Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1119

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/767
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Geen recht op heffingskorting voor durfkapitaal. Ten onrechte niet gehoord, maar hierdoor niet benadeeld. Beroep op vertrouwensbeginsel verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1383
V-N Vandaag 2013/1228
Belastingadvies 2013/13.7
V-N 2013/34.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/767

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 18 april 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2005 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.609 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.616. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 125 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 20 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De rechtbank heeft deze procedure ingeschreven onder het procedurenummer AWB 08/2691.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft op 12 oktober 2010 in de procedure AWB 08/2691 mondeling uitspraak gedaan. Het gerechtshof Leeuwarden heeft deze uitspraak bij mondeling uitspraak van 20 december 2011 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

De rechtbank heeft vervolgens de naar haar terugverwezen procedure ingeschreven onder het procedurenummer AWB 12/767.

Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1 Bij overeenkomst van geldlening van 24 maart 2000 heeft eiser een bedrag van ƒ 140.000 (€ 63.529) geleend aan [naam] en [naam]. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"Deze geldlening is aangegaan met het oog op het bepaalde in artikel 42b lid 1 letter c en artikel 45 lid 1 letter i Wet IB 1964, en dient ter financiering van van bedrijfsmiddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen van de geldlener behoren. Deze geldlening is een zogenaamd achtergestelde lening en neemt gedurende acht jaren na het overeenkomen van deze geldlening, een lagere rang in dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De geldlener verklaart zich (hoofdelijk) te verbinden om:

- van voormelde som of het onafgeloste gedeelte daarvan aan de gelduitlener te zullen betalen de nader door partijen overeen te komen variabele rent, maandelijks per de 1e, voor de eerste maal op de 1e april 2000, over de maand maart 2000;

(…)

- terzake van deze lening na te komen de voorwaarden en bedingen aan deze overeenkomst gehecht, welke door ondertekenden geacht worden volledig in deze akte te zijn opgenomen en één geheel daarmede uit te maken.

(…)".

Deze geldlening is op 20 april 2000 geregistreerd.

1.2 Bij overeenkomst van geldlening van 24 maart 2000 heeft eiser een bedrag van ƒ 60.000

(€ 27.226) geleend aan [naam] en [naam]. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

"Deze geldlening is aangegaan met het oog op het bepaalde in artikel 42b lid 1 letter c en artikel 45 lid 1 letter i Wet IB 1964, en dient ter financiering van van bedrijfsmiddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen van de geldlener behoren. Deze geldlening i een zogenaamd achtergestelde lening en neemt gedurende acht jaren na het overeenkomen van deze geldlening, een lagere rang in dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

De geldlener verklaart zich (hoofdelijk) te verbinden om:

- van voormelde som of het onafgeloste gedeelte daarvan aan de gelduitlener te zullen betalen de nader door partijen overeen te komen variabele rent, maandelijks per de 1e, voor de eerste maal op de 1e oktober 2000, over de maand september 2000;

(…)

- terzake van deze lening na te komen de voorwaarden en bedingen aan deze overeenkomst gehecht, welke door ondertekenden geacht worden volledig in deze akte te zijn opgenomen en één geheel daarmede uit te maken.

(…)".

Deze geldlening is op 9 oktober 2000 geregistreerd.

1.3 Eiser heeft de twee leningen in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2010 aangemerkt als directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet). Daarbij heeft hij de leningen gerekend tot de vrijgestelde bezittingen. Daarnaast heeft hij in deze aangiften ten aanzien van de leningen verzocht om toepassing van de heffingskorting voor durfkapitaal. Verweerder heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2010 ten aanzien van de leningen overeenkomstig eisers aangiften opgelegd, behoudens de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005. Voor dat jaar heeft verweerder de door eiser gevraagde heffingskorting voor durfkapitaal van € 1.241 niet toegepast.

1.4 Eiser heeft bij brief van 18 april 2008 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005. Hierin heeft eiser verweerder verzocht om ter behoud van rechten, indien verweerder voornemens mocht zijn om niet aan eisers bezwaren tegemoet te komen, eiser zijn voornemen gemotiveerd kenbaar te maken en eiser alsdan in de gelegenheid te stellen hierop schriftelijk te kunnen reageren en (in ieder geval vooralsnog) geen uitspraak op bezwaar te doen. Verweerder heeft hierop bij brief van 29 mei 2008 gereageerd. Eiser heeft vervolgens gereageerd bij brief van 19 juni 2008. Hierbij heeft hij onder dezelfde voorwaarden als hij in zijn bezwaarschrift heeft gedaan, verweerder verzocht om hem in de gelegenheid te stellen schriftelijk te kunnen reageren. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 30 juni 2008. Eiser heeft hierop bij brief van 9 juli 2008 gereageerd. Hierbij heeft eiser onder dezelfde voorwaarden als in zijn bezwaarschrift, verweerder verzocht om hem in de gelegenheid te stellen binnen een redelijke termijn te reageren. Verweerder heeft bij brief van 17 juli 2008 aan eiser meegedeeld dat hij van plan is om het bezwaar af te wijzen. Verweerder heeft eiser hierbij in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze toe te lichten. Daarbij heeft hij eiser verzocht om een afspraak met hem te maken. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 15 augustus 2008, waarbij hij onder dezelfde voorwaarden als in zijn bezwaarschrift, verweerder heeft verzocht om hem in de gelegenheid te stellen binnen een redelijke termijn te reageren. Vervolgens hebben eiser en verweerder gecorrespondeerd bij brieven van respectievelijk 2 september 2008 en 15 september 2008. Bij brief van 29 september 2008 heeft verweerder (nogmaals) zijn voornemen om het bezwaar af te wijzen aan eiser kenbaar gemaakt. Hierbij heeft hij eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze mondeling toe te lichten. Verweerder heeft eiser verzocht om hiervoor een afspraak te maken. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 14 oktober 2008. In deze brief heeft eiser meegedeeld:

"Indien u voornemens mocht zijn om niet aan onze bezwaren en verzoeken tegemoet te komen, behouden wij ons het recht voor om kennis te nemen van uw gemotiveerd voornemen en als dan in de gelegenheid te worden gesteld stellen hierop (schriftelijk) te kunnen reageren alvorens uitspraak op de bezwaar te doen.

Voor de goede orde maken wij tevens uitdrukkelijk het voorbehoud tzt gebruik te maken van het recht om te worden gehoord".

1.5 Verweerder heeft bij uitspraak van 20 oktober 2008 het bezwaar van eiser afgewezen. Hierbij heeft verweerder meegedeeld dat eiser heeft nagelaten om vóór 17 oktober 2008 telefonisch met hem een afspraak te maken om te worden gehoord. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van het recht om gehoord te worden.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of eiser recht heeft op de heffingskorting voor durfkapitaal.

3. Naar de rechtbank eiser begrijpt, heeft eiser gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank volgt eiser in deze stelling. Uit de onder punt 1.4 vermelde correspondentie uit de bezwaarfase, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser te kennen heeft gegeven door verweerder te willen worden gehoord. Verweerder heeft dit onderkend en heeft eiser bij brieven van 17 juli 2008 en 29 september 2008 tot twee maal toe in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze toe te lichten. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder uit de omstandigheid dat eiser hiervoor geen afspraak met hem heeft gemaakt vóór de door verweerder gestelde data, niet afleiden tot eiser (stilzwijgend) afstand deed van zijn recht om gehoord te worden. Dit geldt temeer nu eiser in zijn brief van 14 oktober 2008 het voorbehoud heeft gemaakt om gebruik te maken van zijn recht om te worden gehoord. Gelet hierop had bij verweerder op zijn minst twijfel moeten bestaan over de vraag of eiser al dan niet toestemming had gegeven om van het horen af te zien. In dat geval bleef verweerder gehouden eiser in de gelegenheid te stellen te worden gehoord (zie HR 15 mei 2009, LJN: BI3751).

4. Uit hetgeen onder punt 3 is overwogen, volgt dat eiser ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter aan dit gebrek in de uitspraak op het bezwaarschrift voorbijgegaan worden, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser in de van hem afkomstige stukken steeds heeft meegedeeld dat de zaak schriftelijk kan worden behandeld, omdat het volgens hem een juridische discussie betreft. Gelet hierop, alsmede gezien de inhoud van de processtukken, concludeert de rechtbank dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen verweerder en eiser geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij verweerder geen beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten.

5. Ingevolge artikel 8.20 van de Wet IB 2001 geldt de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal voor de belastingplichtige van wie directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 ingevolge artikel 5.16 zijn vrijgesteld.

6. Ingevolge artikel 5.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 - voor zover hier van belang - zijn directe beleggingen in durfkapitaal geregistreerde achtergestelde geldleningen aan een beginnende ondernemer die de lening gebruikt voor de financiering van bestanddelen van zijn verplichte ondernemingsvermogen.

7. Ingevolge het vierde lid van artikel 5.17 van de Wet IB 2001 juncto artikel 32 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (UR Wet IB 2001) wordt onder een geregistreerde, achtergestelde lening als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid juncto artikel 5.17 vierde lid, van de Wet IB 2001 - voor zover hier van belang - verstaan een geldlening:

- met een hoofdsom van tenminste € 2.269 ter zake waarvan een rente wordt vergoed welke niet uitgaat boven de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (onderdeel a)

- ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat de lening door degene die de geldlening verstrekt niet is gefinancierd met geleend geld (onderdeel c, ten derde).

8. Eiser heeft gesteld dat de onder de punten 1.1 en 1.2 bedoelde leningen moeten worden aangemerkt als directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 van de Wet IB 2001. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de last rust om te bewijzen of de leningen als zodanig kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank wijst partijen er hierbij op dat omkering van de bewijslast niet aan de orde is, nu eiser reeds op grond van de gewone bewijslastverdeling de bewijslast heeft.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder aan de hand van het door eiser verstrekte jaaroverzicht over het jaar 2005 heeft berekend dat in het jaar 2005 aan eiser een rentepercentage is vergoed van 5,06%, terwijl de wettelijke rente in dat jaar 4% bedroeg. Aldus heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de vergoede rente niet mag uitgaan boven de wettelijke rente. Eiser heeft hier tegenover niet aannemelijk gemaakt dat wel aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank volgt verweerder hierbij in zijn stelling dat voortdurend moet worden getoetst of deze voorwaarde is vervuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarde dat in de leningsovereenkomsten moet zijn opgenomen dat de leningen niet zijn gefinancierd met geleend geld. In de onder de punten 1.1 en 1.2 bedoelde overeenkomsten en de daaraan gehechte voorwaarden en bedingen is hierover naar het oordeel van de rechtbank niets opgenomen. Anders dan eiser kennelijk meent, is de rechtbank van oordeel dat expliciet in de leningsovereenkomsten moet worden vermeld dat de leningen niet zijn gefinancierd met geleend geld. Het maakt hierbij niet uit of de leningen feitelijk niet zijn gefinancierd met geleend geld. De rechtbank wijst eiser erop dat het verweerder vrij stond om pas in de bezwaarfase te stellen dat (ook) aan deze voorwaarde niet is voldaan.

10. Uit het voorgaande volgt dat de onder de punten 1.1 en 1.2 bedoelde leningen niet kunnen worden aangemerkt als directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 van de Wet IB 2001. Dit brengt mee dat verweerder op grond van artikel 8.20 van de Wet IB 2001 eiser het recht op de heffingskorting voor durfkapitaal terecht heeft onthouden.

11. Naar de rechtbank eiser begrijpt, heeft eiser gesteld dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel toch recht heeft op de heffingskorting voor durfkapitaal. Eiser heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat verweerder bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2010 de leningen overeenkomstig eisers aangiften steeds heeft aangemerkt als vrijgestelde bezittingen en hij - behoudens bij de aanslag IB/PVV voor het jaar 2005 - steeds de door eiser gevraagde heffingskorting voor durfkapitaal heeft verleend. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieraan niet zonder meer het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat verweerder eisers standpunt dat de leningen moeten worden aangemerkt als directe beleggingen in durfkapitaal ook voor het jaar 2005 zou volgen bij de beoordeling van de gevraagde heffingskorting voor durfkapitaal. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijkomende omstandigheden aangevoerd die bij hem de indruk hebben kunnen wekken dat de door verweerder gevolgde gedragslijn ten aanzien van de kwalificatie van de leningen als directe beleggingen in durfkapitaal, berustte op een bewuste standpuntbepaling. De rechtbank oordeelt daarom dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan afdoen aan de onder punt 10 gegeven conclusie.

12. Eiser heeft verder aangevoerd dat de uitspraak op zijn bezwaar onzorgvuldig is gedaan, omdat deze - naar de rechtbank eiser begrijpt - onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank acht de uitspraak op bezwaar, mede gelet op de daaraan voorgaande correspondentie, evenwel voldoende gemotiveerd.

13. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking heffingsrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de heffingsrente het bedrag van de aanslag volgt.

14. De beroepen zijn ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 april 2013.

w.g.griffier

w.g. rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.