Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA3921

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
393137
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming koopovereenkomst. Afgebroken onderhandelingen. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Heerenveen

zaak-/rolnummer: 393137 \ CV EXPL 12-2211

vonnis van de kantonrechter d.d. 15 mei 2013

inzake

[A], h.o.d.n. [B],

zaakdoende te [vestigingsplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. J. Werle, advocaat te Leeuwarden,

tegen

1. [C],

wonende te [woonplaats],

2. [D],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

gemachtigde: mr. B.P. van der Togt, advocaat te Drachten.

Partijen zullen hierna "[B]" en "[E]" worden genoemd.

Procesverloop

1.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 oktober 2012

- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 februari 2013

- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 april 2013

- de brief van de gemachtigde van [B] d.d. 8 april 2013, waarin wordt medegedeeld dat [B] afziet van het nemen van een conclusie na getuigenverhoor.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Motivering

De verdere beoordeling van het geschil

2.1. De inhoud van voornoemd tussenvonnis dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

2.2. Bij meergenoemd tussenvonnis is [B] toegelaten te bewijzen, dat er tussen partijen op 2 december 2011 een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de keuken die is genoemd in de nadien door [B] opgestelde opdrachtbevestiging, gedateerd 15 december 2011.

2.3. [B] heeft in enquête als getuigen doen horen zijn exploitant [A], de bij [B] werkzame verkoper [F], de bij [G] te [vestigingsplaats] werkzame tekenaar/werkvoorbereider [H] en de verkoper/binnenhuisdesigner [I].

2.4. [E] hebben in contra-enquête zichzelf als getuigen doen horen.

in enquête

De getuige [A] heeft onder meer verklaard:

"Ik ben de eisende partij in deze procedure. Ik ben hier al eerder geweest. Dat was op 26 september 2012 bij de comparitie van partijen. Ik heb toen een verklaring overgelegd. Deze verklaring is weergegeven in het proces-verbaal van de comparitie. Ik heb deze verklaring doorgelezen. Deze verklaring is juist. Ik blijf bij de inhoud daarvan en ik heb daaraan niets toe te voegen. Ik weet dat mijn verkoper [F] driemaal heeft gesproken met de heer en mevrouw [E]. Bij deze gesprekken ben ik zelf niet aanwezig geweest., althans heb ik niet aan deze gesprekken deelgenomen. Wel was ik op de zaak aanwezig toen het derde gesprek van [F] met de heer en mevrouw [E] plaatsvond. (…) Ik heb [F] horen zeggen, dat was aan het einde van het gesprek, dat hij het verder uit zou werken. Ik heb de heer [C] horen vragen of een aanbetaling gedaan moest worden waarop [F] heeft geantwoord dat de aanbetaling 15% was. (…) Mijn beleving van het gesprek van [F] met de heer en mevrouw [E] op 2 december 2011 was zo dat ik de indruk had dat de kogel door de kerk was. Op de mededeling van [F] dat een afbetaling van 15% gedaan moest worden heb ik [C] horen zeggen dat het akkoord was. (…)"

De getuige [F] heeft onder meer verklaard:

"Ik ben sinds ongeveer 6 jaar in dienst van [A] als verkoper. Ik ben in deze zaak al eerder hier op de rechtbank geweest. Dat was op de comparitie van partijen op 26 september 2012. Ik heb toen een verklaring afgelegd en deze is weergegeven in het daarvan opgemaakte proces-verbaal. Ik heb deze verklaring gelezen en deze is juist. Ik blijf daarbij. Ik heb daaraan geen toevoegingen. Verder is het zo dat ik op eigen initiatief een verslag heb opgesteld van mijn belevenissen in deze kwestie. Dat is een verslag van 3 januari 2012 waarvan u zegt dat het als productie 10 bij de inleidende dagvaarding is gevoegd. Dit verslag is juist. Ik blijf bij de inhoud daarvan en ik heb daaraan geen toevoegingen. Over de gebeurtenissen kan ik in aanvulling daarop het volgende vertellen. Ik heb een drietal gesprekken gehad met de heer en mevrouw [E]. In het eerste gesprek hebben we gesproken over het voorlopig ontwerp van de keuken. In het tweede gesprek is het definitieve ontwerp besproken alsmede de prijsstelling van de keuken. Er bleven toen nog wat kleine punten over en die zijn aan de orde geweest in het laatste gesprek dat op 2 december 2011 plaatsvond. Ik heb toen samen met de heer en mevrouw [E] de hele keuken nog eens doorgesproken en zij hebben toen gekozen voor de apparatuur die ik hen had geadviseerd. Ik heb toen de totaalprijs van de keuken genoemd van 43.250 euro. Dit bedrag week niet veel af van de prijs die in het vorige gesprek al aan de orde was geweest. De heer en mevrouw [E] hebben aangegeven dat zij het eens waren met de keuken, de apparatuur en de door mij genoemde totaalprijs. Vervolgens is over de betalingsvoorwaarden gesproken. Ik heb hen toen gezegd dat zij een aanbetaling van 15% moesten doen en dat vonden zij goed. Verder is besproken dat de levering van de keuken in week 9 van 2012 zou moeten plaatsvinden. Toen alles duidelijk was hebben we elkaar de hand geschud en het vertrouwen in elkaar uitgesproken. Dat was niet een handdruk die als groet moet worden beschouwd, maar als een bevestiging van de koop van de keuken. Wij zijn toen uit elkaar gegaan met de afspraak dat ik de definitieve tekening van [G] zou afwachten in verband met de kolompositie en dat zodra ik die zou ontvangen ik hen de opdrachtbevestiging betreffende de keuken zou toesturen. Zij waren het daarmee eens. (…) Op vragen van mr. Van der Togt antwoord ik dat de bij dagvaarding overgelegde productie 3, de offerte, niet voor het gesprek van 2 december 2011 aan de heer en mevrouw [E] is toegezonden. Zij kenden deze offerte dus niet."

De getuige [H] heeft onder meer verklaard:

"(…) Betreffende de woning van de heer en mevrouw [E] heb ik het bouwplan gemaakt. Het betrof de verbouwing van hun woning. Ik herinner mij dat ik in deze periode enige tijd, ik schat twee à drie weken, heb samengewerkt met de heer [F] van [B]. Hij wilde gegevens over de maatvoering van een kolom die in de plaats kwam van een dragende muur die verwijderd werd in het kader van de verbouwing. Onze contacten hebben met name bestaan uit het heen en weer sturen van een aantal tekeningen. Ik heb begrepen dat het niet tot zaken is gekomen tussen [B] en de heer en mevrouw [E] omdat zij geen gebruik hebben gemaakt van de offerte van [B]. (…)"

De getuige [I] heeft onder meer verklaard:

"De familie [E] is destijds bij mij geweest in verband met het maken van een ontwerp voor de verbouwing van hun woning en het plaatsen van een nieuwe keuken. Ik heb toen in verband met de nieuwe keuken contact gelegd met [B] en ik ben de eerste keer met de familie [E] mee geweest naar [B] om over een nieuwe keuken te praten. (…) Na dat eerste gesprek zijn er volgende gesprekken geweest tussen [B] en de familie [E] waarbij ik niet meer aanwezig ben geweest. Na enige tijd zijn de heer en mevrouw [E] bij mij in de showroom geweest nadat zij eerder bij [B] waren geweest. De heer en mevrouw [E] hebben toen aangegeven dat ze goede gesprekken hadden gehad met [B] en dat de contacten goed waren verlopen. Ze hadden een keuken uitgekozen bij [B] en vervolgens hebben wij besproken wat ik voor hen zou kunnen betekenen. Zij hebben toen tegels en sanitair bij mij uitgezocht en ik heb de prijzen genoemd. Afgesproken is dat ik hen daarvoor de orderbevestiging zou sturen. Vervolgens heb ik de orderbevestiging aan de heer en mevrouw [E] toegestuurd. Enige tijd daarna vertelde mevrouw [D] mij dat zij aan het twijfelen waren en dat zij bedenktijd wilde. Ik heb daarin toegestemd. (…) In de periode dat de familie [E] mij had gezegd bedenktijd te willen heb ik ook contact gehad met [A]. Ook van hem begreep ik dat de familie [E] bedenktijd wilde over de keuken. (…)"

in contra-enquête

De getuige [D] heeft onder meer verklaard:

"Ik ben samen met mijn echtgenoot gedaagde in de onderhavige procedure. Ik was ter comparitie op 26 september 2012 samen met mijn man aanwezig. Wij hebben toen een verklaring afgelegd die is weergegeven in het van de comparitie opgemaakte proces-verbaal. Ik heb de verklaringen van mijn man en mij die daarin zijn weergegeven recent nog eens doorgelezen. Ik blijf daarbij. deze verklaringen zijn juist en ik heb daaraan niets toe te voegen.

U leest mij voor hetgeen op 5 februari jl. door de getuige [F] is verklaard, althans voor zover het de gebeurtenissen op 2 december 2011 betreft. Ik ben het niet eens met hetgeen [F] toen heeft verklaard. Het is onjuist dat wij tijdens het gesprek handen hebben geschud en het vertrouwen in elkaar hebben uitgesproken. Onjuist is ook dat wij het eens zouden zijn geworden over de aankoop van een keuken. Op 2 december hebben we gesproken met [F] over de indeling van de keuken en over de vraag welke apparaten daarin moesten worden opgenomen, Daarbij is gesproken over apparatuur van AEG. Een definitieve keuze voor de keuken is toen niet gemaakt. Dat kon ook niet omdat nog niet bekend was waar precies een draagmuur in de keuken zou komen. De indeling van de keuken was daarom op dat moment nog onduidelijk. Ook was toen nog niet bekend wat de lengte van het kookeiland zou worden. Dat was weer afhankelijk van de situering van de draagmuur. Van de kant van [F] is een bedrag genoemd voor de keuken. Dat was een bedrag van ongeveer € 43.000,-. Dat was niet de overeengekomen prijs voor de keuken. Ook moest [F] nog bij ons thuis komen om de keuken in te meten en hij moest zich nog uitlaten over de waarde van de door ons in te ruilen bestaande keuken. Het gesprek is op 2 december zo geëindigd dat [F] het zo spoedig mogelijk zou gaan uitwerken en ons zou toesturen. Wij verwachtten op grond hiervan een uitgewerkte offerte van [F] te ontvangen die we konden vergelijken met een andere offerte die we hadden aangevraagd. We zijn vervolgens vertrokken en bij het weggaan hebben we bij wijze van groet handen geschud.

Op een vraag van mr. Van der Togt antwoord ik: dat het gesprek op 2 december is gevoerd tussen mijn man, ikzelf en [F]. Achterin de zaak was nog iemand anders aanwezig van wie later bleek dat het [A] was. (…)"

De getuige [C] heeft onder meer verklaard:

"Ik ben 1 van de 2 gedaagde partijen in deze zaak. Samen met mijn vrouw was ik op 26 september 2012 ter comparitie aanwezig. Wij hebben toen allebei een verklaring afgelegd. Ik heb deze verklaringen nog eens doorgelezen ter voorbereiding op dit verhoor. Ik blijf bij de inhoud daarvan en heb daaraan niets toe te voegen.

U leest mij de verklaring voor die [F] eerder heeft afgelegd als getuige, althans waar het de gebeurtenissen op 2 december 2011 betreft. Op een aantal punten is de verklaring volgens mij onjuist. Op 25 november hadden wij het voorlaatste gesprek met [F] en toen heeft hij ons een eerste prijsindicatie voor de keuken gegeven. Wij hadden toen nog niets op papier. Op 2 december hadden we nog steeds niets op papier. Wel beschikte [F] over een stuk met als datum 22 november. Deze datum heeft hij tijdens het gesprek gewijzigd in 2 december. Op 2 december hebben wij met [F] met name gesproken over de apparatuur. Hoe de keuken er definitief uit zou gaan zien konden we toen nog niet bepalen omdat nog onduidelijk was hoe een draagbalk zou worden uitgevoerd. De keuken moest daarin deels worden verwerkt. [F] was op 2 december nog niet in onze woning wezen kijken. Op 25 november was aan de orde geweest de vraag of wij onze bestaande keuken konden inruilen bij [F]. In ieder geval heeft hij 2 december geen inruilprijs genoemd. Wij hebben op 2 december niet ingestemd met de aankoop van de keuken en met het door [F] genoemde bedrag. Wij hebben dat voor kennisgeving aangenomen. Wij zijn ervan uitgegaan dat we eerst een schriftelijke offerte van [F] zouden ontvangen die we dan vervolgens zouden kunnen bestuderen en vergelijken met een andere offerte. Er is in die zin over betalingsvoorwaarden gesproken dat wij [F] de vraag hebben voorgelegd dat als we bij hem een keuken zouden kopen of er dan een aanbetaling door ons zou moeten worden gedaan. Deze vraag is toen door [F] bevestigend beantwoord met de mededeling dat er 15% zou moeten worden aanbetaald. Bij het vertrek hebben wij handen geschud. Dit was ten teken van afscheid. Er is geen vertrouwen uitgesproken in elkaar.

Op een vraag van mr. Van der Togt antwoord ik: dat we op 2 december met zijn 3-en hebben gesproken: [F], mijn vrouw en ik. In de verte zag ik nog wel iemand anders zitten. Later bleek dat [A] te zijn. (…)"

2.5. De kantonrechter is van oordeel dat [B] niet is geslaagd in het door hem te leveren bewijs. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.5.1. Vooropgesteld wordt dat, wil er sprake zijn van de door [B] gestelde totstandkoming van een koopovereenkomst tussen partijen betreffende een keuken (als genoemd in de opdrachtbevestiging van 15 december 2011), partijen ten minste overeenstemming dienen te hebben bereikt over de essentialia van een dergelijke koopovereenkomst, zijnde het object van de koop en de verplichting van de koper om daarvoor een prijs in geld te betalen (artikel 7:1 BW). In dit geval is overigens sprake van een bijzondere vorm van koop, namelijk een consumentenkoop, zoals bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW.

2.5.2. Bij het gesprek op 2 december 2011, waarin volgens [B] tussen partijen een koopovereenkomst zou zijn gesloten, waren drie personen aanwezig, [C] en [D], alsmede de bij [B] werkzame verkoper [F]. Bij de waardering van het bewijs zijn de door hen als getuigen afgelegde verklaringen dan ook van groot belang. De verklaring van getuige [F] komt er - kort samengevat - op neer, dat partijen op 2 december 2011 overeenstemming hebben bereikt over het koopobject, de precieze koopprijs en over de betalingsvoorwaarden. Deze verklaring wordt echter uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken door de vrijwel eensluidende verklaringen van de getuigen [C] en [D]. Volgens de verklaringen van deze twee getuigen was er op 2 december 2011 nog geen sprake van overeenstemming over het koopobject als zodanig. Er is toen, aldus [C] en [D], vooral gesproken over de apparatuur die zij in de keuken wensten, de indeling van de keuken stond nog niet vast (er moest nog een draagmuur in de keuken worden gesitueerd) en [F] had de woning van [E] nog niet in ogenschouw genomen voor het opmeten van de ruimte. Ook was er in dit gesprek, aldus nog steeds [C] en [D], geen overeenstemming over de betalingsverplichting van [E], omdat de kwestie van de inruil van de bestaande keuken nog niet met [B] was geregeld. Op basis van de verklaringen van voormelde getuigen is het bestaan van de door [B] gestelde koopovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. De getuigenverklaring van [F] wordt naar het oordeel van de kantonrechter voorts niet (voldoende) ondersteund door de verklaringen van de andere getuigen. Getuige [A] was weliswaar op 2 december 2011 in het pand van [B] aanwezig, maar het gesprek heeft hij niet bijgewoond. Hij kan dus niet uit eigen waarneming verklaren wat er toen is besproken. Hij heeft - blijkens zijn verklaring - [E] alleen horen zeggen dat de door [F] genoemde aanbetaling van 15% geen probleem was. Dat is onvoldoende om, gevoegd bij de verklaring van [F], (alsnog) tot het bestaan van de gestelde koopovereenkomst te kunnen concluderen. Het is vooral, zoals [A] zelf stelt, zijn beleving geweest dat er sprake was van een koopovereenkomst. Getuige [H] weet niets te verklaren omtrent de inhoud van het gesprek tussen [B] en [E], zodat aan zijn getuigenverklaring in zoverre voorbij kan worden gegaan. Ook getuige [I] was niet bij het gesprek op 2 december 2011 aanwezig. Uit haar verklaring kan ook niet worden afgeleid dat [E] expliciet tegenover haar hebben verklaard dat er sprake was van een koopovereenkomst met [B] . Indien, zoals [B] stelt, in het gesprek van 2 december 2011 overeenstemming over de koop van de keuken zou zijn bereikt, had het naar het oordeel van de kantonrechter ook alleszins voor de hand gelegen dat [E] daartoe enigerlei document zouden hebben ondertekend.

2.5.3. Nu niet is komen vast te staan dat er op 2 december 2011 een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot de keuken die is genoemd in de opdrachtbevestiging van [B] van 15 december 2011, hadden [E] geen betalingsverplichting uit dien hoofde jegens [B] en, in het verlengde daarvan, kan er geen sprake zijn van verzuim ter zake. De hierop door [B] gegronde buitengerechtelijke ontbinding heeft dan ook geen doel kunnen treffen. De primaire grondslag van het gevorderde faalt.

2.6. [B] heeft zijn vordering tot schadevergoeding subsidiair gegrond op de stelling dat [E] schadeplichtig jegens hem zijn, nu zij de onderhandelingen over de aankoop van de keuken - na het gesprek van 2 december 2011 - op onrechtmatige wijze hebben afgebroken. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.

2.6.1. Als maatstaf voor de beoordeling van een schadevergoedingsverplichting bij afgebroken onderhandelingen geldt dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn om elkaars gedrag mede door elkaars belangen te laten bepalen - vrij is om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de nadere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij (zie HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 en HR 1 maart 2013, NJ 2013, 142).

2.6.2. In dit geval staat vast dat er tussen partijen besprekingen zijn gevoerd over de mogelijke aankoop door [E] van een door [B] te leveren keuken. Tevens staat vast dat [E] deze besprekingen c.q. onderhandelingen na de derde bespreking hebben stopgezet. Dat stond [E] naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel vrij. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat [B] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het tot stand komen van een koopovereenkomst met [E]. Daartoe is allereerst redengevend dat, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, de door [B] gestelde inhoud van het gesprek van 2 december 2011 niet is komen vast te staan. Wat wel vast staat is dat partijen drie keer ten kantore van [B] hebben gesproken over de aankoop van een keuken, hetgeen bij een consumentenkoop met een relatief hoge prijs als de onderhavige naar het oordeel van de kantonrechter niet als ongewoon kan worden beschouwd. De gebruikelijke gang van zaken bij de aankoop van een keuken is daarenboven in de regel dat de klant een offerte van de verkoper toegezonden krijgt, althans dat de klant bij overhandiging van de offerte door de verkoper enige bedenktijd wordt gegund om met de offerte akkoord te gaan. In dit geval is de offerte pas in het derde gesprek op tafel gekomen, en was deze daarvoor nog niet bij [E] bekend, zo volgt uit de getuigenverklaringen van [F] en [C]. Bovendien is deze offerte (productie 3 bij dagvaarding) een document dat eerder op 22 november 2011 was gedateerd en waarop [F] later de datum van het gesprek van 2 december 2011 heeft genoteerd. Dat in de loop van de besprekingen aannemer [G] en binnenhuisarchitecte [I] zijn ingeschakeld, wijst er evenmin op dat [B] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het bestaan van een koopovereenkomst. De betrokkenheid van [G] en [I] bij de mogelijke aankoop van een keuken moet naar het oordeel van de kantonrechter met name worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat zij reeds betrokken waren bij de verbouwing van de woning, waaronder ook de keuken viel. Op grond van het voorgaande kan evenmin worden geoordeeld dat het afbreken van de onderhandelingen in verband met de nadere omstandigheden van het geval onrechtmatig is.

2.6.3. De conclusie moet zijn dat van onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen over de koop van een keuken geen sprake is geweest. Derhalve faalt ook de subsidiaire grondslag voor de vordering tot schadevergoeding. Enige andere juridische grondslag voor vergoeding van geleden schade is door [B] niet aangevoerd.

2.7. De vorderingen van [B] tegen [E] zullen worden afgewezen.

2.8. [B] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [E] vastgesteld op € 1.400,00

(3,5 punten x € 400,00) aan salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

3.1. wijst de vorderingen van [B] af;

3.2. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [E] vastgesteld op € 1.400,00.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 119