Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA3006

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
C/17/119165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Krediet, belegging, advies, zorgplicht bank.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/1116
JOR 2013/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/119165 / HA ZA 12-107

Vonnis van 12 juni 2013

in de zaak van

1. [X],

wonende te [plaats],

2. [Y],

wonende [plaats],

eisers,

procederende met toevoeging,

advocaat: mr. A. Kroondijk te Wolvega,

tegen

de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde,

procesadvocaat: mr. R.S. van der Spek te Leeuwarden,

behandelend advocaat: mr. F.M.A. 't Hart te Amsterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk "[X]" en "[Y]" en gezamenlijk "[X] c.s." worden genoemd. Gedaagde zal hierna "Friesland Bank" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het proces-verbaal van comparitie d.d. 22 november 2012

- de brief van de advocaat van Friesland Bank d.d. 10 december 2012.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald. De zaak is op de voet van artikel 15 lid 2 Rv ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer voor handelszaken. De rechter ten overstaan van wie de comparitie heeft plaatsgevonden, maakt deel uit van deze kamer.

1.3. De wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

2. De feiten

2.1. [X] is werkzaam geweest als ZZP-er in de bouwwereld. Hij exploiteerde een onderneming in gipswanden, genaamd [Z], aanvankelijk samen met zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is getrouwd, in de vorm van een vennootschap onder firma en later, vanaf 1 januari 2001, in de vorm van een eenmanszaak.

2.2. [X] is vanaf de jaren '90 klant van Friesland Bank geweest. [X] heeft sindsdien zowel privé als zakelijk verschillende diensten van Friesland Bank afgenomen. Ook was [X] klant bij andere banken, zoals de Rabobank en Bank Bercoop. [X] heeft belegd in verschillende beleggingsproducten, waaronder aandelen, scheepvaartparticipaties en vastgoedparticipaties. In de jaren '90 heeft [X] zijn beleggingen onder meer door middel van tussenkomst van Friesland Bank gedaan. Een geschil tussen [X] en Friesland Bank over de dienstverlening van Friesland Bank heeft toen geleid tot een einde aan de relatie tussen partijen. Het geschil is voorgelegd aan de toenmalige Klachtencommissie DSI, die Friesland Bank in het gelijk heeft gesteld.

2.3. [X] heeft op 25 maart 1999 een kredietaanvraag bij Friesland Bank gedaan. Uit de aan deze kredietaanvraag ten grondslag gelegde cijfers volgt een netto winst uit onderneming in 1996 van NLG 152.000,-, in 1997 van NLG 183.000,- en in het eerste half jaar van 1998 van NLG 125.000,-. Deze aanvraag heeft niet geleid tot een kredietverstrekking.

2.4. [X] heeft in januari 2000 een hypotheekaanvraag bij Friesland Bank ingediend voor de nieuwbouw van een villa op een hem in eigendom toebehorend perceel grond aan het adres [adres]. Uit de aan deze aanvraag ten grondslag liggende financiële gegevens volgt een netto winst uit onderneming in 1998 van NLG 160.000,- en in het eerste halfjaar van 1999 van NLG 88.000,-. Voorts werd in deze gegevens een waarde van het effectendepot van NLG 640.000,- genoemd. Friesland Bank wenste uiteindelijk geen zaken met [X] te doen vanwege de procedure tussen partijen bij de Klachtencommissie DSI. [X] heeft daarop een hypotheekaanvraag bij Rabobank ingediend. Rabobank heeft aan [X] vervolgens een hypothecair krediet verstrekt.

2.5. Vanwege ontevredenheid over de dienstverlening door Rabobank heeft [X] in de loop van 2001 geïnformeerd naar de mogelijkheid om terug te keren naar Friesland Bank. Friesland Bank heeft daarmee ingestemd. De hypothecaire geldlening en het effectendepot die [X] aanhield bij Rabobank zijn overgeboekt naar c.q. zijn hergefinancierd door Friesland Bank, waarbij de hypothecaire hoofdsom is verhoogd met een bedrag van ongeveer € 120.000,-.

2.6. In opdracht van [X] c.s., ten behoeve van het verstrekken van inzicht aan Friesland Bank in de waarde van de woning van [X] c.s., heeft op eind juni 2001 een taxatie plaatsgevonden van deze woning door Makelaardij Wepan te Tolbert. Deze makelaar/taxateur heeft in zijn taxatierapport d.d. 30 juni 2001 de onderhandse verkoopwaarde van de woning, vrij van huur en gebruik, getaxeerd op een bedrag van

f 1.350.000,- en de executiewaarde van de woning op een bedrag van f 1.125.000,-.

2.7. Uiteindelijk hebben [X] c.s. omstreeks medio 2001 een aflossingsvrije hypothecaire geldlening (zonder einde looptijd) bij Friesland Bank afgesloten voor een bedrag van NLG 1.476.000 / € 669.780,-. Hiervan is een bedrag van € 546.857,- aangemerkt als lening eigen woning en een bedrag van € 122.923,- als box 3 geldlening. Ter zekerheid voor de geldlening is ten gunste van Friesland Bank op 5 juni 2011 een hypotheekrecht gevestigd op de woning van [X] c.s. voor een bedrag van € 918.904,94. Onder de aflossingsvrije hypotheek dienden [X] c.s. maandelijks slechts een bedrag aan rente te voldoen. Tot aflossing van de hypotheek zelf waren zij niet verplicht.

2.8. Voorafgaand aan de verstrekking van de sub 2.7. bedoelde geldlening heeft Friesland Bank ten behoeve van [X] c.s. een zogeheten kredietadvies particulieren opgesteld. Ten aanzien van de toetsing van het inkomen van [X] c.s. geeft Friesland Bank het oordeel "positief". Ten aanzien van de toetsing van de vermogenspositie van [X] c.s. geeft Friesland Bank het oordeel "goed", gebaseerd op het accountantsrapport [Z] V.o.f. 2000, het taxatierapport van de woning van [X] c.s. en de opgave effectenportefeuille. De vermogenspositie in privé wordt in het kredietadvies op 840/m gesteld. Het vermogen bestaat volgens het kredietadvies uit effectenparticipaties. Onder het kopje terugbetalingscapaciteit is vermeld dat deze is onderbouwd met cijfers over het jaar 2000. Daarbij wordt uitgegaan van een inkomen uit onderneming van f 173.300,-. De terugbetalingscapaciteit van [X] c.s. wordt door Friesland Bank als "goed" aangemerkt. Onder het kopje zekerheden is vermeld dat arbeidsongeschiktheid 'naar genoegen is geregeld'. Friesland Bank vermeldt onder het kopje debiteur het oordeel "positief". In een toelichting in het kredietadvies stelt Friesland Bank onder meer:

"(…) De vermogenspositie in privé is met 840/m ruim voldoende. Merendeel hiervan zit in effecten. De dekkingspositie is met een tekort van 101 o.i. acceptabel. O.b.v. de totale zekerheden wordt thans 63% gefinancierd. Conform berekening voldoet men aan de gestelde terugbetalingscapaciteit. Hierbij wordt geen rekening gehouden met eventuele inkomsten uit de beleggingsportefeuille.

Zakelijk: de heer en mevrouw [X] hadden tot 01-01-2001 een man/vrouw VOF. Thans weer een eenmanszaak. De activiteiten zijn hetzelfde: verlijmen en afwerken van gipswanden. De solvabiliteit is voldoende. De resultaten zijn over het algemeen voldoende. 1999 is een minder jaar geweest. De kerncijfers:

'96 '97 '98 '99 '00

Omzet 492 415 386 254 397

BW 350 377 311 148 200

Nettowinst 152 183 160 128 173

Aflossing zal geschieden uit effecten. Men heeft dus enkel de rentelast. Opgemerkt dient te worden dat een fors deel tegen variabele rente wordt aangevraagd wat een renterisico met zich brengt. Bovendien is het vermelde tarief zeer scherp. Ter beoordeling in de lijn. Gezien geheel een acceptabele post. Positief advies. (…)"

2.9. [X] c.s. hebben op 4 juni 2001 een zogeheten Beleggers cliëntenprofiel ingevuld en ondertekend. Zij hebben daarbij onder meer (door het zetten van kruisjes in de betreffende vakjes) vermeld:

- Op vraag A: Wilt u met of zonder advies beleggen?

Met advies

- Op vraag B: Denkt u uw geld binnen 2 jaar weer nodig te hebben?

Nee

- Op de vragenlijst sub C:

1. Wanneer wilt u weer over het belegde geld kunnen beschikken?

c) Over 5-10 jaar

2. Welk bedrag heeft u momenteel beschikbaar voor beleggingen (inclusief uw huidige beleggingen)?

+/- f 800.000

3. Hoeveel % is dit van uw totale vermogen (huis, effecten, spaargeld en overig vermogen, minus hypotheek en overige schulden)

c) 50-75%

4. Hoeveel ervaring heeft u met beleggen?

a) Veel. Ik beleg actief in aandelen, obligaties, beleggingsfondsen etc.

5. Hoe is uw vermogen momenteel verdeeld?

d) Niet in één categorie, maar redelijk gespreid.

6. Wat wilt u met uw beleggingen bereiken?

d) Combinatie van b en c (extra aanvulling op toekomstig inkomen en vermogen laten groeien)

7. Belegt u voor een specifiek doel (pensioen, aflossing, hypotheek e.d.)?

a) Ja

8. Als ik beleg wil ik

b) Een hoog rendement (+/- 8% p/j) en risico's zoveel mogelijk beperken. Ik accepteer een eventuele tussentijdse waardevermindering van +/- 8%.

9. Bij beleggen kunnen uw beleggingen tussentijds minder waard worden. Welke tussentijdse waardedaling vindt u acceptabel?

b) een daling van 8% in een jaar is acceptabel.

10. Hoe reageert u op een plotselinge waardedaling van 10% van één van uw beleggingen?

a) Het doet mij niet zoveel, op de lange termijn komt het wel goed.

11. Wat is uw eigen bruto-inkomen?

+/- f 150.000

- Op de vragenlijst sub D - Indeling risicoklasse

Score Risicoklasse Uitleg

(…)

17 t/m 24 punten Neutrale belegger U geeft de voorkeur aan een gemiddeld

rendement, waarbij u accepteert dat er tussentijds dalingen van het vermogen

mogelijk zijn.

- Op de vragenlijst sub E - Kunt u zich vinden in het bovenstaande risicoprofiel en bijbehorende portefeuillevoorstel?

Ja.

2.10. [X] heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij ASR Verzekeringen. Hierbij is [X] geadviseerd door de assurantietussenpersoon Wind Financieel Advies Groep te Heerenveen. Friesland Bank heeft [X] ter zake niet geadviseerd.

2.11. Friesland Bank heeft [X] c.s. geadviseerd bij het doen van hun beleggingen. Het betrof hier géén huisproducten of huisfondsen van Friesland Bank.

2.12. Als gevolg van dalende koersen op de effectenbeurs is de waarde van het door [X] c.s. belegde vermogen en het inkomen dat daaruit werd genoten gedaald.

2.13. [X] is in 2006 arbeidsongeschikt geraakt. Nadien heeft hij met Friesland Bank gesproken over zijn actuele financiële situatie, waarbij Friesland Bank [X] erop heeft gewezen dat hij maatregelen moest treffen, waaronder de verkoop van de echtelijke woning. [X] is niet overgegaan tot verkoop van de woning.

2.14. Vanaf november 2007 was de dienstverlening van Friesland Bank aan [X] c.s. ter zake effecten beperkt tot effectenbewaarneming. [X] wenste vanaf dat moment niet meer door Friesland Bank te worden geadviseerd omtrent effecten. [X] c.s. hebben in 2009 hun relatie met Friesland Bank ter zake van de effectendienstverlening (formeel) beëindigd en de effectenportefeuille is geliquideerd.

2.15. Vanaf 2010 is [X] blijvend arbeidsongeschikt geraakt. [X] ontving in 2010 vanuit zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering een uitkering van € 21.606,- bruto op jaarbasis. [Y] verdiende in 2010 een bedrag van € 9.616,- bruto.

2.16. De rentelasten van [X] c.s. bedroegen over het jaar 2010 € 23.734,- ten aanzien van de financiering eigen woning en ca. € 5.000,- ten aanzien van de box 3 lening.

2.17. Vanaf 2010 is de rente voor tien jaar vastgezet tegen een rentepercentage van 4,8%.

2.18. Bij brief van 13 september 2011 heeft de (toenmalige) advocaat van [X] c.s. Friesland Bank aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van wanprestatie althans onrechtmatig handelen van Friesland Bank jegens [X] c.s.

2.19. [X] heeft, naast de onderhavige procedure, ook procedures aangespannen tegen zijn verzekeringsadviseur Wind en tegen ASR Verzekeringen. De uitkomst van deze procedures is niet bekend.

3. Het geschil

3.1. [X] c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat Friesland Bank wanprestatie jegens [X] c.s. heeft gepleegd dan wel onrechtmatig jegens [X] c.s. heeft gehandeld en Friesland Bank veroordeelt tot vermindering van de geldlening en het betalen aan [X] c.s. van alle schade die zij hebben geleden en zullen lijden, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

II. voor recht verklaart dat met terugwerkende kracht vanaf de ingangsdatum van de geldleningen tot het einde van de looptijd van de leningen de totale rentelast niet meer kan bedragen dan € 7.922,- per jaar en Friesland Bank derhalve niet meer kan invorderen;

III. Friesland Bank veroordeelt in de kosten van het geding.

3.2. Friesland Bank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [X] c.s., met veroordeling van [X] c.s. - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4. De beoordeling van het geschil

Aanvullingen op proces-verbaal

4.1. De rechtbank stelt vast dat de advocaat van Friesland Bank bij brief van 10 december 2012 een tweetal aanvullingen op de tekst van het proces-verbaal van de comparitie heeft voorgesteld. Door [X] c.s. is, hoewel zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, niet op de voorgestelde aanvullingen gereageerd. De rechtbank acht de twee genoemde aanvullingen terecht en juist. Genoemde brief zal daarom aan het proces-verbaal van de comparitie worden gehecht. De twee aanvullingen moeten aldus geacht worden (alsnog) deel uit te maken van het proces-verbaal van de zitting.

Verjaring en klachtplicht

4.2. Friesland Bank voert primair als verweer aan - onder verwijzing naar artikel 3:310 BW - dat de vordering van [X] c.s. is verjaard. Daartoe stelt Friesland Bank dat er meer dan vijf jaren zijn verstreken tussen het moment waarop het krediet is verstrekt (medio 2001) en de brief van de advocaat van [X] c.s. van 13 september 2011. Ten tijde van genoemde kredietverstrekking waren [X] c.s. reeds bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Indien er sprake zou zijn geweest van overkreditering, dan hadden [X] c.s. daarover in de periode van vijf jaren na het verstrekken van het krediet moeten klagen. Dat hebben [X] c.s. echter niet gedaan. Indien er omstreeks medio 2001 nog geen verjaringstermijn zou zijn gaan lopen, dan stelt Friesland Bank dat het [X] c.s. vóór 2006 al duidelijk had moeten zijn dat zij risico's liepen. Zij hebben, ook in dat geval, niet binnen een termijn van vijf jaren geklaagd. De schade waarop [X] c.s. eigenlijk doelen is de arbeidsongeschiktheid van [X], waardoor zij in financiële moeilijkheden zijn geraakt. Indien [X] c.s. bij de schade doelen op geleden beleggingsverliezen, dan was het hen al vóór 2006 bekend dat deze verliezen konden ontstaan. Deze verliezen hadden zich ook toen al gerealiseerd. Subsidiair stelt Friesland Bank dat [X] c.s. niet tijdig hebben geklaagd over de dienstverlening door Friesland Bank, zodat zij zich krachtens artikel 6:89 BW niet meer over een eventuele gebrekkige prestatie van Friesland Bank kunnen beklagen. Toen de arbeidsongeschiktheid van [X] zich in 2006 verwezenlijkte, had hij zich van zijn financiële positie bewust moeten zijn en zijn beklag bij Friesland Bank moeten doen. Dat hebben [X] c.s. evenwel tot 2011 nagelaten. Friesland Bank is geschaad in haar belangen doordat [X] c.s. te laat hebben geklaagd. Bij de financiering betrokken medewerkers kunnen zich door het tijdsverloop bepaalde zaken niet meer herinneren of zijn inmiddels niet meer bij Friesland Bank werkzaam.

4.3. Volgens [X] c.s. gaat het door Friesland Bank gedane beroep op verjaring en schending van de klachtplicht niet op. De termijnen voor verjaring van de vordering van [X] c.s. en de klachtplicht ex artikel 6:89 BW zijn pas in 2010 gaan lopen, toen [X] c.s. bekend raakten met de door hen geleden schade. Immers, pas in 2010 raakten [X] c.s. ervan op de hoogte dat er bij [X] sprake was van blijvende arbeidsongeschiktheid en werd het hen duidelijk dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering onvoldoende was om aan de verschuldigde rentebetalingsverplichtingen jegens Friesland Bank te voldoen. In het kader van het beroep op verjaring en de klachtplicht dient naar de mening van [X] c.s. tevens rekening te worden gehouden met de psychische gesteldheid van [X] als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid. Bij het voorgaande dient tevens te worden bedacht dat [X] c.s. als leken dienen te worden beschermd tegen een professionele wederpartij als een bank. Friesland Bank wordt naar de mening van [X] c.s. niet in enig belang geschaad, indien er te laat zou zijn geklaagd. Alle gegevens met betrekking tot de financiering zijn nog voorhanden, aldus [X] c.s.

4.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Een cliënt mag er in beginsel van uitgaan dat de zorgplicht door de bank wordt nageleefd, zowel bij kredietverstrekking als bij het geven van beleggingsadvies. Het niet naleven van de zorgplicht is derhalve niet een tekortkoming van de bank die de cliënt zonder meer behoeft op te merken. Op de cliënt rust dan ook pas een onderzoeksplicht met betrekking tot de vraag of de bank de zorgplicht jegens hem heeft nageleefd, indien hij van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft om te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten. De omstandigheid dat de beleggingen waarop de beleggingsadviesrelatie betrekking heeft, een tegenvallend rendement hebben of tot verliezen lijden, wijst niet zonder meer op een tekortschieten van de bank. Deze enkele omstandigheid behoeft voor de cliënt dan ook in beginsel niet een reden voor onderzoek te zijn. Dat geldt des te meer indien de bank als oorzaak voor tegenvallende rendementen of verliezen omstandigheden noemt die niet in haar risicosfeer liggen, zoals de heersende marktomstandigheden, of indien de bank geruststellende mededelingen doet. De cliënt mag immers in beginsel afgaan op de juistheid van dergelijke mededelingen van de bank, als de in de onderliggende verhouding deskundige partij. De bank heeft bij beleggingsadviesrelaties te gelden als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, terwijl bij de cliënt doorgaans een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreken. Dit brengt mee dat de cliënt niet zonder meer op de hoogte behoeft te zijn van het bestaan van de hiervoor bedoelde zorgplicht van de bank, terwijl hij, indien hij daarvan wel op de hoogte is, in beginsel ervan mag uitgaan dat de bank die zorgplicht jegens hem naleeft. Meer in het bijzonder hoeft de cliënt bij het aangaan van de relatie er niet van op de hoogte te zijn dat de bank de zorgplicht niet in acht heeft genomen (HR 8 februari 2013, LJN: BY4600).

4.5. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Naar vaste rechtspraak gaat het daarbij om een daadwerkelijke bekendheid (zie HR 6 april 2001, NJ 2002, 383), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (zie HR 24 januari 2003, NJ 2003, 300). Degene die zich op verjaring beroept, moet stellen en zo nodig bewijzen dat en vanaf welk moment de benadeelde daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.

4.6. Aldus dient de rechtbank de vraag te beantwoorden vanaf wanneer [X] c.s. zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend zijn geworden. Met inachtneming van hetgeen hiervoor sub r.o. 4.4. is overwogen, oordeelt de rechtbank dat, anders dan Friesland Bank stelt, [X] c.s. niet reeds bij het aangaan van de financiering al daadwerkelijk bekend waren met de schade wegens de gestelde schending van de zorgplicht van Friesland Bank. Ten tijde van het aangaan van de financiering, en in de jaren nadien, konden [X] c.s. immers aan hun rentebetalingsverplichtingen jegens Friesland Bank voldoen. De daadwerkelijke bekendheid van [X] c.s. met de schade is naar het oordeel van de rechtbank pas ontstaan bij het intreden van de blijvende arbeidsongeschiktheid van [X] in 2010, als gevolg waarvan [X] c.s. met een substantiële daling van het inkomen van [X] zijn geconfronteerd. Immers, vanaf 2010 werden er als gevolg van de blijvende arbeidsongeschiktheid van [X] geen inkomsten meer uit diens eenmanszaak gegenereerd. [X] was vanaf dat moment derhalve aangewezen op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarvan eerst toen bleek dat deze onvoldoende was om de rentelasten te voldoen. Op dat moment hadden [X] c.s. gerede aanleiding om te veronderstellen dat de bank in de op haar rustende zorgplicht ter zake de kredietverlening zou kunnen zijn tekortgeschoten. Friesland Bank heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, op grond waarvan kan worden aangenomen dat [X] c.s. reeds in 2006, toen [X] gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakte, bekend waren met hun schade wegens een mogelijke schending van de zorgplicht van Friesland Bank. Weliswaar hebben [X] c.s. in 2006 een waarschuwing van Friesland Bank gekregen (zie hiervoor in r.o. 2.13.), maar in dat verband heeft Friesland Bank onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [X] c.s. bij die gelegenheid al bekend waren met hun schade. Gelet op het voorgaande is de termijn van vijf jaren voor verjaring van de schadevergoedingsvordering van [X] c.s. op enig moment in het jaar 2010 gaan lopen. Met de brief van de advocaat van [X] c.s. van 13 september 2011, maar in elk geval met het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak, is de verjaring naar het oordeel van de rechtbank tijdig gestuit. Het verjaringsverweer faalt dan ook.

4.7. Met betrekking tot het door Friesland Bank gedane beroep op schending van de klachtplicht ex artikel 6:89 BW stelt de rechtbank voorop dat bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan de klachtplicht acht dient te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie (zie HR 8 oktober 2010, NJ 2010, 545). Artikel 6:89 BW dient in beleggingsrelaties terughoudend te worden toegepast.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat [X] c.s. eerst in 2010 bekend zijn geworden, althans redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn met het vermeende tekortschieten van de bank in haar zorgplicht, ten tijde van het intreden van de blijvende arbeidsongeschiktheid van [X] in 2010. Als gevolg daarvan werden [X] c.s. immers met een substantiële daling van het inkomen van [X] geconfronteerd, nu er geen inkomsten meer uit diens eenmanszaak werden gegenereerd. Op dat moment hadden [X] c.s., zoals hiervoor is overwogen, gerede aanleiding om te veronderstellen dat de bank in de op haar rustende zorgplichten zou kunnen zijn tekortgeschoten. Geconstateerd moet worden dat het vervolgens geruime tijd heeft geduurd, voordat [X] c.s. zich, door middel van de brief van hun advocaat van 13 september 2011, bij Friesland Bank hebben beklaagd over tekortschietende dienstverlening. Het verstrijken van deze lange periode als zodanig is echter niet genoeg om het beroep van de bank op artikel 6:89 BW te kunnen honoreren. Daarvoor dienen ook de andere omstandigheden van het geval te worden meegewogen (zie HR 8 oktober 2010, NJ 2010, 545). Friesland Bank heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zij in haar belangen is geschaad als gevolg van het late klagen door [X] c.s. De rechtbank zal dit betoog van Friesland Bank passeren. Friesland Bank stelt slechts in algemene termen dat zij nadeel lijdt omdat de kennis bij medewerkers omtrent de aan [X] c.s. verstrekte financiering inmiddels niet meer actueel zou zijn en er bepaalde medewerkers van destijds niet meer bij Friesland Bank werkzaam zouden zijn. Die (bijkomende) omstandigheden acht de rechtbank evenwel onvoldoende. Friesland Bank heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende over het voetlicht gebracht welk concreet nadeel zij in dezen lijdt. Niet gebleken is dat het dossier van de financiering van [X] c.s. niet meer compleet is, zodat Friesland Bank geacht mag worden een reconstructie te kunnen maken van de totstandkoming van de verstrekte financiering. Friesland Bank heeft ook niet gemotiveerd gesteld dat de bij de financiering destijds betrokken medewerkers niet meer als getuige zouden kunnen worden gehoord. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [X] c.s. binnen bekwame tijd hebben geprotesteerd door in de brief van 13 september 2011 kenbaar te maken dat Friesland Bank in haar dienstverlening tekort was geschoten, nu [X] c.s. voorts enige tijd voor beraad dient te worden gegund (zie HR 8 februari 2013, BY4600).

4.9. Gelet op het voorgaande faalt het beroep van Friesland Bank op het niet voldoen aan de klachtplicht ex artikel 6:89 BW eveneens.

De zorgplicht

Standpunt [X] c.s.

4.10. Friesland Bank heeft de op haar rustende zorgplicht jegens [X] c.s. in ernstige mate geschonden en daarmee wanprestatie gepleegd althans onrechtmatig gehandeld jegens [X] c.s. Hierdoor hebben [X] c.s. schade geleden, in de vorm van teveel betaalde rente, vermogensverlies en een te hoge restschuld. Op een bank rust volgens [X] c.s. een bijzondere zorgplicht om consumenten als [X] c.s. te beschermen tegen de gevaren van lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht.

4.10.1. Friesland Bank heeft zich allereerst naar de mening van [X] c.s., gelet op de inkomens- en lastenverhouding, schuldig gemaakt aan overkreditering.

4.10.2. Daarnaast zijn [X] c.s. onvoldoende gewezen op de risico's van financieren ten behoeve van aankoop van effecten (beleggen met geleend geld). In plaats van het eigen vermogen te gebruiken voor het financieren van de woning, heeft Friesland Bank [X] c.s. juist geadviseerd om zoveel mogelijk geld te lenen (voor de woning) en daarbovenop nog eens geld te lenen voor beleggingen. Zij zijn er nooit op gewezen door Friesland Bank dat zij uit de resultaten van de beleggingen de maandelijkse rentebetalingen aan Friesland Bank dienden te voldoen en welke risico's kleefden aan een eventuele inkomensdaling. Friesland Bank heeft niet kunnen concluderen dat [X] c.s. de risico's van beleggen met geleend geld (zoals een waardedaling van beleggingen) hebben kunnen overzien. Friesland Bank heeft op basis van de financiële situatie van [X] c.s. evenmin kunnen concluderen dat laatstgenoemden over voldoende bestedingsruimte zouden beschikken om aan de verplichtingen uit hoofde van de geldleningen te kunnen voldoen. Het bedrag van de geldleningen is vele malen hoger dan op grond van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen toelaatbaar mag worden geacht.

4.10.3. Friesland Bank is bij het verstrekken van de financieringen aan [X] c.s. bovendien uitgegaan van een onjuiste hoogte van het jaarlijkse inkomen en van een te hoge waarde van hun woning, aldus [X] c.s. De WOZ-waarde van de woning ligt veel lager dan de getaxeerde waarde van de woning waarvan Friesland Bank is uitgegaan bij de kredietverstrekking. Tevens heeft Friesland Bank onvoldoende erop toegezien dat [X] een adequate arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten. Van het onder deze verzekering uit te keren bedrag kunnen [X] c.s. hun rentelasten niet voldoen. Indien [X] c.s. door Friesland Bank op de juiste wijze waren geïnformeerd en geadviseerd, waarbij zij gewezen waren op de risico's van de gekozen constructies, dan waren zij de leningen niet in de huidige vorm aangegaan.

4.10.4. Ongewijzigde instandhouding van de beide geldleningsovereenkomsten is, in het licht van het vorenstaande, volgens [X] c.s. onaanvaardbaar. Naast schadevergoeding eisen [X] c.s. dat wordt bepaald dat de rentelast met terugwerkende kracht vanaf de ingangsdatum van de geldleningen niet meer dan € 7.922,- per jaar mag bedragen.

Standpunt Friesland Bank

4.11. Friesland Bank betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar jegens [X] c.s. rustende zorgplicht. Friesland Bank stelt daartoe - samengevat - het navolgende.

4.11.1. Van overkreditering is geen sprake geweest. Uitgegaan moet worden van de feiten, de wet- en regelgeving en inzichten van 2001, toen het hypothecair krediet aan [X] c.s. werd verstrekt. Het verstrekken van de hypothecaire geldlening was destijds, in het licht van de inkomens- en vermogenspositie van [X] c.s., verantwoord. [X] c.s. gaan uit van een onjuiste hoogte van de - in de jaren voorafgaand aan de kredietverstrekking behaalde - winst uit onderneming. Daarnaast houden zij ten onrechte geen rekening met hun toenmalige vermogen. De door Friesland Bank verstrekte hypotheek betrof geen complex product, maar een normale hypotheek zonder voorwaarden die niet te begrijpen zijn. Verder hadden [X] c.s. geen BKR-registratie en lag er een taxatierapport waaruit de courantheid van de woning van [X] c.s. bleek. Ook waren de vooruitzichten van het bedrijf van [X] positief. Er behoefde ook alleen maar rente te worden voldaan en géén aflossing van de hypotheeksom plaats te vinden. De omstandigheden dat [X] na het afsluiten van de hypotheek arbeidsongeschikt werd en dat er beleggingsverliezen zijn geleden, brengen niet mee dat de hypotheekverstrekking onverantwoord was, aldus Friesland Bank.

4.11.2. Friesland Bank hoefde er niet op toe te zien dat er een andere dan de huidige arbeidsongeschiktheidsverzekering door [X] zou worden afgesloten. [X] heeft zich bij het afsluiten van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering laten adviseren door een ter zake deskundige bemiddelaar. Friesland Bank heeft zich ook niet verplicht om [X] te adviseren over diens arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zij mocht er dan ook op vertrouwen dat er een adequate verzekering was afgesloten door [X]. [X] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan Friesland Bank daaraan moest twijfelen.

4.11.3. Friesland Bank betwist dat zij [X] c.s. onvoldoende zou hebben gewezen op de risico's die aan beleggen met geleend geld zijn verbonden. Bedacht dient te worden dat er sprake was van een adviesrelatie. [X] c.s. bepaalden zelf het beleggingsbeleid en de samenstelling van de beleggingsportefeuille. De beleggingen dienden ook niet om de hypotheekrente te kunnen betalen. Het netto vermogen van [X] bedroeg volgens diens eigen opgave meer dan NLG 1.200.000,-. [X] was bovendien een ervaren belegger, die een relatief grote risicobereidheid had. Het niet voorzien van toekomstige negatieve koersontwikkelingen kan niet aan Friesland Bank als adviseur worden verweten. Het was aan [X] c.s. zelf om beleggingsverliezen te voorkomen. Zij waren zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van de portefeuille en het beleggingsbeleid.

Beoordeling zorgplicht

4.12. De rechtbank stelt bij haar beoordeling het volgende voorop. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de contractuele relatie tussen [X] c.s. en Friesland Bank (tot november 2007) naast een kredietrelatie tevens bestond uit een beleggingsadviesrelatie. Friesland Bank heeft aan [X] c.s. één integrale financiering verstrekt, ten behoeve van twee doeleinden: een bedrag voor de eigen woning én een bedrag voor het doen van beleggingen. De beide leningen hingen derhalve nauw met elkaar samen. Ten aanzien van de beleggingen merkt de rechtbank op dat tussen partijen niet in geschil is dat Friesland Bank [X] c.s. daarover slechts adviseerde. De beslissingen over de samenstelling van de beleggingsportefeuille en het beleggingsbeleid werden door [X] c.s. uiteindelijk zelf genomen. Zij zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor de in dat verband door hen gemaakte keuzes (vgl. gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 december 2010, JOR 2011, 145).

4.13. Ten aanzien van de kredietverlening als zodanig, waarbij door Friesland Bank aan [X] c.s. een aflossingsvrije hypothecaire geldlening is verstrekt, brengt de zorgplicht ten aanzien van de kredietrelatie met zich dat Friesland Bank jegens [X] c.s. gehouden was om voldoende informatie te geven over de te verstrekken hypothecaire geldlening en om een zorgvuldig onderzoek te doen naar de kredietwaardigheid van [X] c.s., teneinde te voorkomen dat [X] c.s. hogere financiële lasten op zich zouden nemen dan, gelet op hun draagkracht, verantwoord zou zijn (vgl. gerechtshof Arnhem 11 januari 2013, LJN: BY8213).

4.14. Volgens vaste rechtspraak rust op de bank als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener voorts een bijzondere zorgplicht bij beleggingsadviesrelaties met particuliere beleggers. Die zorgplicht behelst onder meer dat de bank vooraf naar behoren onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat zij hem tevens dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan een voorgenomen of toegepaste beleggingsvorm zijn verbonden, alsook voor het feit dat een door hem voorgenomen of toegepaste beleggingsstrategie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid. Deze plicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid (zie o.a. HR 24 december 2010, NJ 2011, 251 en HR 3 februari 2012, NJ 2012, 95).

4.15. De rechtbank zal allereerst ingaan op de vraag of Friesland Bank ter zake van de verstrekking van het hypothecaire krediet een zorgplicht jegens [X] c.s. heeft geschonden, nu [X] c.s. allereerst stellen dat sprake is geweest van overkreditering.

4.16. De rechtbank stelt te dezer zake voorop dat de kredietverlening dient te worden beoordeeld aan de hand van de ten tijde van de kredietverstrekking (in 2001) geldende regelgeving en richtlijnen. Voor zover [X] c.s. ter onderbouwing van de gestelde overkreditering verwijzen naar de regelgeving en richtlijnen voor kredietverlening zoals die nadien golden c.q. heden ten dage gelden, zal de rechtbank daaraan dan ook voorbijgaan.

4.17. Voorts overweegt de rechtbank dat, anders dan [X] c.s. betogen, bij het beoordelen van de kredietwaardigheid van [X] c.s. ten tijde van de kredietverlening Friesland Bank niet alleen hun inkomen mocht meetellen, maar evenzeer hun vermogenspositie (vgl. HR 5 juni 2009, JOR 2009, 199). Daarbij mocht Friesland Bank - naar standaard gebruik - ook het belegde vermogen tot op zekere hoogte (maximaal ongeveer 70%) meetellen. Er is verder sprake van een relatief eenvoudige aflossingsvrije hypotheek, die (ook) voor een gemiddelde consument in voldoende mate te begrijpen is: er hoeven gedurende de looptijd van de lening geen aflossingen te worden gedaan en er is slechts maandelijks rente verschuldigd aan de bank. Naar het oordeel van de rechtbank kan het betoog van [X] c.s. dat zij er door Friesland Bank nooit op zijn gewezen dat zij uit de resultaten van de maandelijkse beleggingen de rentelasten moesten kunnen voldoen, niet slagen. Weliswaar kan uit het in r.o. 2.8. geciteerde kredietadvies worden afgeleid dat de aflossing zou geschieden uit de beleggingsopbrengsten, maar waar het om gaat is dat de aflossingscapaciteit van [X] c.s. voor het overige al ruim voldoende was, ook zonder dat gekeken werd naar de opbrengsten uit de beleggingen, zoals blijkt uit hetgeen daarover in het kredietadvies is vermeld. Daarin is expliciet aangegeven dat [X] c.s. voldoen aan de gestelde terugbetalingscapaciteit en dat daarbij geen rekening is gehouden met inkomsten uit de beleggingsportefeuille. Friesland Bank hoefde [X] c.s., gelet op die totale aflossingscapaciteit, derhalve niet te waarschuwen voor het risico dat de rentelasten mogelijk niet voldaan konden worden uit de inkomsten uit beleggingen.

4.18. Met betrekking tot de verplichting van Friesland Bank om voldoende onderzoek te doen naar de kredietwaardigheid van [X] c.s. geldt dat Friesland Bank mocht afgaan op de door [X] c.s. ter zake verstrekte informatie. Uit deze informatie komt het volgende beeld naar voren. In de vijf jaren voorafgaand aan de kredietverstrekking bedroeg de netto winst uit de onderneming:

- 1996: NLG 152.000,-

- 1997: NLG 183.000,-

- 1998: NLG 160.000,-

- 1999: NLG 128.000,-

- 2000: NLG 173.000,-

[X] c.s. hebben geen stukken in het geding gebracht, op grond waarvan van andere cijfers dan hiervoor genoemd moet worden uitgegaan. Voor zover de door hen aan Friesland Bank verstrekte financiële stukken onjuistheden zouden bevatten, is dat een omstandigheid die voor risico van [X] c.s. komt en die zij derhalve niet aan Friesland Bank kunnen tegenwerpen. In elk geval kunnen de handgeschreven berekeningen, zoals die bij de dagvaarding door [X] c.s. (als productie 3) zijn overgelegd, niet dienen ter onderbouwing van hun inkomenspositie, nu deze berekeningen uitgaan van het onjuiste uitgangspunt dat bij de beoordeling van de kredietwaardigheid dient te worden uitgegaan van de winst uit onderneming, verminderd met de (vaste) lasten wegens premies lijfrentes, premies WAZ, premies particuliere verzekeringen (AOV) en rentelasten. Uitgaande van de hiervoor genoemde netto winst in de vijf jaren voorafgaand aan de kredietverstrekking, bedroeg de gemiddelde jaarlijkse winst uit onderneming (lees: het inkomen van [X] c.s.) ongeveer NLG 160.000,- netto. Daarbij komt nog dat op basis van de destijds geldende regelgeving en richtlijnen bij de verstrekking van hypothecair krediet werd uitgegaan van het bruto inkomen.

4.19. Voorts was er ten tijde van de kredietverlening sprake van een waarde van de woning van NLG 1.350.000,- en bedroeg de waarde van de beleggingen van [X] c.s. destijds in totaal NLG 700.000,-. Indien op het verstrekte krediet van NLG 1.476.000,- het door [X] c.s. genoemde vermogen uit effecten ad NLG 700.000,- voor 70% in mindering wordt gebracht (dan resteert een in aanmerking te nemen bedrag van € 490.000,-), resteerde er een netto schuld van NLG 986.000,-. De verhouding tussen het gemiddelde netto inkomen en de netto schuld leverde daarmee reeds naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de destijds geldende regelgeving en richtlijnen een (voldoende) verantwoorde kredietverlening op. Bovendien was er sprake van een aflossingsvrije hypotheek.

Friesland Bank heeft verder onbetwist gesteld dat de aangeboden rente van 4,6% binnen de op basis van de (toenmalige) Gedragscode Hypothecaire Financieringen vast te stellen toetsrente viel en dat zij een (positieve) BKR-toets heeft uitgevoerd voorafgaand aan de kredietverlening aan [X] c.s.

4.20. De rechtbank acht tevens van belang dat [X] c.s. vanaf 2001 de hypothecaire (rente-)lasten kennelijk steeds tijdig heeft kunnen voldoen, totdat hij in 2008 vanwege arbeidsongeschiktheid geen inkomen meer uit zijn onderneming kon genereren en een beroep heeft moeten doen op (uitkeringen onder) zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. [X] c.s. zijn derhalve blijkbaar geruime tijd voldoende in staat geweest om aan hun maandelijks rentelasten uit hoofde van het hypothecair krediet te voldoen.

4.21. De rechtbank volgt [X] c.s. verder niet in hun stelling dat Friesland Bank bij het beoordelen van hun kredietwaardigheid van een te hoge waarde van de woning van [X] c.s. is uitgegaan. Vast staat dat voorafgaand aan de verstrekking van de hypothecaire geldlening de onderhandse verkoopwaarde van de woning van [X] c.s. door een deskundig makelaar is getaxeerd op een bedrag van NLG 1.350.000,-. Friesland Bank mocht redelijkerwijs afgaan op dit - in opdracht van [X] c.s. opgestelde - taxatierapport bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van [X] c.s. Laatstgenoemden hebben naar het oordeel van de rechtbank ook niet behoorlijk onderbouwd op grond waarvan de door de makelaar getaxeerde onderhandse verkoopwaarde onjuist zou zijn. De enkele verwijzing naar de - kennelijk lagere - WOZ-waarde van de woning van [X] c.s. is daartoe in elk geval onvoldoende.

4.22. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van overkreditering bij het verstrekken van de onderhavige hypothecaire geldlening aan [X] c.s. [X] c.s. mochten door Friesland Bank ter zake het onderhavige krediet voldoende kredietwaardig worden geacht. Van schending van een zorgplicht dienaangaande is dan ook geen sprake. Voor zover de vordering van [X] c.s. daarop is gebaseerd, faalt deze.

4.23. [X] c.s. verwijten Friesland Bank voorts dat zij tekortgeschoten is in haar zorgplicht door er onvoldoende op toe te zien dat er een arbeidsongeschiktheidsverzekering bestond die voldoende uitkering zou geven om - in geval van arbeidsongeschiktheid - de rentelasten te kunnen blijven voldoen. Dit verwijt treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank had het in dit geval - waarin de verzekering door de kredietnemer(s) niet (ook) bij de kredietverlenende bank wordt afgesloten maar via tussenkomst van een assurantietussenpersoon bij een derde-verzekeraar én waarin Friesland Bank [X] c.s. niet desgevraagd van advies heeft gediend omtrent de arbeidsongeschiktheidsverzekering - op de weg van [X] c.s. als kredietnemers gelegen om zorg te dragen voor de aanwezigheid van een zodanige arbeidsongeschiktheidsverzekering, dat het risico van arbeidsongeschiktheid voor het voldoen aan de rentebetalingsverplichting jegens Friesland Bank voldoende was afgedekt. Friesland Bank mocht ervan uitgaan dat [X], die bij het afsluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering werd bijgestaan door een deskundige bemiddelaar, het risico van arbeidsongeschiktheid voldoende had geregeld. Daar waar een zorgplicht van Friesland Bank niet kan worden aangenomen, hoefde Friesland Bank geen zelfstandig onderzoek te verrichten naar de hoogte van de uitkering die [X] in geval van arbeidsongeschiktheid zou ontvangen en of deze uitkering voldoende was om de rentelasten te kunnen blijven voldoen. Een mogelijk tekortschietende advisering door de betrokken verzekeraar of assurantietussenpersoon kan niet aan Friesland Bank worden toegerekend.

4.24. [X] c.s. hebben tevens gesteld dat Friesland Bank de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden, omdat [X] c.s. onvoldoende zouden zijn gewezen op de risico's van financieren ten behoeve van aankoop van effecten (beleggen met geleend geld).

4.25. De rechtbank overweegt dat [X] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat Friesland Bank hen heeft gepusht om met geleend geld te gaan beleggen. Bedacht dient te worden, dat [X] c.s. zelf naar Friesland Bank zijn gegaan met het verzoek om herfinanciering van een reeds bestaande geldlening (bij Rabobank). Het initiatief voor de geldlening lag derhalve bij [X] c.s. Voorts mochten [X] c.s., zoals hiervoor is overwogen, geacht worden voldoende bekend te zijn met de risico's die verbonden zijn aan beleggen. Ten [X]te overweegt de rechtbank dat de algehele vermogenspositie van [X] c.s. voldoende was voor de lening en de waarde van het onderpand eveneens.

[X] c.s. hebben naar het oordeel van de rechtbank - als ervan dient te worden uitgegaan dat er met geleend geld is belegd - niet voldoende onderbouwd dat Friesland Bank voorafgaand aan het aangaan van de financieringsconstructie niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beleggingsadviseur mocht worden verwacht. De rechtbank merkt allereerst op dat [X], anders dan hij ingang wil doen vinden, bij het aangaan van genoemde financieringsconstructie door Friesland Bank als een ervaren belegger mocht worden aangemerkt. [X] heeft in het door hem ingevulde cliëntenprofiel zelf aangegeven dat hij veel ervaring heeft met beleggen en dat hij actief belegt in aandelen, obligaties en beleggingsfondsen en dergelijke. Vast is ook komen te staan dat [X], voorafgaand aan de relatie met Friesland Bank, belegde in verschillende beleggingsproducten, zoals aandelen, vastgoedparticipaties en scheepsparticipaties. In dit cliëntenprofiel geeft [X] zelfs aan dat hij een bedrag van NLG 800.000,- beschikbaar heeft voor het doen van beleggingen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid, dat beleggingen in waarde kunnen fluctueren en niet altijd het beoogde rendement opleveren.

4.26. Waar sprake is van een beleggingsadviesrelatie, komt de verantwoordelijkheid voor de genomen beleggingsbeslissingen in beginsel voor rekening en risico van [X] c.s. Feit is dat [X] c.s. aanzienlijke verliezen hebben geleden op hun beleggingen. Uit het enkele feit dat een geadviseerde belegging naderhand verliesgevend is gebleken of niet het door de belegger beoogde rendement heeft opgeleverd, volgt niet dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend financieel adviseur daartoe niet had mogen adviseren. Van hem mag immers niet worden verwacht dat hij toekomstige beleggingsrendementen en ontwikkelingen in de beurskoersen van effecten kan voorspellen (zie gerechtshof Amsterdam, 18 augustus 2009, LJN: BJ5445). [X] c.s. hebben ook geen concrete bezwaren naar aanleiding van de door Friesland Bank gegeven adviezen naar voren gebracht.

4.27. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet gebleken is dat Friesland Bank in het kader van de beleggingsadviesrelatie met [X] c.s. niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan.

Samenvattend

4.28. De vorderingen van [X] c.s. zullen worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens nog hebben aangevoerd kan, als niet meer van belang zijnde voor de uitkomst van dit geschil, onbesproken blijven.

Proceskosten

4.29. [X] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Friesland Bank als volgt vastgesteld:

- vast recht € 575,00

- salaris van de advocaat € 904,00 (2 punten x € 452,00, tarief II)

-------------

Totaal € 1.479,00.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen van [X] c.s. af;

5.2. veroordeelt [X] c.s. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Friesland Bank vastgesteld op € 1.479,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, indien proceskosten niet binnen die termijn zijn voldaan, tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten;

5.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema, mr. S.B. van Baalen en mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.?

fn 343