Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA4009

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
400169 / CV EXPL 12-5503
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten onrechte opzeggen kredietovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/337

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 400169 \ CV EXPL 12-5503

vonnis van de kantonrechter d.d. 23 april 2013

inzake

de naamloze vennootschap

ABN-AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: Incassade Leeuwarden,

tegen

[A],

handelende onder de naam [X],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. D.F.W. Schalkwijk,

Partijen zullen hierna de bank en [A] worden genoemd.

1. Het procesverloop

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de akte houdende specificatie kosten conservatoir beslag van de zijde van de bank;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens houdende akte vermindering van eis, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

2. De feiten

2.1. De bank en [A] hebben op 28 november 2008 een overeenkomst met elkaar gesloten, inhoudende dat de bank aan [A] een krediet in rekening-courant zal verstrekken ten behoeve van de financiering van de bedrijfsuitoefening van [A]. Dit krediet is aan een maximum van € 25.000,- gebonden.

2.2. Op pagina 2 van voornoemde overeenkomst (hierna: de kredietovereenkomst) wordt onder meer vermeld:

"ABN AMRO is verplicht om bepaalde zakelijke kredietfaciliteiten alsmede de achterstand in de nakoming van bepaalde betalingsverplichtingen te melden bij Stichting Bureau Krediet Registratie te Tiel. In de bij deze Kredietovereenkomst gevoegde bijlage 'Informatie over BKR-registraties bij zakelijk krediet' is beschreven welke zakelijke kredietfaciliteiten/betalingsachterstanden door ABN AMRO worden gemeld."

2.3. In de bijlage 'Informatie over BKR-registraties bij zakelijk krediet' is - voor zover van belang- bepaald:

"De volgende zakelijke kredietfaciliteiten verstrekt aan een eenmanszaak (…) worden op naam van de betrokken natuurlijke personen door ABN AMRO aan BKR gemeld:

(i) Een rekening-courant krediet met een omvang van EUR 500,- tot en met EUR 75.000,-;

(…)

De volgende betalingsachterstanden worden gemeld:

1. Een betalingsachterstand gedurende een periode van meer dan 70 (zeventig) dagen op een van bovengenoemde kredietfaciliteiten."

2.4. De bank heeft [A] bij brief van 29 januari 2011 onder meer bericht:

"Hierbij maken wij u erop attent dat uw rekening een negatief saldo vertoont, thans EUR 25.349,36 debet. Dit is hoger dan de met u overeengekomen limiet van EUR 25.000,00 debet.

Wij verzoeken u ervoor te zorgen dat het saldo op uw rekening vóór 10 februari 2011 weer binnen de grenzen van de met u overeengekomen limiet is gebracht."

2.5. De bank heeft [A] bij brieven van 12 februari, 15 februari, 26 april, 10 mei, 31 mei, 11 juni en 1 juli tevens bericht dat zijn rekening een niet toegestane debetstand heeft en [A] - kort gezegd - verzocht om het saldo op zijn rekening binnen een bepaalde termijn weer binnen de grenzen van het overeengekomen limiet te brengen.

2.6. Bij brief van 11 juli 2011 heeft de bank [A] onder meer bericht:

"Op 8 juni 2011 hebben wij met u gesproken over de binnenkomende creditomzet op uw rekening in relatie tot de hoogte van de kredietlimiet. Dit hebben wij in onze brief van 22 maart 2011 aan u bevestigd.

Afgesproken is dat er iedere maand minimaal EUR 3.750,00 aan creditomzet op uw rekening binnenkomt. U voldoet momenteel nog niet aan deze afspraak.

(…)

Om u tegemoet te komen verlengen wij de termijn tot eind augustus 2011 zodat u alsnog aan de afspraak kunt voldoen."

2.7. De bank heeft [A] bij brieven van 3 augustus, 31 augustus en 6 september 2011 bericht dat zijn rekening een niet toegestane debetstand heeft en [A] - kort gezegd - verzocht om het saldo op zijn rekening binnen een bepaalde termijn weer binnen de grenzen van het overeengekomen limiet te brengen.

2.8. De bank heeft [A] op 6 september 2011 onder andere schriftelijk bericht:

"Ondanks de eerder gemaakte afspraak 22-03-2011 en ons verleende uitstel van 09-07-2011 waarin we de uiterste termijn hebben verlengd, is de binnenkomende creditomzet op uw rekening nog steeds onder de EUR 3.750,00 per maand.

(…)

Als u voor eind september 2011 daar alsnog voor zorgt, kunt u gewoon van uw rekening gebruik blijven maken. Blijft de binnenkomende creditomzet te laag, dan kan dit gevolgen hebben voor het gebruiksgemak van de rekening."

2.9. De bank heeft [A] bij brief van 17 september 2011 wederom bericht dat zijn rekening een niet toegestane debetstand heeft en [A] - kort gezegd - verzocht om het saldo op zijn rekening binnen een bepaalde termijn weer binnen de grenzen van het overeengekomen limiet te brengen.

2.10. Bij brief van 27 september 2011 heeft de bank [A] onder meer geschreven:

"Ondanks eerdere verzoeken tot aanvulling maken wij u er nogmaals op attent dat uw rekening een negatief saldo vertoont, thans EUR 25.783,42 debet. Dit is hoger dan de met u overeengekomen limiet van EUR 25.000,00 debet.

Het is thans dringend noodzakelijk dat het saldo wordt aangezuiverd om te voorkomen dat:

- de faciliteiten op de rekening worden ingetrokken

- de rekening voor automatische incasso wordt geblokkeerd

- uw passen worden geblokkeerd.

Wij verzoeken u daarom nogmaals vriendelijk doch dringend ervoor te zorgen, dat het saldo op de rekening vóór 9 oktober 2011 weer binnen de grenzen van de met u overeengekomen limiet is gebracht.

Indien u wederom verzuimt uw betalingsverplichting na te komen, dan stellen wij u reeds nu voor alsdan in gebreke en zullen wij de vordering uit handen geven aan het incassobureau Solveon Incasso B.V. te Utrecht. De extra kosten die ABN AMRO moet maken om de vordering te incasseren zullen bij u in rekening worden gebracht. (…)

Daarnaast zal er een registratie bij Bureau Krediet Registratie in Tiel plaatsvinden. (…)"

2.11. [A] is eind september, begin oktober 2011 met de bank in gesprek gegaan over de uitbreiding van zijn financiering.

2.12. Op 4 oktober 2011 heeft Solveon Incasso B.V. (hierna: Solveon) schriftelijk aan [A] te kennen gegeven:

"In de afgelopen periode heeft u, ondanks een aantal schriftelijke verzoeken van ABN AMRO, nog niet voldaan aan de met u gemaakte afspraak om de binnenkomende maandelijkse creditomzet op uw rekening minimaal EUR 1.250,00 te laten zijn. U bent inmiddels in verzuim.

(…)

ABN AMRO afdeling Credit Services informeerde ons dat uw dossier klaar ligt om aan ons te worden overgedragen. U kunt dit voorkomen door binnen 30 dagen na dagtekening van deze brief alsnog aan uw verplichtingen te voldoen.

Indien u wederom verzuimt uw omzetverplichting na te komen zullen de extra kosten die ABN AMRO moet maken om de vordering te incasseren, bij u in rekening worden gebracht. Daarnaast zal er registratie bij het Bureau Krediet Registratie in Tiel plaatsvinden. (…)"

2.13. Op 14 oktober 2011 is er wederom een overstand op de ondernemingsrekening van [A] ontstaan.

2.14. De bank heeft [A] op 18 oktober 2011 laten weten dat zij niet tot (her-) financiering zal overgaan.

2.15. De bank heeft [A] bij brief van 4 november 2011 bericht:

"Ondanks eerdere verzoeken tot aanvulling van het negatief saldo op uw rekening vertoont deze nog steeds een debetstand. Om deze reden hebben wij de vordering in handen gegeven van Solveon Incasso B.V. te Utrecht.

(…)

Conform onze wettelijke verplichting zullen wij de achterstand in de betaling melden bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel, zodra de achterstand meer dan 90 dagen bedraagt. (…) De melding zal pas hersteld gemeld worden als de debetstand volledig is terugbetaald."

2.16. Solveon heeft [A] bij brief van 14 november 2011 bericht:

"De ABN AMRO Bank N.V. heeft de incasso van haar vordering op u overgedragen aan Solveon Incasso B.V. In dit verband delen wij u mede dat wij, gezien het niet voldoen aan de kredietvoorwaarden en de overschrijding van het kredietlimiet, genoodzaakt zijn gebruik te maken van het recht van dagelijkse opzegbaarheid van het aan u verstrekte krediet in rekeningcourant en wel met onmiddellijke ingang.

Ten gevolge van de overdracht brengen wij u incassokosten in rekening. Daarom wordt uw rekening belast voor een bedrag van EUR 1.025,00.

In verband met het vorenstaande verzoeken wij u en voor zover nodig sommeren wij u om zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 28-11-1011 uw schuld ten bedrage van EUR 26.781,11 bij de ABN AMRO BANK N.V. volledig af te lossen.

(…)

Tevens delen wij u mede dat kredietgevers de verplichting op zich hebben genomen het niet voldoen aan aflossingsverplichtingen te melden aan Bureau Krediet Registratie (B.K.R.) te Tiel. Indien integrale aflossing niet op de door ons gestelde datum heeft plaatsgevonden, zullen wij tot melding aan het B.K.R. overgaan."

2.17. Solveon heeft [A] bij schrijven van 28 november 2011 nogmaals gesommeerd om tot betaling van een bedrag van € 26.851,87 inclusief incassokosten over te gaan. In dit schrijven wordt tevens vermeld:

"Thans vindt negatieve registratie bij BKR te Tiel plaats."

2.18. [A] heeft nadien een bedrag van € 5.000,- aan de bank voldaan.

2.19. De bank heeft op 4 juli 2012 - na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 6 juni 2012 - conservatoir beslag laten leggen op twee aan [A] (voor het onverdeelde aandeel) toebehorende onroerende zaken.

2.20. [A] heeft de vordering van de bank ter zake van de opeising van het krediet

- ondanks herhaalde sommaties daartoe - tot op heden niet volledig voldaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De bank vordert na eisvermindering - kort gezegd - dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A] veroordeelt om aan de bank te betalen een bedrag van

€ 23.200,97, te vermeerderen met de rente ad 11,60% per jaar vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, onder veroordeling van [A] in de proceskosten en de beslagkosten en de eventueel over de kosten verschuldigde omzetbelasting.

3.2. [A] voert gemotiveerd verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de opzegging van de kredietovereenkomst door de bank onrechtmatig, dan wel ongegrond is geweest, en dat [A] thans uit hoofde van de kredietovereenkomst slechts € 20.766,87, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, schuldig is uit hoofde van de kredietovereenkomst, alsmede zo mogelijk, dat [A] vanaf 5 november 2011, tot aan de dag van dit vonnis, geen rente verschuldigd is over voornoemde hoofdsom;

II. de op 13 juli 2012 ten laste van [A] door de bank gelegde beslagen opheft, althans de bank veroordeelt om de door haar gelegde beslagen binnen 48 uur na de betekening van dit vonnis op te heffen, alsmede zo mogelijk de bank verbiedt om verdere beslagen te leggen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere overtreding en voor iedere dag of ieder dagdeel dat deze overtreding voortduurt;

III. gelast dat de bank zal bewerkstelligen dat het BKR de A-codering van [A] verwijdert, niet door een H-codering, maar op zo een wijze dat voor derden niet kenbaar is dat er een BKR-registratie heeft plaatsgehad, binnen 72 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat deze overtreding voortduurt;

IV. de bank veroordeelt in de proceskosten, alsmede in de nakosten van € 131,- zonder betekening of € 199,- indien sprake is van betekening, te voldoen binnen tien dagen na de dagtekening van dit vonnis en - zo de bank die proceskosten niet binnen die termijn voldoet - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten gerekend vanaf de laatste dag van de voldoeningstermijn.

3.5. [A] voert gemotiveerd verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De bank heeft in hoofdsom een bedrag van € 20.766,87 van [A] gevorderd. De bank heeft aan haar vordering in hoofdsom - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat zij de kredietovereenkomst met [A] heeft opgezegd, omdat [A] de kredietlimiet van € 25.000,- op de ondernemingsrekening in de periode van 29 januari tot 4 november 2011 herhaaldelijk heeft overschreden. De bank heeft gesteld dat zij [A] in voornoemde periode meerdere malen op de te hoge debetstand heeft geattendeerd en dat zij hem heeft verzocht om over te gaan tot aanzuivering van het saldo op zijn rekening, maar dat [A] het saldo niet definitief heeft aangezuiverd. De bank heeft de opzegging van de kredietovereenkomst tevens gegrond op de omstandigheid dat [A] niet voldoende bedrijfsomzet op de rekening heeft gestort. De bank heeft gesteld dat partijen op 22 maart 2011 telefonisch hebben afgesproken dat [A] een bedrag van € 3.750,- per maand aan omzet zou storten op de rekening. De bank heeft deze afspraak volgens eigen zeggen bij brief van 23 maart 2011 aan [A] bevestigd. [A] heeft volgens de bank nimmer bezwaar gemaakt tegen de inhoud van deze brief, waardoor zij er gerechtvaardig op mocht vertrouwen dat [A] instemde met voornoemde afspraak.

4.2. [A] heeft allereerst tegen de vorderingen van de bank ten verwere aangevoerd dat de bank in strijd heeft gehandeld met de substantiëringsplicht, omdat zij in de dagvaarding niet inhoudelijk is ingegaan op zijn verweren. De vorderingen van de bank dienen naar de mening van [A] reeds om die reden te worden afgewezen.

4.3. De kantonrechter overweegt dat het exploot van dagvaarding ingevolge artikel 111 lid 3 Rv de door gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor dient te vermelden. De eiser is volgens de wet echter niet verplicht aanstonds te reageren op de weergegeven verweren van gedaagde. Anders dan [A] heeft aangevoerd, was de bank dan ook niet gehouden om in de dagvaarding reeds inhoudelijk in te gaan op de verweren van [A], hoewel het praktisch gezien voor de hand had gelegen om dit wel te doen. De bank heeft derhalve niet in strijd met de substantiëringsplicht gehandeld, zodat het daartoe strekkende verweer van [A] zal worden verworpen.

4.4. [A] heeft tevens ten verwere aangevoerd dat de opzegging van de kredietovereenkomst rauwelijks en onrechtmatig is, dan wel ongegrond en in strijd met de zorgplicht die op de bank rust. [A] heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de bank eens in de drie maanden de verschuldigde debetrente van de ondernemingsrekening heeft afgeschreven en dat er daardoor soms een overstand op de rekening ontstond. [A] heeft betoogd dat hij sinds juli 2009 steeds iedere overstand heeft ingelost en altijd heeft voldaan aan schriftelijke verzoeken van de bank om het saldo voor een bepaalde datum aan te zuiveren. De bank heeft deze gang van zaken gedurende 2,5 jaar geaccepteerd en [A] mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij correct handelde. Indien de bank de gang van zaken niet meer accepteerde, had zij [A] daarop tijdig moeten wijzen en hem daarvoor tijdig dienen te waarschuwen. De bank heeft dit echter nagelaten.

[A] heeft aangevoerd dat hij eind september 2011 met de bank in gesprek is gegaan over een uitbreiding van de financiering en dat hij de overstand op de rekening, die op 14 oktober 2011 was ontstaan, in afwachting van de beslissing van de bank omtrent de financiering, niet heeft ingelost. Indien de financiering zou worden uitgebreid, zou er immers geen overstand meer bestaan op de rekening. Volgens [A] heeft de bank hem in de gevoerde gesprekken niet gewezen op de ontstane overstand of op eerdere overstanden op de rekening. Er is ook niet gesproken over het inlossen van het krediet. De opzegging van de kredietovereenkomst op 14 november 2011 betreft volgens [A] dan ook een rauwelijkse opzegging.

[A] heeft voorts - kort gezegd - betwist dat hij met de bank is overeengekomen dat hij maandelijks een minimumbedrag van € 3.750,- aan omzet op de ondernemingsrekening zou storten. De opzegging van de kredietovereenkomst kan naar zijn mening dan ook niet worden gegrond op de niet-naleving van deze voorwaarde. De opzegging op grond van het niet naleven van deze voorwaarde is althans onrechtmatig.

Naar de mening van [A] heeft de bank ook onrechtmatig gehandeld, door hem slechts een zeer korte termijn te geven om de op 14 oktober 2011 ontstane overstand op de rekening in te lossen, namelijk slechts 5 dagen na ontvangst van het rekeningafschrift.

4.5. De kantonrechter stelt vast dat [A] in ieder geval sinds juni 2009 herhaaldelijk de kredietlimiet van € 25.000,- op de ondernemingsrekening heeft overschreden. Dit volgt genoegzaam uit de rekeningafschriften die [A] als productie 3 bij de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie heeft overgelegd. Door herhaaldelijk de kredietlimiet op de ondernemingsrekening te overschrijden, heeft [A] in strijd gehandeld met de overeenkomst tussen partijen. Op de tweede pagina van de "Overeenkomst Starterspakket", die partijen op 28 november 2008 met elkaar hebben gesloten en welke overeenkomst de bank als productie 1 bij de dagvaarding heeft overgelegd, staat immers vermeld dat debetstanden op de ondernemingsrekening niet zijn toegestaan, hetgeen [A] ook expliciet heeft erkend in zijn voormelde conclusie. De kantonrechter overweegt dat de bank zowel ingevolge (artikel III-5.1 sub a van) de "Algemene Bepalingen voor Kredietverlening door ABN AMRO" van juli 2006, die volgens [A] op de kredietovereenkomst van toepassing zijn, als op grond van (artikel IV-4.1 sub a van) de "Algemene Bepalingen voor het OndernemersKrediet van ABN AMRO" van december 2009, die volgens de bank op de kredietovereenkomst van toepassing zijn, bevoegd is om het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de lening terstond en in zijn geheel tussentijds op te eisen, zonder dat enige sommatie of ingebrekestelling is vereist, indien de kredietnemer enige verplichting jegens haar uit hoofde van de kredietovereenkomst of uit welken anderen hoofde ook, niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt. Nu [A] overstanden op de ondernemingsrekening heeft laten ontstaan en hij hiermee de kredietovereenkomst niet (behoorlijk) is nagekomen, was de bank op grond van de contractuele verhouding tussen partijen in principe bevoegd om het krediet terstond en in zijn geheel op te eisen. De vordering van de bank is echter gebaseerd op de stelling dat de kredietovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. Dit kan echter niet uit de stukken worden opgemaakt. Immers, de bank heeft de vordering tot aanvulling van het debetsaldo ter incasso aan Solveon gegeven. Solveon heeft vervolgens, bij brief van 14 november 2011, de kredietovereenkomst opgezegd. Dat Solveon hiertoe bevoegd was is niet gebleken.

4.6. Indien niettegenstaande het voorgaande geoordeeld moet worden dat de overeenkomst wél is opgezegd, geldt dat dit als zijnde in strijd met de redelijkheid en billijkheid moet worden geacht. De omstandigheid dat een bank bevoegd is om een kredietovereenkomst op te zeggen laat onverlet dat een bank bij de uitoefening van die bevoegdheid, gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid, de nodige zorgvuldigheid in acht moet nemen en de gerechtvaardigde belangen van de cliënten in haar afweging om al dan niet tot opzegging over te gaan, moet betrekken (zie gerechtshof Leeuwarden 16 september 2008, LJN: BF0903). De bank heeft in verband met haar maatschappelijke functie tevens een bijzondere zorgplicht, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval (zie onder meer gerechtshof Arnhem 18 februari 2003,

JOR 2003, 267).

4.7. De kantonrechter acht in dit kader de volgende omstandigheden van belang. Uit de brieven die de bank als productie 4 bij de dagvaarding heeft overgelegd, volgt dat de bank (in ieder geval) in de periode van 29 januari 2011 tot 14 november 2011, zijnde het moment waarop het krediet is opgezegd, [A] er herhaaldelijk op heeft gewezen dat zijn rekening een niet toegestane debetstand had en dat de bank hem herhaaldelijk heeft verzocht om de debetstanden op zijn ondernemingsrekening aan te zuiveren. Tevens heeft de bank onweersproken gesteld dat zij meerdere malen telefonisch contact met [A] heeft gehad over de overschrijdingen van de kredietlimiet op de ondernemingsrekening. Echter, in geen enkele van de overgelegde brieven is te lezen dat opzegging van de kredietovereenkomst dreigt. Integendeel, de bank heeft weliswaar met maatregelen geschermd, maar niet met de ultieme sanctie van opzegging.

4.8. Voor zover partijen al afspraken zouden hebben gemaakt over het maandelijks storten van een minimum omzetbedrag op de rekening, zoals de bank heeft gesteld en [A] uitdrukkelijk heeft betwist, dan geldt ook ten aanzien hiervan dat de bank [A] niet heeft gewaarschuwd voor de opzegging van de kredietovereenkomst in het geval hij deze beweerde afspraak niet zou nakomen. De bank heeft [A] bij brief van 6 september 2011 enkel gewezen op de gevolgen voor het gebruiksgemak van de rekening, indien de binnenkomende creditomzet te laag zou blijven. Solveon heeft [A] bij brief van

4 oktober 2011, voor zover zij daartoe al gerechtigd zou zijn, vervolgens enkel gewaarschuwd dat de bank hem extra kosten in rekening zou brengen, indien hij wederom zou verzuimen zijn omzetverplichting na te komen, alsmede dat er een BKR-registratie zou gaan plaatsvinden.

4.9. Nu de bank de opzegging van de kredietovereenkomst aldus nimmer heeft aangekondigd aan [A], heeft de opzegging van de kredietovereenkomst - gelijk [A] heeft aangevoerd - naar het oordeel van de kantonrechter rauwelijks plaatsgevonden. De slotsom luidt dan ook dat het opzeggen van de kredietovereenkomst door de bank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is geweest en dat de bank in strijd met haar zorgplicht en onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld. Het nog niet afgeloste deel van de hoofdsom van de lening is dan ook niet ineens en volledig opeisbaar geworden, zodat de vordering van de bank tot veroordeling van [A] tot betaling van dit deel van de hoofdsom, vermeerderd met de contractuele rente ad 11,60% per jaar, zal worden afgewezen. Gelet op de afwijzing van de vordering in hoofdsom, zullen tevens de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

4.10. Met betrekking tot de gevorderde beslagkosten, overweegt de kantonrechter als volgt. De kosten van het beslag kunnen ingevolge artikel 706 Rv van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. De kantonrechter is van oordeel dat het beslag dat de bank heeft gelegd onrechtmatig was, nu dit beslag is gelegd ter zekerheid van verhaal van de vordering in hoofdsom en deze vordering in hoofdsom

- gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.9. is overwogen - zal worden afgewezen. De gevorderde beslagkosten zullen daarom tevens worden afgewezen.

4.11. De bank zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter zal het salaris gemachtigde berekenen volgens de "Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) en salarissen in rolzaken kanton". In de door [A] aangevoerde gronden ziet de kantonrechter geen aanleiding om van deze staffel af te wijken. De kosten aan de zijde van [A] worden tot op heden dan ook vastgesteld op

€ 800,00 (2 punten keer € 400,00) aan salaris gemachtigde.

4.12. De bank zal - overeenkomstig de vordering van [A] - tevens worden veroordeeld in de nakosten. De kantonrechter zal de nakosten forfaitair begroten op een bedrag van

€ 100,00.

4.13. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, waaronder de nakosten, zal eveneens worden toegewezen, omdat de bank daartegen geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 10 dagen na de datum van dit vonnis.

in reconventie

4.14. Nu de kantonrechter in conventie heeft geoordeeld dat de opzegging van de kredietovereenkomst onrechtmatig is geweest, zal de door [A] gevorderde verklaring voor recht dat de opzegging van de kredietovereenkomst onrechtmatig is geweest, worden toegewezen.

4.15. Gelet op de afwijzing van de in conventie gevorderde hoofdsom en rente, heeft [A] naar het oordeel van de kantonrechter geen afzonderlijk belang bij een verklaring voor recht dat hij uit hoofde van de kredietovereenkomst slechts € 20.766,87, althans een ander bedrag, verschuldigd is aan de bank en dat hij vanaf 5 november 2011 of vanaf een andere datum tot aan de dag van dit vonnis geen rente is verschuldigd over de hoofdsom.

4.16. [A] heeft tevens opheffing van de door de bank gelegde beslagen gevorderd. Gelet op hetgeen in conventie in rechtsoverweging 4.10. is overwogen, zal deze vordering worden toegwezen.

4.17. [A] heeft daarnaast gevorderd dat de bank - op straffe van verbeurte van dwangsommen - wordt verboden om verdere beslagen te leggen. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen, nu op voorhand niet valt uit te sluiten dat nieuwe omstandigheden een hernieuwd beslag rechtvaardigen. Het ligt dan echter wel op de weg van de bank om dergelijke nieuwe omstandigheden te stellen in een verzoekschrift tot beslagverlof.

4.18. [A] heeft voorts gevorderd dat de bank - op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel - zal bewerkstelligen dat het Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) de A-codering ten laste van [A] verwijdert, op een zodanige wijze dat voor derden niet kenbaar is dat er een BKR-registratie heeft plaatsgehad. [A] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat in de kredietovereenkomst is bepaald dat een BKR-registratie pas hoeft te volgen als de kredietnemer een betalingsachterstand van meer dan 70 dagen heeft. Nu er sinds het verzenden van het rekeningoverzicht op 31 oktober 2011 en de aanzegging van de BKR-codering op 28 november 2011 slechts een periode van 28 dagen is gelegen, is de melding bij het BKR naar de mening van [A] ten onrechte en onrechtmatig verricht. [A] heeft gesteld schade te ondervinden van de BKR-codering, omdat het hierdoor voor hem nagenoeg onmogelijk is geworden om leningen aan te gaan of abonnementen af te sluiten.

4.19. De bank heeft ten verwere aangevoerd dat de bank de kredietovereenkomst op juiste gronden heeft opgezegd en dat er daarom terecht een BKR-registratie tot stand is gekomen.

Volgens de bank was [A] al in maart 2011 in verzuim met het storten van de afgesproken bedrijfsomzet en heeft hij daarom voldoende tijd gehad om de registratie bij het BKR te voorkomen. De hoogte van de gevorderde dwangsom is volgens de bank geenszins onderbouwd en disproportioneel hoog.

4.20. Nu de kantonrechter in conventie heeft geoordeeld dat de opzegging van de kredietovereenkomst onrechtmatig is geweest, rechtvaardigt deze opzegging niet een BKR-registratie aan de zijde van [A]. De kantonrechter stelt vast dat in het onder rechtsoverweging 2.3. deels geciteerde informatieblad wordt bepaald dat de bank betalingsachterstanden van meer dan 70 dagen zal melden aan het BKR. De kantonrechter is van oordeel dat de bank de stelling van [A], kort gezegd inhoudende dat er voorafgaand aan de BKR-melding niet een betalingsachterstand van meer dan 70 dagen heeft bestaan, niet dan wel onvoldoende onderbouwd weersproken. De bank heeft enkel aangevoerd dat [A] al in maart 2011 in verzuim met het storten van de afgesproken bedrijfsomzet. Indien en voor zover partijen al de maandelijkse storting van een minimumbedrag aan bedrijfsomzet zijn overeengekomen, hetgeen [A] uitdrukkelijk heeft betwist, dan heeft de bank naar het oordeel van de kantonrechter niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat [A] al in maart 2011 in verzuim was met de nakoming van deze afspraak. De bank heeft immers aangevoerd dat deze omzetafspraak pas op 22 maart 2011 is gemaakt en dat zij [A] bij brief van

23 maart 2011, waarvan de ontvangst door [A] wordt betwist, uitstel heeft verleend om de omzet op orde te krijgen. Gelet op de inhoud van deze brief, slaagt het verweer van de bank dat [A] reeds in maart 2011 in verzuim was met de nakoming van de omzetafspraken, niet. Voor het overige heeft de bank niets aangevoerd, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er wel 70 dagen zijn verstreken sinds de laatste betalingsachterstand en de dag van de BKR-melding (28 november 2011). De kantonrechter is daarom van oordeel dat de bank ten onrechte een betalingsachterstand aan de zijde van [A] bij het BKR heeft gemeld. De bank zal dan ook worden gelast om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis te bewerkstelligen dat het BKR de A-codering van [A] verwijdert, op een zodanige wijze dat voor derden niet kenbaar is dat er een BKR-registratie heeft plaatsgehad. De kantonrechter zal de door [A] gevorderde dwangsomveroordeling tevens toewijzen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot een bedrag van

€ 10.000,-. Dat de hoogte van de gevorderde dwangsom (ad € 500,-) disproportioneel zou zijn, acht de voorzieningenrechter niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

4.21. De bank zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kantonrechter zal het salaris gemachtigde berekenen volgens de "Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) en salarissen in rolzaken kanton". In de door [A] aangevoerde gronden ziet de kantonrechter geen aanleiding om van deze staffel af te wijken. De kosten worden aan de zijde van [A] tot op heden dan ook vastgesteld op

€ 400,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 400,00 x factor 0,5). De kantonrechter hanteert de vermenigvuldigingsfactor 0,5, nu de vorderingen in reconventie samenhangen met de verweren die in conventie zijn gevoerd.

4.22. De bank zal - overeenkomstig de vordering van [A] - tevens worden veroordeeld in de nakosten. De kantonrechter zal de nakosten forfaitair begroten op een bedrag van

€ 100,00.

4.23. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, waaronder de nakosten, zal eveneens worden toegewezen, omdat de bank daartegen geen verweer heeft gevoerd. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 10 dagen na de datum van dit vonnis.

5. De beslissing

De kantonrechter,

in conventie

5.1. wijst de vorderingen van de bank af;

5.2. veroordeelt de bank in de proceskosten van [A], tot op heden vastgesteld op

€ 800,00 aan salaris gemachtigde;

5.3. veroordeelt de bank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00;

5.4. veroordeelt de bank tot het betalen van de wettelijke rente over de (onder rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3. genoemde) kosten, indien niet binnen tien dagen na dit vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden;

5.5. verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen onder rechtsoverwegingen 5.2., 5.3. en 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.6. verklaart voor recht dat de opzegging van de kredietovereenkomst op 14 november 2011 door de bank onrechtmatig is geweest;

5.7. heft op de op 13 juli 2012 ten laste van [A] door de bank gelegde beslagen op

een woning, staande en gelegen aan de [kadastrale gegevens];

5.8. gelast dat de bank binnen 72 uur na betekening van dit vonnis zal bewerkstelligen dat het BKR de A-codering van [A] verwijdert, niet door een H-codering, maar op zodanige wijze dat voor derden niet kenbaar is dat er een BKR-registratie heeft plaatsgehad;

5.9. bepaalt dat de bank aan [A] een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij in strijd handelt met de beslissing onder rechtsoverweging 5.8., tot een maximum van € 10.000,00 aan verbeurde dwangsommen is bereikt;

5.10. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden vastgesteld op € 400,00;

5.11. veroordeelt de bank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00;

5.12. veroordeelt de bank tot het betalen van de wettelijke rente over de (onder rechtsoverwegingen 5.10. en 5.11. genoemde) kosten, indien niet binnen tien dagen na dit vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden;

5.13. verklaart dit vonnis ten aanzien van de beslissingen in rechtsoverwegingen 5.7 tot en met 5.12. uitvoerbaar bij voorraad;

5.14. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 265