Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2825

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/1850
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak na tussenuitspraak - verweerder heeft het gebrek niet hersteld - verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn verzocht om uitstel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/1850

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder

(gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij het Uwv te Leeuwarden).

Als derde-partij heeft aan de zaak deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y] BV, te [Z] (hierna: de werkgever) (gemachtigde: [X], werkzaam bij de werkgever).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 29 november 2011 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA).

Bij besluit van 21 december 2011 heeft verweerder geweigerd eiser met ingang van 29 december 2009 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 29 februari 2012 (hierna: besluit A) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het WIA-besluit van 28 oktober 2011 ongegrond verkaard.

Bij besluit van eveneens 29 februari 2012, neergelegd in hetzelfde geschrift (hierna: besluit B), heeft verweerder eisers bezwaar tegen het WAO-besluit van 21 december 2011 ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de besluiten A en B. Deze beroepen zijn respectievelijk geregistreerd onder de zaaknummers LEE 12/777 (WIA-besluit) en LEE 12/1850 (WAO-besluit).

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift met bijlage ingediend.

De rechtbank Leeuwarden heeft de beroepen met de zaaknummers LEE 12/777 en LEE 12/1850 ter behandeling gevoegd.

Eiser heeft in mei 2012, juni 2012, augustus 2012, september 2012 en november 2012 (tweemaal) nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft op 3 september 2012, 5 november 2012 en 20 november 2012 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Eiser is verschenen. Verweerder en de werkgever hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank Leeuwarden de zaken weer gesplitst.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank).

Eiser heeft de rechtbank in januari 2013 nadere stukken toegestuurd. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om het onderzoek in de zaken te heropenen en heeft de stukken aan eiser teruggestuurd.

De rechtbank heeft op 19 februari 2013 een tussenuitspraak gedaan in de procedure met zaaknummer LEE 12/1850. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank een gebrek geconstateerd in besluit B. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te (laten) herstellen.

Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek in de WIA-zaak met zaaknummer LEE 12/777 heropend in afwachting van het vervolg van de WAO-zaak met zaaknummer LEE 12/1850.

Bij brief van 4 april 2013 heeft verweerder de rechtbank in overweging gegeven de procedure met zaaknummer LEE 12/1850 aan te houden en een hoogleraar reumatologie als deskundige te benoemen of verweerder daartoe in de gelegenheid te stellen. Bij deze brief heeft verweerder een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep G.J. Dreijer gevoegd.

De rechtbank heeft afgezien van een nader onderzoek ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst voor het beoordelingskader en een uiteenzetting van de feiten naar de tussenuitspraak van 19 februari 2013. Daaraan voegt zij het volgende toe.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet buiten twijfel staat dat de cognitieve klachten ten gevolge waarvan eiser op 1 december 2009 is uitgevallen niet voortvloeien uit de fibromyalgie op basis waarvan eiser in het verleden een WAO-uitkering ontving. Daarom heeft de rechtbank geconcludeerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 43a van de WAO en ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiser op 29 december 2009 arbeidsongeschikt was en recht had op een WAO-uitkering ten gevolge van de cognitieve beperkingen die hij op dat moment had en die voortkwamen uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan eiser eerder een WAO-uitkering ontving. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek te (laten) herstellen door alsnog met inachtneming van deze tussenuitspraak en met toepassing van artikel 43a van de WAO te beoordelen of eiser op 29 december 2009 arbeidsongeschikt was en op grond daarvan vanaf die datum recht heeft op een WAO-uitkering. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kon herstellen bepaald op zes weken na verzending van de tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank meegedeeld dat zij in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken in beginsel zonder tweede zitting uitspraak zal doen op het beroep.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder het door de rechtbank geconstateerde gebrek in besluit B niet binnen de gestelde termijn van zes weken, die eindigde op 3 april 2013, heeft hersteld en de rechtbank ook niet binnen de gestelde termijn heeft verzocht deze termijn te verlengen. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder (nog) niet heeft aangegeven dat hij geen gebruik wenst te maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Uit de brief van 4 april 2013 begrijpt de rechtbank dat verweerder nog geen beslissing heeft genomen over het al dan niet gebruik willen maken van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Verder begrijpt de rechtbank uit deze brief dat verweerder het nodig acht dat in dat kader een hoogleraar reumatologie als deskundige wordt geraadpleegd en dat de in de tussenuitspraak gestelde termijn daartoe wordt verlengd.

4. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak een eindbeslissing gegeven over de vraag of de cognitieve klachten ten gevolge waarvan eiser op 1 december 2009 is uitgevallen, voortvloeien uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid is voortgekomen ter zake waarvan eiser in het verleden een WAO-uitkering ontving. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook is geen sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van deze eindbeslissing. Daarom zal de rechtbank in deze procedure geen deskundige benoemen.

5. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de in de tussenuitspraak geboden hersteltermijn te verlengen, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zelf een deskundige te raadplegen. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij verweerder in de tussenuitspraak een termijn van zes weken heeft gegeven om het gebrek te herstellen. Dit is geen termijn van orde die partijen niet bindt. Verder heeft de rechtbank verweerder opgedragen zo spoedig mogelijk mee te delen of hij daarvan gebruik maakt. Verweerder heeft de gestelde termijn ongebruikt laten verstrijken en heeft de rechtbank eerst na het verstrijken van de termijn verzocht om verlenging daarvan. Uit de brief van 4 april 2013 kan worden afgeleid dat de reden voor het ongebruikt laten verstrijken van de termijn is dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, mede als gevolg van privéomstandigheden, niet binnen de gestelde termijn heeft gerapporteerd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank geen zeer uitzonderlijke omstandigheid die het overschrijden van de termijn kan rechtvaardigen. Bij het voorgaande acht de rechtbank mede van belang dat het raadplegen van de deskundige niet tot doel heeft om het door de rechtbank geconstateerde gebrek te herstellen, maar om te bepalen of verweerder bereid is het gebrek te herstellen.

6. Op grond van het voorgaande doet de rechtbank nu einduitspraak in deze procedure. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in besluit B is het beroep gegrond en moet besluit B worden vernietigd wegens strijd met artikel 43a van de WAO. Gelet op de aard van het geconstateerde gebrek, is de rechtbank niet in staat om zelf in de zaak te voorzien. Daarom zal zij verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 19 februari 2013 een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar tegen het besluit van 21 december 2011.

7. Op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb houdt de uitspraak, indien de rechtbank het beroep gegrond verklaard, tevens in dat de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan. Uit het automatiseringssysteem van de rechtbank blijkt echter dat aan eiser in deze zaak geen griffierecht in rekening is gebracht en hij dit dus ook niet heeft betaald. Vergoeding van het griffierecht is in dit geval dan ook niet aan de orde.

8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt besluit B;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 19 februari 2013.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.

w.g. rechter

w.g. griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.