Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA2649

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
AWB LEE 11/2020
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:817, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

herstel authentieke gegevens in basisregistratie kadaster wegens fout van kadaster - kadastrale grenzen van het perceel niet gewijzigd door ruilverkaveling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB 11/2020

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigden: mr. P. Stehouwer, advocaat te Sneek, en [vader], eisers vader),

en

de hoofdbewaarder van het kadaster en de openbare registers, verweerder

(gemachtigde: mr. M.I. Mollee-ten Hoor, werkzaam bij het kadaster).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen de gemeente Lemsterland, te Lemmer (hierna: de gemeente) (gemachtigde: mr. A. Daan) en [derde-partij], te [woonplaats] (hierna: [derde-partij]).

Procesverloop

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Bij besluit van 22 april 2011 heeft verweerder de in de basisregistratie kadaster opgenomen authentieke gegevens betreffende het perceel [perceel] te [woonplaats] (Friesland), kadastraal bekend als [kadastrale naam] (hierna: het perceel) hersteld.

Bij besluit van 13 juli 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van 22 april 2011 kennelijk ongegrond verklaard.

Bij brief van 1 november 2011 heeft verweerder de motivering van het besluit van 13 juli 2011 gewijzigd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tegen de brief van 1 november 2011.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Eiser, verweerder en de gemeente hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. [derde-partij] is verschenen. Ter zitting heeft eiser het beroep tegen de brief van 1 november 2011 ingetrokken.

Overwegingen

1. Eiser was sinds 1990 eigenaar van het perceel [perceel], kadastraal bekend als gemeente Oosterzee, sectie A, nummer 2527, groot 13 are en 10 centiare, en nummer 2513, groot 63 centiare. Bij notariële akte van 20 februari 2008 is aan eiser in het kader van de ruilverkaveling Echtener en Groote Veenpolder (hierna: de ruilverkaveling) toegedeeld de kavel met nummer 010.105. Deze kavel correspondeert met het perceel.

2. De gemeente was tot 27 oktober 2011 eigenaar van het naastgelegen perceel Hoofdweg 1 te [woonplaats], kadastraal bekend als [naastgelegen perceel] (hierna: het naastgelegen perceel). Op 27 oktober 2011 heeft de gemeente het naastgelegen perceel overgedragen aan [derde-partij]. Op 15 maart 2011 heeft de gemeente verweerder verzocht de noord- en oostgrens van het perceel te reconstrueren.

3. Bij besluit van 22 april 2011 heeft verweerder de in de basisregistratie kadaster opgenomen authentieke gegevens betreffende het perceel hersteld, in die zin dat hij de kadastrale kaart heeft gewijzigd en de oppervlakte van het perceel op basis van die wijziging heeft vastgesteld op 13 are en 35 centiare. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit in stand gelaten. Verweerder heeft het bestreden besluit in eerste instantie gebaseerd op de overweging dat bij nauwkeurige metingen is gebleken dat de berekende kadastrale oppervlakte niet juist was en hij op grond van artikel 7s, eerste lid, van de Kadasterwet verplicht was dit authentieke gegeven te herstellen. In de brief van 1 november 2011 heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit gewijzigd en daaraan ten grondslag gelegd dat bij de reconstructie van de noord- en oostgrens van het perceel is gebleken dat de kadastrale kaart en de oppervlakte van het perceel niet kloppen met de grenzen van het perceel zoals die bij het onstaansveldwerk in 1969 zijn vastgesteld. Verweerder heeft de kadastrale kaart met toepassing van artikel 7s van de Kadasterwet hersteld en de oppervlakte van het perceel opnieuw berekend en vastgesteld op 13 are en 35 centiare.

4.1 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de kadastrale kaart en de oppervlakte van het perceel ten onrechte heeft gewijzigd. Volgens eiser had verweerder de grens moeten vaststellen overeenkomstig de grens die is vastgesteld in het Plan van Toedeling in het kader van de ruilverkaveling. Uit het overzicht "vastgoed registratie landinrichting" blijkt dat eiser 13 are en 73 centiare heeft ingebracht in de ruilverkaveling en aan hem 14 are en 55 centiare zijn toegedeeld. Hieruit volgt volgens eiser dat de kadastrale grenzen ten gevolge van de ruilverkaveling zijn gewijzigd. In de bezwaarprocedure in het kader van het Plan van Toedeling is geen bezwaar gemaakt tegen de grens waar het hier om gaat. Nu de akte van toedeling is gepasseerd, is de grens vastgesteld overeenkomstig het Plan van Toedeling. Volgens eiser is sprake van een originaire verkrijging van eigendom en geldt het Plan van Toedeling als titel voor de daarin omschreven rechten.

4.2 Naar aanleiding van eisers beroepsgronden heeft verweerder aangevoerd dat de ruilverkaveling als uitgangspunt heeft dat de kadastrale grenzen van de huispercelen niet wijzigen. Verweerder heeft erop gewezen dat het veldwerk van de ruilverkaveling voor wat betreft de kadastrale grenzen van het perceel terugverwijst naar het ontstaansveldwerk. Daarom is volgens verweerder geen sprake van een originaire verkrijging van een nieuw perceel en heeft de ruilverkaveling ook voor het perceel niet geleid tot een wijziging van de kadastrale grenzen. Na de ruilverkaveling is de oppervlakte van het perceel gecontroleerd vanuit de kadastrale kaart. Dit heeft geleid tot een wijziging van de oppervlakte van het perceel in 14 are en 55 centiare. Hierbij is volgens verweerder niet de omissie van de kaartering van de grafische ligging van de kadastrale grenzen ontdekt, waardoor de "doorwerking" van de fout op de kadastrale kaart is blijven bestaan. Nadien heeft verweerder de noord- en oostgrens van het perceel op verzoek van de gemeente gereconstrueerd, zoals weergegeven op het veldwerk Oosterzee, sectie L, archiefnummer 270. Daarbij is door de landmeter geconstateerd dat deze kadastrale grenzen niet correct op de kadastrale kaart waren weergegeven. Verweerder wijst erop dat het veldwerk leidend is en niet de kadastrale kaart.

4.3 Het geschil spitst zich toe op de vragen of de kadastrale grenzen van het perceel zijn gewijzigd ten gevolge van de ruilverkaveling en of verweerder terecht de gegevens van het perceel in de basisregistratie kadaster heeft hersteld. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

4.4 Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Kadasterwet is er een basisadministratie kadaster, bestaande uit administratieve gegevens met betrekking tot onroerende zaken en de landelijke kadastrale kaart.

Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder d, bevat de basisregistratie kadaster de kadastrale grootte van een perceel.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, bevat de basisregistratie kadaster voorts de landelijke kadastrale kaart. Die kaart is toegankelijk door middel van een coördinaat in het net van coördinatiepunten, bedoeld in artikel 52, of door middel van de kadastrale aanduiding van een perceel. De landelijke kadastrale kaart bevat de afbeelding van de kadastrale grenzen van een perceel, weergegeven in het net van coördinatiepunten, bedoeld in artikel 52.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de bewaarder belast met het verrichten van inschrijvingen in de openbare registers en het bijwerken van de basisregistratie kadaster.

Ingevolge artikel 7f, tweede lid, zijn de in de basisregistratie kadaster opgenomen gegevens, bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdelen a tot en met d, en derde lid, onderdelen a tot en met c, onverminderd artikel 48, vierde lid, authentieke gegevens.

Ingevolge artikel 7s, eerste lid, herstelt de Dienst, indien de Dienst constateert dat de weergave van een authentiek gegeven als bedoeld in artikel 7f, tweede lid, of 7g, eerste lid, in de basisregistratie kadaster niet in overeenstemming is met dat gegeven, als opgenomen in een brondocument of, ingeval een authentiek gegeven wordt afgeleid uit een brondocument, dat gegeven niet juist en volledig daaruit is afgeleid, ambtshalve dat gegeven in die basisregistratie.

4.5 De gevolgen van de ruilverkaveling voor de kadastrale grenzen zijn neergelegd in het "Overzichtsveldwerk ruilverkaveling [woonplaats]er en Groote Veenpolder (gemeente Oosterzee, jaar 2008, sectie L, nieuwe nummers 66 tot en met 232)". In dit document staat dat op dit overzichtsveldwerk van de nieuw ontstane grenzen in de ruilverkaveling de veldwerknummers in rood zijn aangegeven bij de desbetreffende grenzen en dat de overige zwarte grenzen zijn overgenomen van oude kadastrale grenzen uit de LKI (landelijke kaart informatie) of van de topografie uit de GBKN (grootschalige basiskaart Nederland). Verder is in dit document vermeld dat voor reconstructie van niet gewijzigde percelen moet worden teruggegrepen op de ontstaansveldwerken van de oude percelen. Uit het feit dat in dit overzichtsveldwerk alle grenzen van het perceel in zwart zijn aangegeven, leidt de rechtbank af dat geen sprake is van nieuw ontstane grenzen, maar van oude kadastrale grenzen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het perceel ten gevolge van de ruilverkaveling niet is gewijzigd en dat voor de reconstructie daarvan moet worden teruggegrepen op de ontstaansveldwerken van het perceel van 1969. Nu de ontstaansveldwerken bepalend zijn voor de kadastrale kaart en de oppervlakte van het perceel, kan uit de in de "vastgoed registratie landinrichting" vermelde oppervlakte van 14 are en 55 centiare niet worden afgeleid dat de kadastrale grenzen van het perceel zijn gewijzigd.

4.6 Eiser heeft niet betwist dat de bij het besluit van 22 april 2011 aangebrachte wijzingen in de kadastrale kaart en de oppervlakte van het perceel in overeenstemming zijn met het brondocument, te weten het ontstaansveldwerk uit 1969. De kadastrale kaart en de oppervlakte zijn authentieke gegevens in de zin van artikel 7f, tweede lid, van de Kadasterwet. Uit het feit dat de vóór het besluit van 22 april 2011 in de basisadministratie kadaster opgenomen kadastrale kaart en oppervlakte niet overeenkwamen met het ontstaansveldwerk, blijkt dat deze authentieke gegevens niet juist waren afgeleid uit dit brondocument. Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 7s, eerste lid, van de Kadasterwet verplicht was deze authentieke gegevens in de basisadministratie kadaster te herstellen. Dit betekent dat deze beroepsgrond in zoverre faalt.

4.7 De rechtbank is echter van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Daartoe overweegt zij dat verweerder in eerste instantie aan het herstel van de authentieke gegevens ten grondslag heeft gelegd dat bij nauwkeurige metingen is gebleken dat de berekende kadastrale oppervlakte niet juist was, terwijl hiervan geen sprake was. Eerst in de brief van 1 november 2011 heeft verweerder overwogen dat het herstel van de authentieke gegevens is gebaseerd op de tijdens de reconstructie van de noord- en oostgrens van het perceel gedane constatering dat de kadastrale kaart en de oppervlakte van het perceel niet kloppen met de grenzen van het perceel zoals die bij het ontstaansveldwerk in 1969 zijn vastgesteld.

5.1 Verder heeft eiser aangevoerd dat verweerder zijn bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarprocedure.

5.2 Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen mag worden afgezien, indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om met toepassing van dit artikel van horen af te zien, dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar een uitspraak van de ABRvS van 25 juli 2012 (LJN: BX2596).

5.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en hem ten onrechte niet heeft gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank was op basis van hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd redelijkerwijs twijfel mogelijk over de vraag of het bezwaar kon leiden tot een andersluidend besluit. Daartoe overweegt zij dat eiser in bezwaar gemotiveerd heeft aangevoerd dat geen sprake was van een fout in de authentieke gegevens. Daardoor stond naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet vast dat sprake was van een fout die verweerder diende te herstellen. Verder acht de rechtbank in dit kader van belang dat verweerder in het besluit van 22 april 2011 ten onrechte heeft overwogen dat door een nieuwe en nauwkeurigere methode van berekening is geconstateerd dat het perceel een andere oppervlakte heeft dan eerder is vastgesteld.

5.4 Hieruit volgt dat deze beroepsgrond slaagt.

6. Hetgeen zij onder 4.7 en 5.3 heeft overwogen brengt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:12, eerste lid, en 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt zij dat het bestreden besluit inmiddels door middel van de brief van 1 november 2011 wel is voorzien van een deugdelijke motivering en dat ter zitting namens eiser is verklaard dat hij niet alsnog een hoorzitting wenst, omdat hij zijn standpunt in de beroepsprocedure voldoende naar voren heeft kunnen brengen.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, 00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,00, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en door mrs. E.M. Visser en H.D. Tolsma, in aanwezigheid van mr. F.F. van Emst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2013.

w.g. voorzitter

w.g. griffier

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.