Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1638

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
17/753062-12 PROM
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man wegens belediging en het toezenden van een afbeelding die aanstotelijk voor de eerbaarheid is, tot een taakstraf van 80 uren. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, inhoudende dat het verzenden van foto's via WhatsApp aan één persoon, niet kan worden gekwalificeerd als belediging in het openbaar. De rechtbank kwalificeert beide foto's als beledigend, maar slechts één van de foto's als aanstotelijk voor de eerbaarheid.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 240
Wetboek van Strafrecht 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/753062-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 mei 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 17 mei 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.P. van Eerden, advocaat te Rotterdam.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 8 november 2011 en 9

november 2011 te Vlieland, in ieder geval in de gemeente Vlieland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, in de openbare horecagelegenheid het "[naam 10]",

opzettelijk [aangeefster] in het openbaar bij afbeelding heeft beledigd, door het

vervaardigen en/of aanbieden van een of meer (compromitterende) (digitale)

afbeelding(en) van die [aangeefster],

immers heeft verdachte,

- een (digitale) afbeelding waarop verdachte en/of [aangeefster] en/of een of

meerdere ander(e) perso(o)n(en) met ontbloot (boven)lichaam, liggend op een

bed, is/zijn afgebeeld, en/of

- een (digitale) afbeelding waarop [aangeefster] en/of [naam 1] naakt op een bed

is/zijn afgebeeld, terwijl die [aangeefster] die [naam 1] oraal bevredigt,

althans terwijl die [aangeefster] (ogenschijnlijk) (een) seksuele handeling(en)

met die [naam 1] verricht,

vervaardigd/gemaakt en/of

vervolgens die (compromitterende) (digitale) afbeelding(en) openbaar gemaakt

door deze via een internetverbinding en met gebruikmaking van een

telefoontoestel (met verscheidene toepassingen, waaronder een (digitale)

camera), in ieder geval een apparaat geschikt voor het vervaardigen/maken en

het opslaan en verzenden van (digitale) afbeeldingen, (ter aanschouwing) aan

te bieden aan verdachtes mededader [mededader], terwijl die [mededader] aanwezig was in die voornoemde openbare horecagelegenheid het

"[naam 10]", en heeft die mededader [mededader] vervolgens meermalen,

althans eenmaal, die (digitale) afbeeldingen op een telefoontoestel, althans

een apparaat geschikt voor het vertonen van (digitale) afbeeldingen, aan een

of meerdere in dat "[naam 10]" aanwezige perso(o)n(en) (ter aanschouwing)

aangeboden of doen of laten aanbieden;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 8 november 2011 en 9

november 2011 te Vlieland, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te

weten een telefoontoestel (met verscheidene toepassingen, waaronder een

(digitale) camera), in ieder geval een apparaat geschikt voor het

vervaardigen/maken en het opslaan en verzenden van (digitale) afbeeldingen,

waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt,

opzettelijk en wederrechtelijk van een of meerdere perso(o)n(en), te weten [aangeefster] en/of [naam 1], aanwezig in een woning, te weten een woning gelegen

aan of bij de [adres 2] aldaar, meerdere, althans een,

(compromitterende) afbeelding(en) heeft vervaardigd/gemaakt;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 8 november 2011 en 9

november 2011 te Vlieland, in ieder geval in de gemeente Vlieland, meermalen,

althans eenmaal, een of meerdere afbeeldingen, te weten

- een (digitale) afbeelding waarop verdachte en/of [aangeefster] en/of [naam 1]

met ontbloot (boven)lichaam, liggend op een bed, was/waren afgebeeld, en/of

- een (digitale) afbeelding waarop [aangeefster] en/of [naam 1] naakt op een bed

was/waren afgebeeld, terwijl die [aangeefster] die [naam 1] oraal bevredigt,

althans terwijl die [aangeefster] (ogenschijnlijk) (een) seksuele handeling(en)

met die [naam 1] verricht,

via een internetverbinding en met gebruikmaking van een telefoontoestel (met

verscheidene toepassingen), in ieder geval een apparaat geschikt voor het

vervaardigen/maken en/of het opslaan en verzenden van (digitale) afbeeldingen,

aan [mededader], in ieder geval iemand, anders dan op diens verzoek,

heeft toegezonden,

terwijl hij wist of (een) ernstige reden(en) had om te vermoeden dat die

afbeelding(en) aanstotelijk voor de eerbaarheid was/waren.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

Beoordeling van het bewijs

Vaststelling van de feiten

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken vast:

Op 8 november 2011 is verdachte in het [naam 10] te Vlieland. Omstreeks 22:00 uur verlaat hij het café samen met aangeefster [aangeefster] (hierna: aangeefster) en [naam 1] (hierna: [naam 1]). Verdachte heeft kort hiervoor medeverdachte [mededader] (hierna: [mededader]) gevraagd om ook mee te gaan naar zijn huis. [mededader] sloeg dit aanbod af omdat hij nog even in het café wilde blijven. Na zijn vertrek heeft verdachte [mededader] nog gebeld om te vragen waar hij bleef. Eenmaal bij verdachte thuis wordt door verdachte, aangeefster en [naam 1] nog wat gedronken, waarna het drietal in bed belandt. Verdachte neemt met zijn mobiele telefoon een tweetal foto's en stuurt deze respectievelijk omstreeks 22:56 en 23:01 uur via WhatsApp naar [mededader]. Op de eerste afbeelding is te zien dat het drietal met ontbloot bovenlichaam in bed ligt, waarbij de borsten van aangeefster zichtbaar zijn. Op de tweede afbeelding is te zien dat [naam 1] op haar rug ligt en aangeefster haar oraal bevredigt.

[mededader] is nog in het café ten tijde van het ontvangen van de afbeeldingen en toont deze aan de bekenden met wie hij nog in het café is. Zowel [mededader] als de anderen die de afbeeldingen zien, reageren geschokt.

De volgende dag laat [mededader] de foto's weer zien aan bezoekers van het [naam 10].

Feit 1

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij onder meer aangevoerd dat er niet in het openbaar bij afbeelding is beledigd en dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op het beledigen van aangeefster had.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Dat de afbeeldingen de eer en goede naam van aangeefster aantasten, staat naar het oordeel van de rechtbank vast, nu aangeefster op de eerste afbeelding met ontbloot bovenlijf en op de tweede afbeelding is te zien terwijl zij bij een ander seksuele handelingen verricht.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat het versturen van de betreffende afbeeldingen via WhatsApp aan één persoon niet in de weg staat aan bewezenverklaring van de openbaarheid van de belediging. Hiertoe overweegt de rechtbank dat van openbaarheid sprake is als de belediging gericht is tot enig publiek. Daaronder dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad1 te worden verstaan "uitlatingen onder zodanige omstandigheden of op een zodanige wijze dat zij in beginsel door anderen dan degene tegenover wie zij zijn gedaan zouden kunnen worden gehoord". De rechtbank redeneert analoog dat een belediging gericht is tot enig publiek in het geval van het verzenden van afbeeldingen onder dusdanige omstandigheden dat zij in beginsel door anderen dan degene aan wie zij zijn verzonden, zouden kunnen worden gezien.

In het onderhavige geval is daarvan naar het oordeel van de rechtbank sprake. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verdachte wist of in elk geval moest vermoeden dat [mededader] zich nog in het [naam 10] bevond en dat hij daar met anderen zou zijn. Gelet daarop kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesteld dat de genoemde afbeeldingen na het versturen aan [mededader] door anderen zouden kunnen worden gezien.

De rechtbank acht voorts bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op het beledigen van aangeefster in het openbaar had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door onder bovengenoemde omstandigheden een tweetal compromitterende afbeeldingen aan [mededader] te sturen, de aanmerkelijke kans op het publiek worden van deze afbeeldingen bewust aanvaard. De rechtbank neemt hierbij voorts in overweging dat verdachte - in tegenstelling tot in de door de raadsman aangehaalde casus2 - niet aan [mededader] heeft meegedeeld dat hij deze afbeeldingen niet verder mocht verspreiden of vertonen.

De rechtbank zal derhalve de onder 1. primair ten laste gelegde belediging van aangeefster bewezen verklaren.

Van medeplegen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu op geen enkele wijze is gebleken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [mededader].

De rechtbank zal dit onderdeel van het onder 1. primair ten laste gelegde derhalve niet bewezen verklaren.

Feit 2

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de eerste afbeelding niet aanstotelijk is en dat van de tweede afbeelding niet kan worden vastgesteld of deze aanstotelijk is, nu deze afbeelding naar het oordeel van de raadsman slecht zichtbaar is afgebeeld in de stukken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Teneinde te beoordelen of een afbeelding aanstotelijkheid voor de eerbaarheid is, dient te worden uitgegaan van de eerbaarheid als algemeen begrip zoals dat moet worden opgevat naar de hier te lande heersende zeden, welke worden bepaald door de bij een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk op dit punt levende opvattingen3.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de eerste afbeelding, met daarop verdachte, aangeefster en [naam 1], waarbij de ontblote borsten van aangeefster zichtbaar zijn, niet als aanstotelijk voor de eerbaarheid kan worden opgevat.

Ten aanzien van de tweede afbeelding is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende duidelijk in het dossier zichtbaar is. Ondanks dat de afbeelding als thumbnail - en dus verkleind - in het dossier is opgenomen, is hierop duidelijk te zien dat een vrouw oraal wordt bevredigd door een andere vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit door een belangrijke meerderheid van het Nederlandse volk als aanstotelijk voor de hier te lande heersende zeden opgevat. Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank tevens bevestigd door de geschokte reacties van [mededader] en de overige cafébezoekers bij de confrontatie met de bewuste afbeelding.

De rechtbank zal het onder 2. ten laste gelegde ten aanzien van de tweede afbeelding derhalve bewezen verklaren.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde de hierna te noemen bewijsmiddelen4 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte5, inhoudende:

Ik ben op 8 november 2011 in bed beland met [aangeefster] en [naam 1]. Ik heb hier twee afbeeldingen van gemaakt met mijn mobiele telefoon en naar [mededader] gestuurd.

2. De verklaring van aangeefster [aangeefster]6, inhoudende:

[verdachte] vroeg op 9 november 2011 in het [naam 10] op Vlieland aan [naam 1] en mij of we nog gezellig bij hem thuis wilden drinken. [verdachte], [naam 1] en ik zijn met z'n drieën weggegaan. [medeverdachte] zei dat hij later zou komen.

Op donderdag 10 november 2011 was ik aan het werk toen mijn collega mij vertelde dat er afbeeldingen waren gemaakt van mij en [naam 1] en [verdachte]. Ze vertelde dat we naakt op deze afbeeldingen te zien waren bij [verdachte] in de slaapkamer. Dat ik met [naam 1] dingen deed. Ik had seks met [naam 1]. Ik vond het niet goed dat [verdachte] stiekem afbeeldingen had gemaakt van ons, hij had dat aan ons moeten vragen.

3. De verklaring van [naam 1]7, inhoudende

Op 8 november 2011 was ik met [aangeefster], [verdachte] en [mededader] in het [naam 10]. Op een bepaald moment gingen [verdachte], [aangeefster] en ik naar [verdachte]'s huis.

V: In hoeverre heb jij gezien dat er afbeeldingen zijn gemaakt?

A: Niet, ik weet het niet. Ik heb er in elk geval geen toestemming voor gegeven.

4. De verklaring van [mededader]8, inhoudende:

Op dinsdag 8 november zat ik in het [naam 10] te Vlieland. [naam 1] en [aangeefster] gingen omstreeks 22:30 uur naar de woning van [verdachte]. Ik hoorde van [verdachte] de vraag of ik ook mee wilde naar zijn huis. Ik sloeg dit af, omdat ik nog even in het [naam 10] wilde blijven. Enige momenten later ging mijn telefoon en hoorde ik dat [verdachte] mij belde met de mededeling dat ik naar zijn woning moest komen. Ik gaf aan dat ik in het café bleef, ondanks herhaaldelijk bellen door [verdachte]. Op een gegeven moment kreeg ik een WhatsApp-bericht met daarin de mededeling dat het erg gezellig was. Vrijwel direct daarna kreeg ik een afbeelding gestuurd via WhatsApp. Toen ik deze afbeelding opende zag ik dat op deze afbeelding [naam 1], [aangeefster] en [verdachte] zichtbaar waren tot op borsthoogte met hun gezichten. Ik zag dat hun bovenlichamen ontbloot waren. Ik zag dat een of twee borsten van [aangeefster] ontbloot zichtbaar waren op deze afbeelding. Omdat ik de afbeelding niet goed kon zien, vergrootte ik de afbeelding op mijn telefoon en ik schrok van de afbeelding. Enkele minuten later ontving ik opnieuw een afbeelding van [verdachte] via de WhatsApp. Ik opende deze afbeelding en vergrootte deze. Ik zag dat op deze afbeelding [naam 1] en [aangeefster] seksuele handelingen met elkaar verrichten. Ik zag dat [aangeefster] [naam 1] oraal bevredigde.

5. De verklaring van [naam 2]9, inhoudende:

Ik werk als barvrouw in het [naam 10] op Vlieland. Op 8 november 2011 was ik daar aan het werk. Er waren een aantal mensen in het café, onder wie [mededader], [naam 3] en [naam 4]. [verdachte], [aangeefster] en [naam 1] waren toen al weg. [verdachte] heeft een paar keer gebeld en onder meer met [naam 5] en [naam 3] gesproken via het toestel van [medeverdachte] en mijn telefoon.

V: Wanneer kwamen de foto's ten tonele?

A: Dat was een kwartiertje na het laatste gesprek tussen [verdachte] en [naam 3].

V: Wat was [medeverdachte] zijn reactie?

A: [medeverdachte] schrok heftig. Ik zag dit aan de uitdrukking op zijn gezicht. Daarna maakte hij een gebaar of wilde hij het toestel weggooien.

V: Wie zaten naast [medeverdachte]?

A: links [naam 4], rechts [naam 3] en [naam 5] zat naast [naam 3].

V: Wat was de reactie van de rest?

A: Nieuwsgierigheid. Daarna was er geschoktheid bij allen.

V: Waarom was de geschoktheid?

A: Om de afbeeldingen. Op de eerste afbeeldingen waren ze alle drie naakt te zien. Op de tweede afbeelding was te zien dat [naam 1] op haar rug lag en dat [aangeefster] haar befte.

V: Wat kun je vertellen over [medeverdachte] en het moment van de afbeeldingen?

A: [medeverdachte] kreeg de afbeelding toegestuurd en liet ze daarna aan ons zien. Hij deed dit door zijn display een klein beetje te draaien, zodat iedereen het kon zien. Hij draaide de display naar mij toe, zodat ik ze ook kon zien, ik stond namelijk achter de bar.

6. De verklaring van [naam 3]10, inhoudende:

Ik was op 8 november 2011 in het [naam 10]. [medeverdachte] kreeg twee foto's toegestuurd via Whats App. Ik zag aan hem dat hij ervan schrok. Hij liet dit op gegeven moment wel zien, aan mij, [naam 4], [naam 5] en [naam 6].

De eerste foto was van hun drieën naast elkaar. Ik zag dat alle drie een ontbloot bovenlichaam hadden. Op de tweede foto zag ik [aangeefster] en [naam 1]. Ik zag [naam 1] op haar rug liggen. [aangeefster] zat tussen haar knieën en die zat [naam 1] te beffen.

De dag erna heeft [medeverdachte] de foto's nog aan diverse andere mensen in het [naam 10] laten zien.

7. Het proces-verbaal van SSC-Noord11, inhoudende:

Ik, verbalisant, heb naast het onderzoeksitem van dit proces-verbaal een tweede GSM

- GSM-2 - onderzocht. Op dit toestel werden op 8 november 2011 omstreeks 22:56 en 23:01 uur twee afbeeldingen ontvangen met het programma WhatsApp. Van mijn collega kreeg ik de informatie dat de gebruiker van dat toestel [mededader] was. Op dat toestel werd als afzender binnen het programma WhatsApp vermeld: [nummer].

Van mijn collega kreeg ik de informatie dat de eigenaar van de I Phone was genaamd [verdachte] en dat het telefoonnummer [nummer 2] was. Ik heb in de veiliggestelde data gezocht naar afbeeldingen die op 8 november omstreeks 22:55 en 23:01 waren gemaakt. Ik kreeg de onderstaande afbeeldingen te zien. De afbeelding met de naam [afbeelding] komt overeen met de afbeelding die op onderzoeksitem 7080 GSM-2 werd aangetroffen.

8. De eigen waarneming van de rechtbank, betreffende een thumbnail12 afkomstig uit de telefoondata van verdachte, inhoudende:

De rechtbank ziet een kleurenafbeelding waarop een ontblote dame op haar rug met gespreide benen op een bed ligt. Een tweede ontblote dame zit ook op het bed, met haar hoofd tussen de gespreide benen van de eerstgenoemde dame.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 8 november 2011 te Vlieland, in ieder geval in de gemeente Vlieland, meermalen, in de openbare horecagelegenheid het "[naam 10]", opzettelijk [aangeefster] in het openbaar bij afbeelding heeft beledigd, door het

vervaardigen en aanbieden van compromitterende digitale afbeeldingen van die [aangeefster],

immers heeft verdachte,

- een digitale afbeelding waarop verdachte en [aangeefster] en een andere persoon met ontbloot bovenlichaam, liggend op een bed zijn afgebeeld, en

- een digitale afbeelding waarop [aangeefster] en [naam 1] naakt op een bed zijn afgebeeld, terwijl die [aangeefster] die [naam 1] oraal bevredigt,

gemaakt en

vervolgens die compromitterende digitale afbeeldingen openbaar gemaakt door deze via een internetverbinding en met gebruikmaking van een telefoontoestel met verscheidene toepassingen, waaronder een digitale camera, ter aanschouwing aan te bieden aan [mededader], terwijl die [mededader] aanwezig was in die voornoemde openbare horecagelegenheid het "[naam 10]", en heeft die [mededader] vervolgens meermalen

die digitale afbeeldingen op een telefoontoestel aan meerdere in dat "[naam 10]" aanwezige personen ter aanschouwing aangeboden;

2.

hij op 8 november 2011 te Vlieland, in ieder geval in de gemeente Vlieland, een afbeelding, te weten

- een digitale afbeelding waarop [aangeefster] en [naam 1] naakt op een bed waren afgebeeld, terwijl die [aangeefster] die [naam 1] oraal bevredigt,

via een internetverbinding en met gebruikmaking van een telefoontoestel met verscheidene toepassingen, aan [mededader], anders dan op diens verzoek, heeft toegezonden,

terwijl hij wist dat die afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid was.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. primair Belediging, meermalen gepleegd.

2. Wetende dat een afbeelding aanstotelijk voor de eerbaarheid is, die afbeelding aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 15 mei 2013 en het reclasseringsadvies d.d. 13 mei 2013;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging door foto's van aangeefster, waarop zij naakt is afgebeeld en waarop tevens te zien is dat zij seksuele handelingen bij een ander verricht, openbaar te maken door deze via WhatsApp aan een vriend te sturen, die zich op dat moment in een café bevond. Daarop heeft deze vriend de betreffende afbeeldingen in het café aan een aantal personen laten zien. Daarmee heeft verdachte zich ten aanzien van de foto waarop seksuele handelingen te zien zijn, tevens schuldig gemaakt aan het toezenden van een afbeelding waarvan verdachte wist dat deze aanstotelijk voor de eerbaarheid was. De rechtbank neemt het verdachte vooral kwalijk dat hij door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de morele integriteit van het slachtoffer.

Uitgangspunt voor een op te leggen straf vormen de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor de twee door verdachte gepleegde feiten geldt dat er alleen voor belediging een landelijk oriëntatiepunt bestaat, namelijk een geldboete van € 150,00.

Strafverzwarend is de omstandigheid dat verdachte wist dat zijn vriend zich in het café bevond en dat daar bekenden aanwezig waren van aangeefster. Voorts betrof het compromitterende foto's waarvan overduidelijk is dat openbaarmaking en verspreiding daarvan een forse inbreuk oplevert op de morele integriteit en reputatie van aangeefster.

Verdachte heeft geen strafblad. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte een man is die over het algemeen goed functioneert en de reclassering heeft de indruk dat het een eenmalig uit de hand gelopen incident is geweest. Het recidiverisico wordt als laag in geschat. De reclassering adviseert het opleggen van een werkstraf.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en zal verdachte conform de eis van de officier van justitie veroordelen tot een onvoorwaardelijke werkstraf. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door verdachte gepleegde feiten niet kunnen worden vergeleken met veel voorkomende verbale beledigingen, zodat de rechtbank van oordeel is dat het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf van hierna te noemen omvang passend is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 240 en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 80 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. Th.A. Wiersma, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 mei 2013.

...............................................

1 Hoge Raad d.d. 29 juni 2010, LJN BL9108.

2 Rechtbank Almelo d.d. 25 april 2013, LJN BZ8542.

3 Hoge Raad d.d. 17 november 1970, NJ 1971/373.

4 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL02R1 2011120478, gesloten op 12 augustus 2012.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 mei 2013.

6 Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster], d.d. 19 november 2011, pagina's 52-55.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [naam 1], d.d. 19 november 2011, pagina's 68-72.

8 Het mutatierapport verhoor van [mededader], d.d. 11 november 2012, pagina's 116-118.

9 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 2], d.d. 19 november 2011, pagina's 83-88.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 3], d.d. 19 juni 2012, pagina's 92-95.

11 Het proces-verbaal van SSC-Noord, Divisie recherche ondersteuning, Unit observatie en digitale expertise, Team digitale expertise, d.d. 28 december 2011, pagina's 11-13.

12 Het proces-verbaal van SSC-Noord, Divisie recherche ondersteuning, Unit observatie en digitale expertise, Team digitale expertise, d.d. 28 december 2011, pagina 12.