Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2739

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 11/1159
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:8134, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reclamebelasting. Beperking heffing tot openbare aankondigingen die aard- en nagelvast zijn verbonden aan een gebouw is in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de aangebrachte beperking geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig. De verordening leidt tot een willekeurige heffing van reclamebelasting en is derhalve onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1582
V-N Vandaag 2013/1389
Belastingblad 2013/316

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Leeuwarden

procedurenummer: AWB LEE 11/1159

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 april 2013 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde [gemachtigde eiseres],

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dongeradeel,

verweerder,

gemachtigde [gemachtigde verweerder].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) reclamebelasting opgelegd, ten bedrage van € 390.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2011, verzonden op 18 april 2011, de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen per fax van 18 mei 2011 bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vóór de zitting heeft eiseres nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012 te Leeuwarden. Eiseres is daar vertegenwoordigd door [vertegenwoordigers], bijgestaan door haar gemachtigde en [bijstand]. Namens verweerder is verschenen diens gemachtigde.

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Verweerder heeft ter zitting stukken overgelegd en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op deze stukken, en heeft bepaald dat het vooronderzoek zal worden hervat. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden.

Eiseres heeft in haar brief van 5 juni 2012 van de gelegenheid om te reageren gebruik gemaakt. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief (met bijlage) van 13 juni 2012. Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 22 juni 2012. Van de hiervoor genoemde brieven en bijlage zijn telkens afschriften aan de andere partij gezonden. De rechtbank heeft voormelde brieven en bijlage tot de gedingstukken gerekend.

Bij brief van 3 augustus 2012 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat zij de zaak heeft verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

Bij brief van 26 november 2012 heeft eiseres een nadere reactie gegeven. Een afschrift van deze brief is aan verweerder gezonden.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 31 januari 2013 te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen dezelfde personen als op de vorige zitting. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

Motivering

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 Eiseres drijft een [onderneming] in een pand gelegen aan [adres] (het pand).

1.2 Aan het pand zijn openbare aankondigingen aangebracht die aard- en nagelvast zijn verbonden met dit pand en die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.

1.3 In de openbare vergadering van 4 november 2010 heeft de raad van de gemeente Dongeradeel de "Verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting" voor het belastingjaar 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

1.4 De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

c. reclameobjekt: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg, die aard- en nagelvast zijn verbonden aan een gebouwd perceel;

(…)

e. vestiging: een gebouw, of deel daarvan, dat door één organisatie of bedrijf wordt gebruikt.

(…)

Artikel 2 Voorwerp van de belasting en belastbaar feit

Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen de gebieden zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende overzichtskaarten, een belasting geheven ter zake van reclameobjecten.

Artikel 3 Belastingplicht

1. De reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie, reclameobjecten worden aangetroffen;

(…)

Artikel 4 Maatstaf van heffing

1. De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per vestiging.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden de oppervlakten van alle reclameobjekten, die bij één gebouwd perceel of deel daarvan behoren, bij elkaar opgeteld. Indien meerdere gebouwde percelen of delen daarvan tezamen worden gebruikt door één belastingplichtige, worden de oppervlakten van reclameobjekten die bij deze gebouwde percelen of delen daarvan behoren voor de toepassing van dit artikel bij elkaar opgeteld.

3. Indien dezelfde belastingplichtige een aantal niet naast elkaar gelegen gebouwde percelen of gedeelten, waarop reclameobjekten zijn aangebracht, in gebruik heeft, worden deze aangemerkt als één vestiging.

Artikel 5 Belastingtarief

Het tarief bedraagt per vestiging, per jaar € 390.

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 8 Vrijstellingen

De reclamebelasting wordt niet geheven ter zake van reclameobjekten:

a. (…)

b. die door kerken, culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op niet-commerciële doeleinden:

c. op onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredient of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

d. (…)

e. (…)

(…)".

1.5 Het pand is gelegen binnen het gebied als bedoeld in artikel 2 van de Verordening.

1.6 Op 17 februari 2011 is een convenant, genaamd "Convenant inzake Ondernemersfonds [vestigingsplaats]", afgesloten tussen de gemeente Dongeradeel en Stichting Ondernemersfonds [vestigingsplaats] (de Stichting). In dit convenant zijn de afspraken neergelegd over de besteding van de opbrengst van de reclamebelasting, die na aftrek van de kosten van heffing en invordering (perceptiekosten), ter beschikking wordt gesteld aan de Stichting.

1.7 Over 2011 bevonden zich binnen het gebied als bedoeld in artikel 2 van de Verordening 211 vestigingen met reclameobjecten, waarvan drie vestigingen met reclameobjecten die niet "aard- en nagelvast" bevestigd waren. De belastingplichtigen van laatstgenoemde vestigingen zijn, al dan niet na het indienen van een bezwaarschrift, door verweerder niet belastingplichtig verklaard en aldus (uiteindelijk) niet in de heffing van reclamebelasting betrokken.

1.8 In de Verordening voor het belastingjaar 2012, zoals op 27 oktober 2011 vastgesteld door de raad van de gemeente Dongeradeel, is artikel 1, onderdeel c. gewijzigd ten opzichte van de Verordening voor het belastingjaar 2011 en als volgt vastgesteld:

"reclameobjekt: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg, die is aangebracht aan of op een gebouwd perceel".

1.9 In het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2011, "No. 83/'11", over het gemeentelijk belastingbeleid 2012 is - onder meer - over de onder 1.8 vermelde wijziging het volgende opgenomen:

"De term "aard- en nagelvast" is uit overwegingen van doelmatigheid, controleerbaarheid en beheersing van de perceptiekosten in de verordening reclamebelasting opgenomen. De term "aard- en nagelvast" leidt tot discussie in procedures. Doelstelling is dat losstaande reclameobjecten, zoals bijvoorbeeld losstaande reclameborden, niet in de heffing worden betrokken. Om toekomstige discussie en procedures te voorkomen stellen wij u voor de term "aard- en nagelvast" in de verordening reclamebelasting te laten vervallen, te vervangen door de term "aangebracht"(…)".

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder aan eiseres terecht een aanslag reclamebelasting heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de Verordening verbindende kracht heeft.

2.2 Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3 Eiseres voert daartoe - kort gezegd - aan dat de gemeente Dongeradeel in strijd heeft gehandeld met het verbod van détournement de pouvoir en de tweewegenleer. Voorts voert eiseres aan dat naar haar mening de beperking van de belastingplicht in de Verordening tot openbare aankondigingen die aard- en nagelvast zijn verbonden aan een gebouw (artikel 1, onderdeel c., van de Verordening), de beperking van de heffing bij meerdere vestigingen tot één keer per belastingplichtige (artikel 4, leden 2 en 3, van de Verordening), alsmede de in artikel 8, aanhef en onderdelen b. en c., van de Verordening opgenomen vrijstellingen, in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Ter zitting heeft eiseres haar beroep op schending van de hoorplicht laten varen. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag reclamebelasting.

2.4 Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt - kort gezegd - aan dat niet in strijd is gehandeld met de door eiseres genoemde beginselen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.5 De hoogte van de aanslag is niet in geschil bij verbindendheid van de Verordening.

2.6 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Beoordeling van het geschil

3.1 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 227 van de Gemeentewet ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting kan worden geheven en voorts dat bij de vaststelling van een belastingverordening aan de gemeenteraad een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De inhoud en uitwerking van de belastingverordening mogen echter niet leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad, dan wel anderszins in strijd zijn met enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43 120, LJN BI1943).

3.2 Eiseres heeft aangevoerd dat de beperking van de heffing van reclamebelasting tot openbare aankondigingen die aard- en nagelvast zijn verbonden met een gebouw, leidt tot willekeurige belastingheffing.

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank zijn openbare aankondigingen die aard- en nagelvast verbonden zijn en openbare aankondigingen die niet aard- en nagelvast verbonden zijn, mede in het licht van de regeling, rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Door voormeld onderscheid aan te brengen in de belastingplicht handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dit leidt tot een willekeurige belastingheffing, tenzij een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het aangebrachte onderscheid aanwezig is.

3.4 Verweerder heeft ter zitting als rechtvaardiging aangevoerd dat voor dit onderscheid is gekozen uit overwegingen van doelmatigheid en beheersing van perceptiekosten. Dat de perceptiekosten door deze beperking lager konden blijven, heeft verweerder - tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres - niet aannemelijk gemaakt. Of een openbare aankondiging aard- en nagelvast is, dient immers te worden gecontroleerd en vastgesteld, en niet valt in te zien dat deze controle minder bewerkelijk zou zijn dan wanneer deze beperking niet zou worden gemaakt. Het tegendeel lijkt eerder voor de hand te liggen. De door verweerder ter zitting gestelde werkelijke perceptiekosten, te weten € 6.500 voor het onderhavige belastingjaar en € 2.400 voor het belastingjaar 2012, het jaar waarin de term "aard- en nagelvast" in de Verordening is geschrapt, geven geen aanleiding voor een andere conclusie. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het college van burgemeester en wethouders (zie 1.9) ter voorkoming van toekomstige discussie en procedures - die de hoogte van de perceptiekosten mede bepalen - zelf aanleiding heeft gezien voor te stellen de term "aard- en nagelvast" te schrappen. Dat de beperking leidt tot een doelmatiger heffing, is evenmin aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verweerder ter zake heeft aangevoerd niet tot de conclusie leidt dat voor de aangebrachte beperking een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is.

3.5 Verweerder heeft in dit verband nog aangevoerd dat in het onderhavige jaar in slechts drie gevallen geen reclamebelasting is geheven (zie 1.7). Voor zover verweerder hiermee heeft bedoeld te stellen dat in dat geval geen sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel gelet op de meerderheidsregel, faalt deze stelling, nu het niet gaat om schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, maar als beginsel van behoorlijke wetgeving. Verweerders stelling kan daarom niet afdoen aan hetgeen onder 3.3 en 3.4 is overwogen.

3.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Verordening voor het belastingjaar 2011 leidt tot een willekeurige heffing van reclamebelasting en derhalve onverbindend is. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en de bestreden uitspraak op bezwaar zal vernietigen. De op deze Verordening gebaseerde aanslag reclamebelasting kan niet in stand kan blijven. De overige door eiseres aangevoerde beroepgronden behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

Het is niet aannemelijk geworden dat eiseres, voordat verweerder heeft beslist op het bezwaar, heeft verzocht om vergoeding van kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, kan de rechtbank verweerder dan niet veroordelen in de door eiseres in de bezwaarfase gemaakte kosten.

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de wegingsfactor als uitgangspunt heeft te gelden dat de zwaarte van een zaak in beginsel als "gemiddeld" moet worden aangemerkt, tenzij er bijzondere redenen zijn om hiervan af te wijken. De rechtbank ziet in de door eiseres aangevoerde gronden geen aanleiding om voor de vaststelling van de wegingsfactor de zwaarte van de zaak anders dan "gemiddeld" te kwalificeren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de brieven van de gemachtigde van eiseres van 5 en 22 juni 2012 niet kunnen worden aangemerkt als proceshandelingen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpp), nu de rechtbank eiseres slechts in de gelegenheid heeft gesteld schriftelijk te reageren. De rechtbank ziet in de proceshouding van verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel.

De proceskosten zijn, met inachtneming van het voorgaande, op de voet van het Bpp voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als volgt berekend: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1, in totaal € 1.416. Voor de overige door eiseres genoemde proceskosten, te weten reiskosten, wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 71,68 (2 x € 35,84). De in totaal door verweerder verschuldigde proceskosten bedragen derhalve € 1.487,68 (€ 1.416 + € 71,68).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag reclamebelasting voor het belastingjaar 2011, en bepaalt dat deze uitspraak in zo verre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.487,68;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. F.J.H.L. Makkinga, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Boskma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

w.g. E. Boskma

w.g. G.B.A. Brummer

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.