Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1732

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
18/830033-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt voor brandstichting in Middelstum gevangenisstraf op. De veroordeelde, die sterk verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, hoeft niet meer de cel in, maar moet zich voor behandeling laten opnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830033-13

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 mei 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [[geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 mei 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen.

Tenlastelegging

hij op of omstreeks 15 januari 2013 te Middelstum, gemeente Loppersum,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning [adres]welke woning

deel uitmaakt van een wooncomplex, immers heeft verdachte toen aldaar

opzettelijk met een aansteker een gordijn, althans (een) brandbare stof(fen)

in die woning in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met een gordijn, althans (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan dat gordijn, althans (een) brandbare stof(fen), geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en/of omliggende woningen,

althans voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor zich in die omliggende woning(en) bevindende personen, in elk

geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

of anderen, te duchten was.`

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, behalve dat de raadsman stelt dat er geen sprake is geweest van levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen.

Verdachte dient derhalve van dat gedeelte van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd ,zakelijk weergegeven:

Ik heb de gordijnen in mijn woning in brand gestoken met een aansteker.

- Een proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2013, opgenomen in het dossier nr. PL01ML 2013005961 d.d 11 februari 2013, inhoudende de verklaring van [aangever]

- Een proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 24 april 2013 als los document opgenomen in voormeld dossier, inhoudende de relatering van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 16 januari 2013 werd door mij, forensisch onderzoeker, een onderzoek verricht naar sporen in verband met een brand in een bovenwoning te Middelstum, [adres]op 15 januari 2013.

Gelet op de positionering van deze woning in het wooncomplex acht ik het mogelijk dat er bij een doorontwikkeling van deze brand gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten zou zijn geweest.

Uit voormelde bewijsmiddelen blijkt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het bewijs is er ook ten aanzien van het ontstane levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. Dat laatste baseert de rechtbank op de inhoud van het proces-verbaal sporenonderzoek.

Hieruit volgt dat de rechtbank, anders dan de raadsman, ook dit deel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 januari 2013 te Middelstum, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning [adres] welke woning deel uitmaakt van een wooncomplex, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een gordijn in die woning in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die woning aanwezige goederen en omliggende woningen, en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te duchten was.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen voor

goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 21 maart 2013, opgemaakt door J.M. Westenbroek, psychiater.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van een ziekelijke stoornis te weten een autistische stoornis, een eetstoornis en een depressieve stoornis.

Alle voornoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte, ten tijde van het ten laste gelegde, beïnvloed.

Geadviseerd wordt verdachte grotendeels verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het hem ten laste gelegde.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met de conclusie van de psychiater verenigen en neemt deze over en oordeelt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met een proeftijd van 3 jaren.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat aan verdachte de volgende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: verdachte dient zich te houden aan de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland zoals onder meer zijn omschreven in het reclasseringsadvies d.d. 14 mei 2013.

Voorgaande houdt ook in dat verdachte de thans ingezette klinische behandeling voortzet op de forensische psychiatrische afdeling (verder FPA) " De Cederborg" te Zuidlaren of een vergelijkbare door de reclassering aan te wijzen instelling voor de duur van maximaal 1 jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich niet tegen de strafeis van de officier van justitie te verzetten en zich wat dat betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages en het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 15 januari 2013, uit frustratie en boosheid ingegeven door teleurstelling in zichzelf, een gordijn in zijn woning in brand gestoken waardoor er brand is ontstaan in de woning.

Daarnaast zag verdachte brandstichting als een mogelijkheid om weg te komen uit de woonomgeving waar hij zich niet gelukkig voelde.

Door het handelen van verdachte is een gevaarlijke situatie ontstaan mede gelet op de ligging van de woning.

De betreffende woning was gelegen op de tweede woonlaag en maakte deel uit van een complex van 10 duplexwoningen waardoor er bij een doorontwikkeling van de brand gevaar kon ontstaan, niet alleen voor de zich in de omgeving van de woning bevindende woningen maar ook voor de bewoners van deze woningen.

Een dergelijk ernstig feit rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank houdt bij de bepaling van de straf rekening met dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank houdt rekening met de inhoud van het eerder vermelde psychiatrisch rapport en met het reclasseringsadvies van 14 mei 2013.

Door de psychiater is onder meer naar voren gebracht dat het denken, het gedrag en de maatschappelijke ontwikkeling van verdachte sterk wordt beïnvloed door de autistische stoornis. Door deze stoornis overziet verdachte de gevolgen van zijn handelen niet.

Het risico op een hernieuwde brandstichting op korte termijn wordt als matig, maar op langere termijn als hoog ingeschat zonder intensieve behandeling en begeleiding.

Verwacht wordt dat een klinische behandeling van maximaal 1 jaar voldoende zal zijn om verdachte voldoende te stabiliseren om vervolgens door te gaan in een beschermde woonvorm.

Gezien de ernstige stoornis en het beperkte veranderbaarheid is een langdurig reclasseringstoezicht geïndiceerd.

Zowel in het psychiatrisch rapport alsmede in het rapport van de reclassering wordt geadviseerd dat verdachte de reeds ingezette klinische behandeling zal voortzetten in de FPA te Zuidlaren of een door de reclassering aan te wijzen soortgelijke instelling.

De rechtbank zal dat advies overnemen.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d.24 april 2013 niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank acht de eis van de officier van justitie passend en geboden en zal daarom de officier van justitie hierin volgen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 373 dagen.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 365 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de op 3 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- de veroordeelde geen medewerking verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich klinisch laten behandelen in de FPA "De Cederborg" te Zuidlaren of een door de reclassering aan te wijzen soortgelijke intramurale instelling voor de duur van maximaal 1 jaar, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer) directeur van die instelling worden gegeven.

- de veroordeelde moet zich op/binnen vijf dagen volgend op de gerechtelijke uitspraak telefonisch melden bij Reclassering Noord Nederland, locatie Groningen.

Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht.

Draagt de Reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. D.M. Schuiling, voorzitter, R.B.M. Keurentjes en L.M.E. Kiezebrink, rechters in tegenwoordigheid van J.H. van Scharrenburg, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2013.