 200,00).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

6.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af:

6.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Tekenplus vastgesteld op € 200,00;

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.G. Leijten, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

C 151