Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2821

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
R09200
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling schuldsaneringsregeling. Tijdens de schuldsaneringsregeling ontstaat een aanspraak van saniet op een uitkering uit een kapitaalsverzekering. Op die uitkering is een pandrecht gevestigd ten behoeve van de hypotheekverstrekker. De hypotheekverstrekker oefent haar pandrecht door een vergissing echter niet uit. Hoewel de bewindvoerder met die uitkering bekend was, geldt deze niettemin als nagekomen bate in de zin van artikel 194 jo 356 lid 4 Fw nu de bewindvoerder er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de hypotheekverstrekker haar pandrecht zou uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector civiel recht, afdeling insolventie

Zaaknummer: R 09/200

Beschikking van 4 juni 2013

naar aanleiding van het verzoek van de bewindvoerder om een bevel ex artikel 356 lid 4 juncto artikel 194 van de Faillissementswet inzake:

[A],

wonende te [plaats],

aan het [adres],

hierna te noemen [A].

1. De procedure

1.1 Bij vonnis van deze rechtbank van 16 juni 2009 is de schuldsaneringsregeling

uitgesproken ten aanzien van [A] met benoeming van M. Bergman tot bewindvoerder.

Bij vonnis van 17 juli 2012 heeft de rechtbank met betrekking tot [A] de schone lei

verleend. Door het verbindend worden van de uitdelingslijst is de schuldsaneringsregeling

geëindigd op 28 augustus 2012. Bij brief van 5 december 2012 heeft de bewindvoerder de

rechter-commissaris over het volgende bericht. Na het verbindend worden van de zogeheten

slotuitdelingslijst, is de bewindvoerder gestuit op een aan Obvion verpande kapitaalverzekering,

afgesloten op naam van [A]. Obvion heeft de bewindvoerder daarover op

31 augustus 2012 geïnformeerd. Deze verzekering maakt onderdeel uit van de hypothecaire

lening die Obvion met [A] is aangegaan. Tussen Obvion, [A] en de bewindvoerder

bestaat onduidelijkheid, althans is een debat ontstaan inzake de opeisbaarheid van de

opbrengst. Obvion heeft de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering alsnog afgekocht

waarvoor een bedrag van EUR 9.569,67 is geïncasseerd. In afwachting van de uitkomst van

het debat, heeft Obvion de bewindvoerder verzocht dit bedrag te laten vrijvallen aan de

boedelrekening. De rechter-commissaris heeft het dossier ter hand gesteld aan de rechtbank.

Volgens de rechter-commissaris spitst het debat zich toe op de vraag in hoeverre de opbrengst

van de kapitaalverzekering valt te betitelen als een nagekomen bate in de zin van artikel 356

lid 4 jo 194 van de Faillissementswet (Fw). Nu de Hoge Raad bij beschikking van 15 april

2011 (LJN: BP4963) onder meer heeft uitgemaakt, dat de rechtbank bij de procedure inzake

een nagekomen bate betrokkenen dient te horen, heeft de rechtbank zowel [A] als Obvion

een exemplaar van de brief van 5 december 2012 toegezonden en betrokkenen een termijn

verleend om op deze brief te reageren. [A] en Obvion hebben respectievelijk op 14 en op

21 januari 2013 schriftelijk gereageerd. Nadien heeft de rechtbank hij brief van 20 maart 2013

wederom aan betrokkenen een termijn verleend tot 3 april 2013 om zich uit te laten over de

vraag of de bewindvoerder voor de vereffening van de kapitaalverzekering wist van het

bestaan ervan, cq. de uitkering ervan. De bewindvoerder en Obvion hebben op 27 maart 2013

schriftelijk gereageerd. Van [A] is op 2 april 2013 een schriftelijke reactie ontvangen.

1.2. Beschikking is vervolgens bepaald op heden.

2. De standpunten van partijen

Het standpunt van de bewindvoerder

2.1. De bewindvoerder is van mening dat de opbrengst ten bedrage van EUR 9.569,67,

welk bedrag bij haar op de boedelrekening is gestort, ten gunste dient te komen aan alle

schuldeisers, nu dit bedrag dient te worden beschouwd als een nagekomen bate. Op grond van

artikel 295 Fw komt de opbrengst volgens de bewindvoerder in ieder geval niet aan [A]

toe. Voor zover Obvion meent een pandrecht te hebben, stelt de bewindvoerder zich op het

standpunt dat dit recht is komen te vervallen. De bewindvoerder betoogt ten slotte dat

vereffening van de opbrengst van de kapitaalverzekering niet mogelijk was als gevolg van het

door Obvion gevestigde pandrecht.

Het standpunt van Obvion

2.2. Obvion heeft verklaard dat de hypotheek was gekoppeld aan de beleggingsrekening.

Weliswaar heeft Obvion nagelaten om de uitwinningsprocedure tijdig op te starten, maar na de

verkoop van de woning op januari 2010, heeft Obvion nog wel aangegeven in afwachting te

zijn van de uitkering uit hoofde van de verpande kapitaalverzekering. Wel heeft Obvion op

19 februari 2010 bij Reaal Verzekeringen de opgebouwde afkoopwaarde van de verzekering

opgevraagd, waarna Obvion de op 26 maart 2010 door Reaal opgegeven waarde ten bedrage

van EUR 5.004,56 (fictief) in mindering heeft gebracht op de restschuld. Obvion heeft

vervolgens haar verminderde restantschuld begroot op EUR 59.182,23 en deze vordering ter

verificatie ingediend bij de bewindvoerder. [A], die volgens Obvion op de hoogte was

van de kapitaalverzekering, heeft volgens Obvion bewust verzuimd de bewindvoerder tijdig

over de kapitaalverzekering te informeren, terwijl hij gelet op de verplichtingen uit hoofde van

de schuldsaneringsregeling wist dat hij de bewindvoerder daarover eerder had moeten

informeren. Nadat [A] Obvion op 31 augustus 2012 erover inlichtte dat de

kapitaalverzekering nog lopende was, is Obvion alsnog de procedure gestart om de

opgebouwde waarde af te kopen.

Het standpunt van [A]

2.3. [A] heeft Obvion en de bewindvoerder op 29 augustus 2012 geïnformeerd over

de kapitaalverzekering, met dien verstande dat hij hen de vraag heeft voorgelegd hoe daarmee

om te gaan. Volgens [A] had Obvion eerder over moeten gaan tot vereffening. Na

verkoop van de woning op 15 januari 2010, is het pandrecht volgens [A] komen te

vervallen. [A] heeft bepleit dat de opbrengst aan hem dient te worden toegekend.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank overweegt dat de kwestie die partijen verdeeld houdt, het beheer of de

vereffening van de boedel betreft. Gelet op wat is bepaald in artikel 94 Fw, dient de rechtbank haar beschikking te wijzen in hoogste ressort. De rechtbank merkt allereerst op dat

uit de schriftelijke reactie van Obvion blijkt dat Obvion niet langer aanspraak maakt op een

haar verleend pandrecht. Voor zover er tussen partijen debat is ontstaan, is dit onderdeel van

het debat komen te vervallen. De rechtbank dient uitsluitend te beoordelen of de opbrengst van

de kapitaalverzekering valt te betitelen als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4

in verband gelezen met artikel 194 Fw. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

3.2. Van een nagekomen bate is krachtens artikel 194 Fw sprake als is voldaan aan twee

criteria. Beoordeeld dient allereerst te worden in hoeverre de opbrengst van de

kapitaalverzekering beschouwd moet worden als een bate van de boedel. Vervolgens dient

bekeken te worden in hoeverre deze bate de bewindvoerder al dan niet bekend was.

is de opbrengst van de kapitaalverzekering een bate van de boedel

3.3. Voor de vraag of er sprake is van een bate van de boedel, heeft hetgeen is bepaald in

artikel 295 Fw als uitgangspunt te gelden. In dat artikel staat dat de boedel de goederen van

schuldenaar omvat ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling,

alsmede de goederen die hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt. De rechtbank is

van oordeel dat de onderhavige uitkering uit hoofde van de kapitaalverzekering moet worden

beschouwd als een ten tijde van de schuldsaneringsregeling verkregen goed. Dat dit goed is

bezwaard was met een pandrecht, doet daar niet aan af. Immers, [A] was gerechtigde met

betrekking tot de uitkering van de kapitaalverzekering en verkreeg met de beëindiging van die verzekering tijdens de schuldsaneringsregeling, daarmee een vorderingsrecht terzake, hetgeen een vermogensrecht - en derhalve een goed - betreft in de zin van artikel 3:1 BW.

bekendheid van de bewindvoerder met de opbrengst van de kapitaalverzekering

3.4. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een nagekomen bate, is vervolgens van belang of de bewindvoerder ten tijde van de vereffening bekend was met de vordering van [A] op grond van de kapitaalverzekering. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

3.5. Uit de brief van de bewindvoerder van 27 maart 2013 blijkt dat de bewindvoerder na

haar benoeming kennis heeft genomen van het feit dat [A] eigenaar was van een woning

en voorts dat zij wist dat er sprake was van een bij Reaal Levensverzekeringen afgesloten

kapitaalverzekering (naar de rechtbank aanneemt: een kapitaalverzekering eigen woning),

waarop een pandrecht was gevestigd ten behoeve van de hypotheekbank Obvion.

3.6. De bewindvoerder moet daarnaast worden geacht op de hoogte te zijn van het feit dat

de woning is verkocht tijdens de schuldsaneringsregeling, nu de na de verkoop resterende

hypotheekschuld vervolgens door Obvion ter verificatie is ingediend. Op grond daarvan moet

de bewindvoerder eveneens geacht worden op de hoogte te zijn van het uit die verkoop

voortvloeiende vorderingsrecht van [A] op de uitkering van de kapitaalverzekering. Met

de afkoop van de hypotheek kwam immers ook de kapitaalverzekering tot een einde.

3.7. Echter, nu de polis was verpand aan Obvion, mocht de bewindvoerder er naar het

oordeel van de rechtbank van uitgaan dat Obvion haar rechten terzake zou uitoefenen alsof er

geen schuldsanering was en zich aldus de vrijgekomen waarde van de polis zou toe-eigenen ter

verrekening met de restschuld. Dat recht had Obvion immers op grond van artikel 57

Fw. Dit artikel is - via de schakelbepaling van artikel 299 lid 3 Fw - ook van toepassing in

schuldsaneringen. Aan de bewindvoerder zou nog kunnen worden tegengeworpen dat zij op

grond van artikel 58 Fw - op grond van genoemde schakelbepaling eveneens toepasselijk in

schuldsaneringen - Obvion een redelijke termijn had kunnen stellen om tot de uitoefening van

haar pandrecht over te gaan ingevolge artikel 58 Fw. Op die manier zou immers spoedig

uitsluitsel kunnen worden verkregen of de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering al

dan niet ten goede zou komen aan de boedel. Artikel 58 Fw bevat echter geen verplichting

terzake van de bewindvoerder maar slechts een bevoegdheid (“De bewindvoerder kan …”)

3.8. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden

gesproken van ten tijde van de vereffening bekende baten. Het deels tijdens de

schuldsaneringsregeling opgebouwde kapitaal uit hoofde van de kapitaalverzekering geldt

derhalve als een nagekomen bate in de zin van artikel 356 lid 4 jo 194 Fw. De rechtbank zal

bevelen dat deze nagekomen bate ten gunste van de crediteuren dient te komen.

BESLISSING

de rechtbank:

beveelt de bewindvoerder over te gaan tot de vereffening en verdeling van de nagekomen baten ten bedrage van EUR 9.569,67 op de grondslag van de op 28 augustus 2012 verbindend geworden uitdelingslijst.

Deze beschikking is gegeven op 4 juni 2013 door mr. H.J. Idzenga, rechter, in tegen¬woordigheid van de griffier.

Fn 093