Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1098

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2285
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8374, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Auto aangetroffen op openbare weg tijdens schorsing. Rechtbank acht aannemelijk dat de waargenomen auto eisers auto was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 1156
FutD 2013-1389
V-N Vandaag 2013/1202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/2285

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 april 2013 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het tijdvak 12 juli 2011 tot en met 7 januari 2012 aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd in de motorrijtuigenbelasting ten bedrage van € 691. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 691.

Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar van 17 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Verweerder heeft nadere stukken van eiser ontvangen, die verweerder op 18 januari 2013 heeft doorgestuurd naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1 Eiser was volgens de kentekenregistratie vanaf 12 juli 2011 houder van het motorrijtuig met het kenteken [AA-BB-##], met de kleur paars en van het merk Dodge (de auto). De datum van het kentekenbewijs deel I is 8 juli 1996. De auto droeg reeds op het moment van eisers aankoop een kentekenplaat met daarop vermeld het kenteken met de duplicaatcode 2.

1.2 De auto stond vanaf 12 juli 2011 als geschorst geregistreerd als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

1.3 Op 15 oktober 2011 om 15.52 uur heeft [parkeercontroleur], parkeercontroleur in dienst van Parkeer Combinatie Holland, geconstateerd dat de auto stond geparkeerd op een gehandicaptenplaats aan de [a-straat] t.o. nummer 62 te [Z]. Nadat de parkeercontroleur de bestuurder van de auto aansprak, reed de bestuurder van de auto volgens de parkeercontroleur snel weg.

1.4 De parkeercontroleur heeft aan eiser op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een sanctie opgelegd wegens het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder een geldige gehandicaptenparkeervergunning. Volgens het door de parkeercontroleur ter plekke handgeschreven proces-verbaal (parkeerbon) droeg de auto het kenteken [AA]²-[BB-##]. Als merk/type is op de parkeerbon genoteerd "dodge RAM".

1.5 De parkeercontroleur heeft op 21 november 2012 op ambtsbelofte een proces-verbaal opgemaakt van de onder punt 1.3 bedoelde constatering. Dit proces-verbaal heeft hij naderhand verbeterd, omdat hierin een onjuiste datum van de constatering stond vermeld.

1.6 Verweerder is door het Centraal Justitieel Incasso Bureau in kennis gesteld van de onder punt 1.3 bedoelde constatering. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd aan eiser.

1.7 Eiser heeft een kopie overgelegd van een op 12 december 2012 gedagtekende naheffingsaanslag parkeerbelasting. Op deze handgeschreven naheffingsaanslag is als kenteken genoteerd "[AA]²-[BB-##]", als merk/type "Chrysler" en als kleur "paars".

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslag en boete terecht aan eiser heeft opgelegd.

Vooraf

3. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens eiser ontbreken onder meer de stukken ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de parkeercontroleur. Namens verweerder is ter zitting gesteld dat er met betrekking tot de naheffingsaanslag en uitspraak op bezwaar geen andere stukken bij verweerder aanwezig zijn dan de stukken die reeds zijn overgelegd. De rechtbank overweegt dat verweerder alleen die stukken in het geding hoeft te brengen die bij zijn besluitvorming een rol hebben gespeeld. De rechtbank acht aannemelijk dat de door eiser vermeende stukken -wat hier overigens ook van zij- ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de parkeercontroleur niet zijn betrokken bij verweerders besluitvorming. Op verweerder rustte daarom niet de plicht om deze stukken te overleggen. Gelet op de door verweerder in het geding gebrachte stukken, acht de rechtbank verder aannemelijk dat verweerder alle stukken heeft overgelegd die bij zijn besluitvorming een rol hebben gespeeld. De rechtbank verwerpt daarom eisers grief.

Het inhoudelijke geschil

4. Eiser heeft aangevoerd dat het op 15 oktober 2011 om 15.52 uur door de parkeercontroleur waargenomen voertuig niet zijn auto was. Eiser trekt de juistheid van de waarneming van de parkeercontroleur in twijfel. Verder zou het volgens eiser kunnen zijn dat het waargenomen voertuig gebruikt heeft gemaakt van valse kentekenplaten. De rechtbank overweegt dat op verweerder de last rust om aannemelijk te maken dat het waargenomen voertuig eisers auto betrof. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het overleggen van het onder punt 1.5 bedoelde op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal in deze bewijslast geslaagd. De rechtbank heeft geen enkele twijfel aan de juistheid van de waarneming van de parkeercontroleur. De rechtbank neemt, gelet op de aard van de functie van parkeercontroleur, aan dat sprake was van een opzettelijke waarneming. Dit houdt in dat de parkeercontroleur bewust en scherp moet hebben gelet op de kentekenplaten van de auto. Dat de parkeercontroleur aldus heeft waargenomen, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat hij op de parkeerbon, naast het kenteken, ook de duplicaatcode 2 heeft genoteerd. Nu de kentekenplaten van eisers auto ten tijde van de constatering deze duplicaatcode droegen, is het waargenomen voertuig naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar eisers auto geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hier niets tegenin gebracht dat zou kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Eiser heeft op geen enkele wijze zijn stelling aannemelijk gemaakt dat de auto lange tijd aantoonbaar defect was. Aan eisers enkele stelling dat de waargenomen auto valse kentekenplaten zou dragen, kent de rechtbank geen gewicht toe. Hiervoor bestaat geen enkele aanwijzing en bovendien heeft eiser ter zake geen aangifte gedaan van een strafbaar feit. In de omstandigheid dat, zoals eiser heeft gesteld, dezelfde parkeercontroleur op 12 december 2012 op een door hem aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting als merk van de auto ten onrechte het merk Chrysler heeft genoteerd (zie punt 1.7), ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de kwaliteit van waarneming van de parkeercontroleur. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser in zijn beroepschrift zelf heeft geschreven dat de auto geen merk- of typeaanduiding draagt. Gezien de verwantschap tussen de merken Dodge en Chrysler acht de rechtbank het niet onlogisch dat de parkeercontroleur in dit geval als merk "Chrysler" heeft genoteerd. De rechtbank concludeert dan ook dat eisers beroepsgrond hem niet kan baten.

4. Verweerder heeft onbestreden gesteld dat de onder punt 1.3 bedoelde constatering leidt tot de conclusie dat de weg is gebruikt met de auto. De rechtbank volgt verweerder in deze conclusie. Uit de vaststaande feiten volgt dat de auto als geschorst stond geregistreerd tijdens dit gebruik van de weg. Op grond van artikel 35 van de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet MRB) kan in dat geval de belasting over een tijdsduur van vier tijdvakken van drie maanden worden nageheven. Gelet op deze bepaling, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd. Nu eiser de hoogte van de naheffingsaanslag niet heeft bestreden, gaat de rechtbank ervan uit dat de naheffingsaanslag tot een juist bedrag is opgelegd.

5. Op de voet van artikel 37 van de Wet MRB juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur in het geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet MRB de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.920,--. Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van € 50,-- en een maximum van € 4.920,--.

6. Het beroep van eiser wordt, hoewel hij hiervoor geen specifieke gronden heeft aangevoerd, ook geacht te zijn gericht tegen de aan hem opgelegde verzuimboete. Nu hier sprake is van een geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet MRB, heeft verweerder deze verzuimboete naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser opgelegd. Verweerder heeft de hoogte van de boete bepaald overeenkomstig de voor hem geldende voorschriften in het BBBB. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een redelijke verhouding aanwezig tussen het verzuim en de opgelegde verzuimboete van € 691. Deze verzuimboete is passend en geboden.

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Artikel 8:73 van de Algemene wet inzake bestuursrecht geeft de rechtbank alleen bij een gegrond beroep de mogelijkheid een partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding dan ook af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.

w.g. griffier w.g. rechter/voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.