Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA3025

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 13/28
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

bijstand - maatregel wegens verwijtbare werkloosheid - maatregel WW niet gecompenseerd - verweerder heeft ten onrechte de volledige inkomsten uit de WW-uitkering afgetrokken die verzoeker zou hebben ontvangen als geen verlaging zou zijn toegepast - verweerder had moeten uitgaan van het feitelijk aanwezige netto inkomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 13/28

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2013 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers], te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: dr. mr. E. Tahitu, advocaat te Amsterdam),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongeradeel, verweerder

(gemachtigde: J. Dijkstra, werkzaam bij de gemeente Dongeradeel).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers met ingang van 1 oktober 2012 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft verweerder de bijstand bij wijze van maatregel gedurende één maand met € 194,20 verlaagd.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. [verzoekster] was werkzaam bij PostNL. Op 12 oktober 2012 is zij op staande voet ontslagen. Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv) vastgesteld dat [verzoekster] met ingang van 12 oktober 2012 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat deze niet wordt uitbetaald op de grond dat zij verwijtbaar werkloos is geworden.

3. Bij besluit van 22 oktober 2012 heeft het Uwv de WW-uitkering van [verzoeker] met ingang van 15 oktober 2012 voor de duur van vier maanden met 15% verlaagd op de grond dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 16 oktober 2012 onvoldoende heeft gesolliciteerd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers met ingang van 1 oktober 2012 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft verweerder de bijstand bij wijze van maatregel gedurende één maand met € 194,20 verlaagd op de grond dat [verzoekster] verwijtbaar werkloos is geworden. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit bepaald dat de door het Uwv op de WW-uitkering van [verzoeker] toegepaste verlaging niet wordt gecompenseerd middels de WWB-uitkering en dat bij de berekening van de WWB-uitkering wordt uitgegaan van de volledige inkomsten uit de WW-uitkering die [verzoeker] zou hebben gehad als daarop geen verlaging zou zijn toegepast.

5. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de bijstand bij wijze van maatregel heeft verlaagd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het ontslag is aangevochten en nog niet vaststaat dat [verzoekster] verwijtbaar werkloos is geworden. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd dat hij ervoor zal zorgen dat het bedrag van € 194,20 nog in week 4 van 2013 voorlopig aan verzoekers zal worden uitbetaald in afwachting van de uitkomst van de ontslagprocedure. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat (de gemachtigde van) verweerder gevolg zal geven aan deze toezegging. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over de opgelegde maatregel, noch om ten aanzien daarvan een voorlopige voorziening te treffen.

6. Verder hebben verzoekers zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte uitgaat van de volledige inkomsten uit de WW-uitkering die [verzoeker] zou hebben gehad als er geen verlaging zou zijn toegepast. Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij hierdoor dubbel worden gestraft.

7. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de WWB is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

Op grond van artikel 31, eerste lid, worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze socialezekerheidsuitkeringen betreffen.

8. Uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56) blijkt dat het op het moment van bijstandsverlening feitelijk aanwezige netto inkomen het uitgangspunt vormt voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder in dit geval bij het vaststellen van de hoogte van de bijstand van verzoekers diende uit te gaan van het bedrag aan WW-uitkering dat zij daadwerkelijk netto ontvingen. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten uit te gaan van de volledige inkomsten uit de WW-uitkering die [verzoeker] zou hebben gehad als er geen verlaging zou zijn toegepast. Indien verweerder van mening was dat de door het Uwv opgelegde verlaging (gedeeltelijk) diende door te werken in de hoogte van de bijstand, had verweerder ervoor kunnen kiezen zelf met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Maatregelenverordening WWB Dongeradeel een maatregel op te leggen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder daar niet voor gekozen.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het besluit op bezwaar niet alsnog een dergelijke maatregel kan opleggen. Een dergelijk besluit op bezwaar kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden beschouwd als resultaat van de heroverweging van het bestreden besluit, omdat het op een andere grondslag berust en andere rechtsgevolgen heeft. Daarom kan een maatregel naar het oordeel van de voorzieningenrechter enkel worden opgelegd door middel van het nemen van een nieuw primair besluit.

10. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het hiervoor geconstateerde gebrek in bezwaar niet kan worden hersteld. Dit brengt hem verder tot het voorlopige oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak op dit punt niet in stand zal kunnen blijven. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat (a.) het bestreden besluit wordt geschorst voor zover daarin is bepaald dat bij de berekening van de WWB-uitkering wordt uitgegaan van de volledige inkomsten uit de WW-uitkering die [verzoeker] zou hebben gehad als daarop geen verlaging zou zijn toegepast en (b.) verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering van verzoekers uitgaat van het bedrag aan WW-uitkering dat verzoekers daadwerkelijk netto ontvangen. Deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van het besluit op het bezwaarschrift van 13 december 2012 tegen het bestreden besluit van 11 december 2012, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de thans getroffen voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat bij de berekening van de WWB-uitkering wordt uitgegaan van de volledige inkomsten uit de WW-uitkering die [verzoeker] zou hebben gehad als er geen verlaging op zou zijn toegepast;

- bepaalt dat verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering van verzoekers uitgaat van het bedrag aan WW-uitkering dat verzoekers daadwerkelijk netto ontvangen;

- bepaalt dat de voormelde voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de thans getroffen voorlopige voorziening doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.

w.g. voorzieningenrechter

w.g. griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.