Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:CA0203

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2364
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag, primair als disciplinaire maatregel, subsidiair wegens ongeschiktheid en meer subsidiair wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Zelf voorzien voor wat betreft de hoogte van de ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

procedurenummer: AWB LEE 12/2364

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 mei 2013 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. A.T. Chinnoe,

en

Stichting Comperio Scholen voor openbaar primair onderwijs in de Stellingwerven,

verweerder,

gemachtigden: mr. W.M. de Boer en S. Saakstra.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ontslagen uit zijn functie van groepsleerkracht.

Bij besluit van 21 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het beroep van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep aangetekend.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Bij brief van 13 maart 2013 heeft de rechtbank het verzoek van eiser om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting afgewezen.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, gehouden op 27 maart 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door haar gemachtigden.

Overwegingen

Feiten

1.1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.2. Eiser was sinds 1 augustus 2008 werkzaam als groepsleerkracht op de openbare school voor speciaal basisonderwijs De Triade te Wolvega. Voordien heeft hij in 1996, 1997, 2004 en 2005 invalwerkzaamheden verricht voor verweerders rechtsvoorganger Openbaar Primair Onderwijs Weststellingwerf. Ook heeft hij invalwerkzaamheden verricht voor verweerders rechtsvoorganger stichting Triënte. Op 31 december 2010 heeft eiser aan [naam, hierna: X ], de directeur van De Triade, meegedeeld dat hij via geruchten te horen heeft gekregen dat een voormalig leerlinge aangifte tegen hem heeft gedaan van seksueel misbruik. Tijdens een gesprek met [X] op 3 januari 2011 heeft eiser ontkend dat hij enige vorm van een relatie met de aangeefster heeft gehad. Voorts heeft eiser tijdens dat gesprek gezegd dat hij meerdere tatoeages heeft en dat hij onder andere aan de hand daarvan zijn onschuld kon bewijzen. Tijdens een gesprek met onder meer [X] en algemeen directeur Saakstra op 17 januari 2011 heeft eiser dit herhaald.

1.3. Bij besluit van 25 maart 2011 heeft verweerder eiser per 1 april 2011 ontslagen. Op 13 april 2011 heeft verweerder dit besluit ingetrokken in afwachting van eventuele strafrechtelijke vervolging van eiser.

1.4. Bij vonnis van 10 november 2011 heeft de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank Leeuwarden eiser vrijgesproken van de hem ten laste gelegde zedendelicten. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

1.5. Bij brief van 25 november 2011 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van haar voornemen eiser te ontslaan. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser per 24 december 2011 ontslagen.

1.6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiser primair disciplinair ontslag verleend op grond van artikel 4.7, aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4.15, derde lid, aanhef en onder e, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (de CAO PO), subsidiair ontslag op grond van artikel 4.7, aanhef en onder g van de CAO PO wegens ongeschiktheid voor het verrichten van de functie van groepsleerkracht aan een school voor primair onderwijs, en meer subsidiair ontslag op grond van artikel 4.7, aanhef en onder k van de CAO PO wegens redenen van gewichtige aard, namelijk een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

Plichtsverzuim

2.1. Ingevolge artikel 4.7, aanhef en onder j, van de CAO PO kan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 4.8 bepaalde, ontslag worden verleend als disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim.

2.2. Op grond van artikel 4.15, eerste lid, van de CAO PO kan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, om die reden disciplinair worden gestraft. Ingevolge het derde lid zijn de disciplinaire maatregelen die kunnen worden opgelegd:

a. schriftelijke berisping;

b. overplaatsing naar een andere instelling onder hetzelfde bevoegde gezag;

c. inhouding van salaris;

d. schorsing voor maximaal zes maanden;

e. ontslag.

2.3. Eiser stelt dat verweerder het verhandelde ter strafzitting van 27 oktober 2011 ten onrechte ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, terwijl verweerder daarop niet is ingegaan in het primaire besluit. Van een relatie met dan wel het betrachten van onvoldoende afstand tot een leerlinge door eiser is geen sprake. Eiser had slechts aandacht voor de leerlinge omdat hij haar verhaal over misbruik door haar moeder en stiefvader geloofde. In geen van de functioneringsgesprekken heeft verweerder eiser aangesproken op ongepast gedrag. Eiser was zich juist bewust van zijn kwetsbare positie als mannelijke leerkracht. Eiser heeft oprecht geloofd dat de tatoeages in de door hem aangegeven periodes zijn gezet. Hij heeft zich zo open en eerlijk mogelijk tegenover verweerder willen opstellen en heeft daarbij aangegeven wat hem zijns inziens kon vrijpleiten van de beschuldigingen. Naast de burn-out die eiser al had, kunnen stress, angst en schrik door de aangifte, het gesprek met verweerder en de aanhouding van eiser wellicht verklaren waarom hij jaartallen door elkaar heeft gehaald. Het gaat enkel om twee van eisers acht tatoeages. Toen eiser zijn vergissing ontdekte, heeft hij meteen zijn advocaat gebeld en op diens advies contact met de politie opgenomen om zijn verklaring bij te stellen. De onjuiste mededelingen die eiser heeft gedaan zijn niet zodanig dat dit plichtsverzuim oplevert. Bovendien zijn zijn gedragingen niet zo ernstig dat dit het opleggen van de zwaarste straf van disciplinair ontslag rechtvaardigt.

2.4. Verweerder voert aan dat de gronden in het bestreden besluit zijn aangevuld. Hoewel deze werkwijze niet de schoonheidsprijs verdient, is deze aanvulling bij de heroverweging volgens verweerder toegestaan, nu de juridische grondslag op zichzelf niet is gewijzigd, maar verweerder slechts de feiten en omstandigheden nader heeft gemotiveerd. Verweerder heeft eiser in 2002 aangesproken op het onvoldoende afstand bewaren tot een leerlinge en op het feit dat zij meldingen had gekregen dat er sprake zou zijn van een intieme relatie. Van enkele verklaringen van eiser naar aanleiding van een aangifte van die leerlinge is achteraf gebleken dat zij pertinent onjuist zijn: de periode wanneer eiser bepaalde tatoeages heeft laten zetten, het aantal keren dat hij de sleutel van een woning heeft gekregen en dat aangeefster zichzelf zou hebben ge-sms't met de mobiele telefoon van eisers zus. Er is geen sprake van een vergissing, nu eiser daarop niet is teruggekomen maar zijn verklaringen steeds heeft gehandhaafd. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat vrijspraak niet zonder meer betekent dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim. Bovendien gaf de rechtbank in het vonnis aan dat er wel elementen waren die steun geven aan de aangifte tegen eiser.

2.5. Met betrekking tot de uitbreiding door verweerder van de gedragingen waarop het plichtsverzuim is gebaseerd overweegt de rechtbank het volgende. Uit een uitspraak van de CRvB van 21 juni 2012 (LJN: BW9158) in een zaak waarbij de straf van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd, volgt dat het uitbreiden van het - aan een primair besluit ten grondslag gelegde - plichtsverzuim met gedragingen die zich hebben voorgedaan nadat het voornemen tot strafoplegging aan appellant kenbaar is gemaakt, in strijd is met de in artikel 7:11 van de Awb vervatte verplichting het primaire besluit op de grondslag van het bezwaar te heroverwegen. Van strijd met deze verplichting is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake in de onderhavige zaak, nu de strafzitting in eerste aanleg plaatshad op 27 oktober 2011, terwijl verweerder het ontslagvoornemen pas op 25 november 2011 aan eiser heeft bekendgemaakt.

2.6. De rechtbank stelt vast dat eiser de vermeende relatie met een leerlinge zou hebben gehad ten tijde van een eerder dienstverband van eiser bij een rechtsvoorganger van verweerder. Reeds om die reden is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een plichtsverzuim dat een ontslag van eiser uit zijn laatste functie rechtvaardigt, nog daargelaten dat naar het oordeel van de rechtbank niet is komen vast te staan dat eiser inderdaad een relatie met die leerlinge heeft gehad, dan wel geen gepaste afstand tot haar heeft betracht.

2.7. De rechtbank overweegt dat naar aanleiding van de onjuiste mededelingen van eiser over zijn tatoeages psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar het bestaan van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bij eiser en een eventueel daaruit voortvloeiende geheugenstoornis, teneinde te kunnen beoordelen of eiser zich heeft vergist dan wel dat hij opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven. In dat kader is eiser onderzocht door psychiater D.H. Kromdijk die uiteindelijk viermaal een rapport over eiser heeft uitgebracht. De rechtbank acht deze rapporten - mede gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van de verschillende versies - niet bruikbaar, nu op grond daarvan niet is komen vast te staan of bij eiser wel of geen PTSS aanwezig was ten tijde van zijn onjuiste verklaringen. Wel acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser zich tijdens de gesprekken met verweerder op 3 en 17 januari 2011 heeft vergist ten gevolge van stress. Dat er bij eiser sprake was van stressverschijnselen leidt de rechtbank af uit het feit dat eiser in het najaar van 2010 al een flinke achterstand had opgelopen in de voor zijn onderwijsbevoegdheid noodzakelijke opleiding, hij eind december 2010 bekend werd met de aangifte tegen hem en hij op 10 januari 2011 is aangehouden en verhoord door de politie. Daaraan doet niet af dat eiser pas na het gesprek op 17 januari 2011 is aangehouden en in bewaring is gesteld. Het feit dat eiser over het nadien ontdekken van zijn vergissing geen mededeling heeft gedaan aan verweerder staat naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk aan liegen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de directeur van verweerder in het gesprek op 17 januari 2011 heeft verklaard contact te hebben gehad met de teamchef van de politie en acht het dan ook begrijpelijk dat eiser terughoudend is geweest met het verstrekken van nadere strafrechtelijk relevante informatie aan verweerder. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het onjuist verklaren van eiser over twee van zijn tatoeages onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat er sprake is van plichtsverzuim door eiser.

2.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de primaire grondslag voor het bestreden besluit geen stand kan houden. De beroepsgrond slaagt.

Ongeschiktheid

3.1. Ingevolge artikel 4.7, aanhef en onder g, van de CAO PO kan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 4.8 bepaalde, ontslag worden verleend wegens ernstige mate van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit andere

hoofde dan genoemd onder f.

3.2. Eiser stelt dat verweerder zich slechts door de aangifte tegen eiser heeft laten leiden. Dat er sprake is van ongeschiktheid is ongeloofwaardig, nu verweerder de ontslaggrond baseert op gedragingen die dateren van ruim anderhalf jaar voorafgaand aan het primaire besluit. Voorts heeft verweerder eiser geen verbetertraject aangeboden of moeite gedaan om het gedrag van eiser bij te sturen.

3.3. Verweerder brengt daartegen in dat de aangifte tegen eiser de aanzegging van een verbetertraject heeft doorkuist. In het verleden heeft verweerder eiser meerdere malen aangesproken op ongepast gedrag richting zowel leerlingen als collega's, het niet nakomen van afspraken en onvoldoende voortgang in zijn opleiding. Desondanks heeft eiser geen verbetering getoond.

3.4. Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Daarbij is tevens van belang of de betrokkene tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd en de mogelijkheid en tijd heeft gehad zich te verbeteren. De rechtbank wijst onder meer op de uitspraak van de CRvB van 18 maart 2010 (LJN: BL9739).

3.5. Uit de door verweerder overgelegde gespreksverslagen en e-mailberichten leidt de rechtbank af dat verweerder met eiser heeft gesproken over zijn gedrag, het nakomen van afspraken en de studievoortgang. Hoewel verweerder eiser tijdig en voldoende concreet met zijn gedragingen heeft geconfronteerd, constateert de rechtbank dat verweerder daarbij niet heeft benoemd dat de gedragingen van eiser zo ernstig zijn dat zij tot arbeidsrechtelijke consequenties zullen leiden indien eiser geen verbetering toont. Voorts heeft verweerder geen verbeterplan met eiser gemaakt of hem anderszins de mogelijkheid gegeven zich te verbeteren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de subsidiaire grondslag het ontslagbesluit niet kan dragen. De beroepsgrond slaagt.

Verstoorde arbeidsrelatie/vertrouwensbreuk

4.1. Ingevolge artikel 4.7, aanhef en onder k, van de CAO PO kan aan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 4.8 bepaalde, ontslag worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de werknemer schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard.

4.2. Eiser stelt dat er geen sprake is van een vertrouwensbreuk. Het gesprek van 17 januari 2011 heeft de relatie tussen eiser en verweerder weliswaar geen goed gedaan, maar dat betekent niet dat eiser niet meer met collega's kan functioneren. Wedertewerkstelling is geen probleem, ook nu verweerder nog over andere scholen beschikt. Ouders en leerlingen willen eiser graag terug als leerkracht. De door verweerder toegezegde ontslagvergoeding doet geen enkel recht aan de situatie waarin eiser bij ontslag komt te verkeren. Verweerder heeft door haar handelwijze de psychische gesteldheid van eiser in ernstige mate verslechterd. Eiser verzoekt dan ook om een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb ten bedrage van € 95.000,- netto. Indien de rechtbank reden ziet om de aanstelling van eiser te beëindigen wegens redenen van gewichtige aard, verzoekt eiser de rechtbank de ontslagdatum op 1 januari 2013 te bepalen in plaats van 24 december 2011. Dat zou overeenkomen met uitdiensttreding na twee jaar ziekte en het feit dat eiser nog arbeidsongeschikt is.

4.3. Verweerder voert daartegen aan dat haar vertrouwen in eiser onherstelbaar is beschadigd. Indien de rechtbank besluit dat aan het ontslagbesluit enkel redenen van gewichtige aard ten grondslag kunnen worden gelegd, garandeert verweerder eiser een ontslagvergoeding toe te kennen die tenminste gelijk is aan de hoogte van het wachtgeld bij eervol ontslag.

4.4. De rechtbank overweegt dat voor het aannemen van een vertrouwensbreuk van belang is of de relatie tussen de werkgever en de werknemer onherstelbaar is geschaad. Zowel uit de processtukken als uit het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder ondanks de vrijspraak van eiser van de hem ten laste gelegde zedendelicten ervan overtuigd is dat eiser een relatie met een leerlinge is aangegaan en dat eiser verweerder heeft voorgelogen over zijn tatoeages, zodat verweerder er geen enkel vertrouwen meer in heeft dat eiser nog als een integere leerkracht zal kunnen functioneren. Verweerder heeft deze redenen in zijn voornemen tot ontslag van 15 februari 2011 per aangetekende brief aan eiser meegedeeld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen verweerder en eiser, die een reden van gewichtige aard vormt op grond waarvan verweerder gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om eiser te ontslaan. Dat eiser nog vertrouwen geniet onder collega's, ouders en leerlingen acht de rechtbank in dit kader niet relevant. Deze beroepsgrond faalt.

4.5. Voor het toekennen van een vergoeding, naast hetgeen de van toepassing zijnde rechtspositieregeling (als minimum) voorschrijft, bestaat in het algemeen slechts aanleiding indien er sprake is van een overwegend aandeel van het bestuursorgaan in de verstoorde verhoudingen. De CRvB hanteert daarbij drie bandbreedtes: 51 tot 65%, 65 tot 80% en 80 tot 100%, corresponderend met de factor 0,5, 0,75 en 1. Voor een vergoeding hanteert de CRvB de formule: bruto maandsalaris inclusief vakantiegeld x (aantal dienstjaren: 2) x 0,5, 0,75 of 1 (CRvB, 28 februari 2013, LJN: BZ2043 en BZ2044).

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een overwegend aandeel in de verstoorde arbeidsrelatie met eiser. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Verweerder heeft haar voornemen om eiser te ontslaan, zoals bij brief van 15 februari 2011 toegelicht, in belangrijke mate gebaseerd op de stelling dat eiser verweerder heeft voorgelogen over de oudheid van twee van zijn tatoeages. Daarin heeft verweerder, hoewel de schuld van eiser aan een zedendelict niet vaststond, ook een passage uit een uitspraak van de CRvB aangehaald waarin is overwogen dat aan een leerkracht zonder meer de eis mag worden gesteld dat hij in de omgang met en op het terrein van seksualiteit met kinderen van onbesproken gedrag is. In reactie op de zienswijze van eiser heeft verweerder bij het besluit van 25 maart 2011 overwogen geen reden te zien de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek af te wachten. Hoewel dit besluit in afwachting van eventuele strafrechtelijke vervolging is ingetrokken, is de nadien gevolge vrijspraak van eiser voor verweerder geen reden geweest op haar eerder ingenomen standpunt terug te komen. Integendeel; in het vonnis en het verhandelde ter zitting ziet verweerder zich bevestigd in zijn mening dat eiser een relatie is aangegaan met een leerlinge. Daar komt nog het volgende bij. Naar aanleiding van de tegen eiser gerezen verdenking heeft verweerder op 16 februari 2011 een brief doen uitgaan naar alle ouders van de leerlingen op de school waar eiser werkte. Verweerder heeft daarin gesteld dat eiser in ieder geval niet zal terugkeren op De Triade. Ter zitting heeft eiser onweersproken gesteld dat verweerder bij een vrijspraak van eiser een tweede brief zou doen uitgaan. Ondanks de vrijspraak van eiser heeft verweerder dit nooit gedaan. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de beroering die na de brief van 16 februari 2011 is ontstaan bij leerlingen en ouders, nagelaten het negatieve beeld van eiser bij te stellen. Dat eiser zich hierdoor beschadigd voelt, acht de rechtbank begrijpelijk.

4.7. In het bestreden besluit heeft verweerder eiser meer subsidiair een ontslagvergoeding toegekend die tenminste gelijk is aan de hoogte van het wachtgeld bij eervol ontslag. Gelet op de handelwijze van verweerder acht de rechtbank zowel de door verweerder toegekende als de in rechtsoverweging 4.5. weergegeven reguliere ontslagvergoeding ontoereikend. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gevraagde schadevergoeding van € 95.000 onvoldoende is onderbouwd en bovendien te hoog is, zodat de rechtbank deze niet integraal zal toewijzen. In de negatieve gevolgen van het ontslag voor eiser en het overwegende aandeel van verweerder in het ontslag ziet de rechtbank aanleiding om eiser een ontslagvergoeding toe te kennen die erop neerkomt dat verweerder aan eiser zijn bezoldiging betaalt over de periode van 24 december 2011 tot en met 31 mei 2013. De rechtbank ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek van eiser om de ontslagdatum te wijzigen in 1 januari 2013.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit met betrekking tot de primaire en subsidiaire grondslag en voor zover daarbij geen hogere ontslagvergoeding is toegekend dan de hoogte van het wachtgeld bij eervol ontslag. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 4.7.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit met betrekking tot de primaire en subsidiaire grondslag en voor zover daarbij geen hogere ontslagvergoeding is toegekend dan de hoogte van het wachtgeld bij eervol ontslag;

- kent aan eiser, in aanvulling op het bestreden besluit, een ontslagvergoeding toe die erop neerkomt dat verweerder aan eiser zijn bezoldiging betaalt over de periode van 24 december 2011 tot en met 31 mei 2013;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416, te betalen aan eiser.

Aldus gegeven door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzitter, en door mrs. P.G. Wijtsma en H.D. Tolsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. van der Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2013.

w.g. P.M. van der Spek

w.g. P.G. Wijtsma (bij afwezigheid van de voorzitter)

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.