Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA0894

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
564536 CV EXPL 12-11574
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

studiekostenbeding beroep daarop in strijd met g.wg en redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0409

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 564536 CV EXPL 12-11574

Vonnis d.d. 25 april 2013

inzake

[naam],

wonende te [plaatsnaam]

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. M. Vos, advocaat te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap Totaal Advies Nederland B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna TAN te noemen,

gemachtigde mr. O.M.M. Philips, advocaat te Haren.

PROCESGANG

in conventie en reconventie

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 17 januari 2013 een comparitie van partijen bepaald.

[A] heeft voorafgaand aan de comparitie een conclusie van antwoord in reconventie genomen.

De comparitie is op 9 april 2013 gehouden. Ter comparitie zijn verschenen [A], bijgestaan door zijn gemachtigde en de heer [naam], directeur van TAN.

Van hetgeen ter zitting is verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Vonnis is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

in conventie en reconventie

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1 [A] was sinds 1 januari 2010 werkzaam bij TAN. Na drie tijdelijke contracten hebben partijen per 1 januari 2011 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten.

1.2 [A] was laatstelijk werkzaam in de functie telemarketeer en adviseur tegen een bruto maandsalaris van € 1.700,00 voor 38 uur per week.

1.3 In de arbeidsovereenkomst van 1 januari 2011 staat, voor zover hier van belang, onder meer het volgende:

“ Werknemer is gehouden op verzoek van werkgever ook buiten werktijden her- en bijscholingscursussen te volgen, waarvan de kosten voor rekening van werkgever zullen zijn. Als werknemer uit zichzelf besluit om deze arbeidsovereenkomst op te zeggen zullen de totale kosten voor cursussen die werkgever voor werknemer betaald heeft verrekend worden met het laatst te betalen loon en vakantievergoeding. Werknemer en werkgever spreken af dat werknemer zsm de diploma’s wft basis en wft consumptief krediet behaalt.”

“ Provisie over bemiddelingsvergoeding bedraagt vooralsnog 7.5% bruto. Partijen spreken af dit eind 2010 percentage te herzien of te verhogen of werknemer een hoger vast salaris uit te keren.”

1.4 Bij brief van 1 juni 2012 heeft [A] het volgende, voor zover hier van belang, aan TAN geschreven:

“ (…) Door het dreigend ontslag van de laatste tijd, heb ik er voor gekozen bij een andere werkgever te gaan werken. Ik verzoek u mij daarom ontslag te verlenen per 1 juni 2012. Zoals besproken is deze datum met wederzijdse toestemming overeengekomen (…) ”

1.5 TAN heeft op 24 juli 2012 op de door [A], op haar verzoek, opgestelde eindafrekening gereageerd. Zij heeft, voor zover hier van belang, het volgende aan [A] medegedeeld:

“ (…) ik heb de betalingen gecheckt en je hebt 1. maand basis tegoed = 1,5 x 1345 = 2017,5

vakantiegeld netto is denk ik netto 816

tezamen 2833 netto

(…) hier van af, gezien je zelf ontslag genomen hebt en alle kosten voor cursussen ed verrekend mogen worden, trek ik (…) 2317

2833-2317 = 516 te betalen (…) ”

De vorderingen

2.1 [A] vordert in conventie (samengevat) primair dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, TAN veroordeelt tot betaling van € 4.407,40 vermeerderd met de wettelijke verhoging per 27 juli 2012 en de wettelijke rente per 26 oktober 2012, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Subsidiair vordert [A] betaling van € 3.870,40 te vermeerderen met de wettelijke verhoging per 27 juli 2012 en de wettelijke rente per 26 oktober 2012, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

2.2 TAN vordert in reconventie (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A] veroordeelt tot betaling van € 3.662,00 en de proceskosten van het geding in reconventie.

De beoordeling van de vordering in conventie

3.1 [A] legt het navolgende aan zijn eis ten grondslag. In het kader van de afwikkeling van de beëindigde arbeidsovereenkomst is TAN aan hem een bedrag aan achterstallig salaris verschuldigd van € 2.017,50, de vakantietoeslag over 2012 van € 1.022,00, provisies van € 241,00, reiskosten van € 15,90, een vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen van € 500,00 alsmede een bedrag aan salaris van € 638,00 omdat TAN gedurende 29 maanden € 22,00 per maand te weinig heeft uitbetaald. Dit zijn netto bedragen.

3.2 De kantonrechter overweegt dat TAN de vordering voor wat betreft het achterstallige salaris van € 2.017,50 erkent. Het bedrag ligt dan ook voor toewijzing gereed.

3.3 Voorts erkent TAN dat zij een bedrag aan vakantietoeslag 2012 aan [A] is verschuldigd. Hoewel zij in de e-mail van 24 juli 2012 meent dat hem een lager bedrag toekomt dan wordt gevorderd, voert zij in rechte niets aan over de omvang van het volgens haar verschuldigde bedrag. De kantonrechter gaat bij gebreke van een nadere toelichting van TAN dan ook uit van de juistheid van het door [A] gevorderde bedrag van € 1.022,00. Dat bedrag zal worden toegewezen.

3.4 Ter zitting heeft TAN aangeboden de provisie van € 241,00 te willen betalen, zodat de kantonrechter ook dat bedrag zal toewijzen.

3.5 TAN voert aan dat het gevorderde bedrag aan reiskosten van € 15,90 is betaald. De kantonrechter overweegt dat dat moet worden aangemerkt als een bevrijdend verweer. Volgens de hoofdregel van de bewijslastverdeling, neergelegd in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust de bewijslast ten aanzien van het bevrijdende verweer (indien dit betwist wordt) op TAN. Aan deze bewijslast gaat een stelplicht vooraf. Dat houdt in dat TAN in ieder geval dient aan te geven in hoeverre zij het bedrag waarvan thans betaling wordt gevorderd heeft voldaan en dat standpunt te onderbouwen door bijvoorbeeld het overleggen van betalingsbewijzen. TAN stelt dat haar hele administratie door brand verloren is gegaan. De kantonrechter overweegt dat dit een omstandigheid betreft die voor haar rekening en risico komt. De kantonrechter gaat aan het verweer van TAN voorbij en zal het bedrag van € 15,90 toewijzen.

3.6 Ten aanzien van vordering ter zake van de niet genoten vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. TAN voert aan dat er geen uit te keren vakantiedagen bestaan omdat [A] alle hem toekomende vakantiedagen heeft genoten. Zij heeft daarvan geen administratie bijgehouden.

3.7 De kantonrechter stelt voorop dat op TAN als werkgever de verplichting rustte om, gelet op het bepaalde in artikel 7:641 lid 2 Burgerlijk Wetboek, de administratie van onder andere de genoten vakantiedagen bij te houden. Verder overweegt de kantonrechter dat in het algemeen de werknemer het door hem gestelde tegoed aan vakantiedagen zal moeten bewijzen indien de werkgever voldoende gemotiveerd heeft betwist dat aan de werknemer nog vakantiedagen toekomen. De kantonrechter is van oordeel dat TAN geenzins gemotiveerd heeft betwist dat [A] zijn vakantiedagen allen zou hebben genoten. De kantonrechter zal uitgaan van hetgeen [A] heeft gesteld, namelijk dat hij nog recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen hetgeen neerkomt op een bedrag van € 500,00. Zijn vordering zal op dit punt dan ook worden toegewezen.

3.8 Ter zake van het gevorderde bedrag van € 638,00, ter zake waarvan [A] stelt dat hij gedurende 29 maanden € 22,00 per maand te weinig salaris heeft ontvangen, is in het geheel geen verweer gevoerd. De kantonrechter overweegt dat het bedrag voor toewijzing gereed ligt, doch ten hoogste tot een bedrag van € 611,00 nu [A] zijn de totaal gevorderde hoofdsom in het petitum heeft gesteld op € 4.407,40.

3.9 Nu tegen de gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente geen (specifiek) verweer is gevoerd, zullen die worden toegewezen zoals in het dictum vermeld. Ter zake van de gevorderde buitengerechtelijke kosten heeft [A] geen concreet bedrag gevorderd, zodat die vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.

De beoordeling in reconventie

4.1 TAN legt het navolgende aan haar eis ten grondslag. [A] heeft bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van één maand niet in acht genomen. TAN vordert daar een bedrag aan schadevergoeding voor van € 1.345,00 netto. Tevens vordert TAN betaling van gemaakte studiekosten van € 2.317,00. Nu [A] het initiatief tot beëindiging heeft genomen kan TAN op grond van de gemaakte afspraken aanspraak maken op verrekening van de studiekosten.

4.2 [A] betwist dat er sprake is van een onregelmatige opzegging en schadeplichtigheid jegens TAN. Er is sprake geweest van wederzijdse instemming met betrekking tot de ontslagdatum.

4.3 De kantonrechter overweegt dat [A] op 31 mei 2012 aan TAN heeft verzocht om ontslag per 1 juni 2012 en dat hij in de betreffende brief heeft geschreven dat deze datum met wederzijdse toestemming is overeengekomen. In haar reactie rept TAN met geen woord over de datum van het ontslag, noch heeft zij een bedrag aan schadevergoeding opgenomen in haar voorstel ter zake van de eindafrekening. De kantonrechter overweegt dat het dan niet aangaat om daar thans op terug te komen. Bovendien had zij haar standpunt dat er geen sprake was van toestemming voor ontslag per 1 juni 2012, gezien de inhoud van de brief van [A] van 31 mei 2012 nader dienen te onderbouwen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [A] de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig heeft opgezegd. Het gevorderde bedrag aan schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

4.4 Ter zake van het gevorderde bedrag aan studiekosten voert [A] primair aan de verrekening van studiekosten dient buiten toepassing te blijven. Hij heeft niet uit zichzelf besloten de overeenkomst op te zeggen. Subsidiair meent [A] dat slechts de examenkosten van € 537,00 voor verrekening in aanmerking komen.

4.5 De kantonrechter oordeelt als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest Muller/Van Opzeeland (HR 10 juni 1983, NJ 1983, 796) geoordeeld dat het systeem van de wet zich niet verzet tegen een financiële regeling tussen werkgever en werknemer mits die: a. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden; b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking tijdens of onmiddellijk na afloop van de studieperiode eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zal moeten terugbetalen; en c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a bedoelde tijdspanne. Voorts heeft de Hoge Raad nog enkele randvoorwaarden geformuleerd. Onder andere heeft hij overwogen dat een werkgever in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan handelen als hij de werknemer aan de terugbetalingsregeling houdt, terwijl hij zelf het initiatief tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft genomen.

4.6 De kantonrechter overweegt dat ter zitting is gebleken dat in maart 2012 de vergunning voor TAN door de Autoriteit Financiële Markten is ingetrokken. [A] voert aan dat het bedrijf vanaf dat moment geen bestaansrecht meer heeft. TAN stelt dat er nog wel werk was. De kantonrechter overweegt dat de situatie destijds in ieder geval wel is veranderd, dat voorts vast staat dat TAN [A] in april 2012 heeft aangezegd tot ontslag over te gaan en dat, zoals TAN naar voren heeft gebracht, het bedrijf thans stil ligt. De kantonrechter is van oordeel dat deze omstandigheden met zich brengen dat het feit dat [A] de overeenkomst per juni 2012 heeft opgezegd voor rekening en risico dient te komen voor TAN. Daargelaten dat het studiekostenbeding niet aan de vereisten voldoet, is het beroep van TAN op het studiekostenbeding in de gegeven omstandigheden in strijd met het goed werkgeverschap. Ook dit gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

De proceskosten

5.1 TAN zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in conventie en reconventie, worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en reconventie. Omdat [A] met een toevoeging procedeert, zal de kantonrechter bepalen dat zowel het gemachtigdensalaris als 75% van de zuivere explootkosten (artikel 40 Besluit vergoeding rechtsbijstand) aan de griffier moeten worden voldaan. De overige kosten moeten aan [A] worden betaald.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt TAN om tegen kwijting aan [A] te betalen € 4.407,40 vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW alsmede de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2012 tot de dag der algehele voldoening;

in reconventie

wijst de vordering van TAN af;

in conventie en reconventie

veroordeelt TAN in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] tot aan deze uitspraak vastgesteld op in totaal € 676,17, waarvan te voldoen aan de griffier van dit gerecht

€ 69,13 aan door de griffier betaalde explootkosten en € 500,00 aan salaris van de gemachtigde en te voldoen aan [A] € 73,00 aan griffierecht en € 34,04 aan resterende explootkosten;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 25 april 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: jc