Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9995

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2013
Datum publicatie
13-05-2013
Zaaknummer
13/226
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beantwoording van de vraag of sprake is van een overtreding van voorschrift 2.2.5 van de omgevingsvergunning en verweerder in verband daarmee terecht en op goede gronden tot handhavend optreden is overgegaan, vergt een nadere beoordeling waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent. Het verzoek van verzoekster zal dan ook aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3178
JAF 2013/286 met annotatie van Van der Meijden
JM 2013/78 met annotatie van T. van der Meulen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Assen

zaaknummer: AWB 13/226

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 2013 in de zaak tussen

[verzoekster]., gevestigd te [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga)

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster op 19 maart 2013 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het geschil is behandeld op de zitting van 23 april 2013. Verzoekster is vertegenwoordigd door H.P. Yntema en R.A.J.M. Tankink, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. R.J.B Caderius van Veen, M.L.G. Modderman, A.M. Robertus en I.E. Simons.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verweerder heeft verzoekster een last onder dwangsom opgelegd ter handhaving van het bepaalde in voorschrift 2.2.5 van de voor de inrichting van verzoeker verleende omgevingsvergunning.

2.1. Voorschrift 2.2.5 van de omgevingsvergunning bepaalt dat de vergunninghouder te allen tijde dient te handelen conform het bij de aanvraag gevoegde Acceptatie- en verwerkingsbeleid North Refinery (A&V-beleid) en de AO/IC.

2.2. In het A&V-beleid is in paragraaf 3.2, op pagina 11, aangegeven dat de verwerkingsroute van de hier genoemde ingangsstoffen, waaronder boor-, snij, slijp- en walsolie (bssw-olie), voldoet aan de minimumstandaarden conform het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP), sectorplan 23 “Oliehoudende afvalstoffen” en sectorplan 31 “Oplosmiddelen”.

2.2.1. In paragraaf 4.8 van sectorplan 23 van het, ten tijde van de vergunning verlening geldende, LAP, is als minimumstandaard voor de be- en verwerking van bssw-olie vastgelegd: scheiden van olie en de waterfractie door middel van membraanfiltratie, ultrafiltratie of flocculatie.

2.2.2. In het A&V-beleid verwijst verzoekster vervolgens, voor een gedetailleerde beschrijving van de verwerkingsroute, naar de vergunningaanvraag. In de vergunningaanvraag is in paragraaf 5.6.2 uiteengezet hoe door verzoekster in de inrichting aan voornoemde minimumstandaard wordt voldaan, te weten dat een vorm van flocculatie wordt toegepast. Dit is ook verwoord in paragraaf 3.9.3 van de considerans van de vergunning. Het thans geldende sectorplan 61 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP 2) kent dezelfde minimumstandaard.

3. De toezichthouder van verweerder heeft op 17 juli 2012 geconstateerd dat binnen de inrichting van verzoekster geen flocculatie wordt toegepast. Evenmin vindt in de inrichting membraanfiltratie of ultrafiltratie plaats. Be- en verwerking van bssw-olie zoals beschreven in het bij de aanvraag gevoegde A&V-beleid vindt aldus volgens verweerder niet plaats binnen de inrichting.

3.1. Tijdens een administratief toezicht is door verweerder geconstateerd dat afvalstroomnummer DE1350/162565 in drie verschillende tanks is opgeslagen en vervolgens via VD1 (vacuumdestilaatie) is verwerkt. Verweerder volgt het standpunt van de minister van Infrastructuur en Milieu (de minister) dat afvalstroomnummer DE1350/162565 na de voorbewerking door Entsorgungsservice Ackermann GmbH & Co (ESA) nog een dermate hoog waterpercentage bevat, dat het, anders dan namens verzoekster is betoogd, niet gaat om spaltöl, maar om bssw-olie. In dit verband verwijst verweerder naar de beslissing op bezwaar inzake kennisgeving DE1350/162565 van de minster van 22 augustus 2012. Verzoekster had de afvalstroom overeenkomstig de in sectorplan 61 van het LAP genoemde minimumstandaard (in het geval van verzoekster flocculatie) dienen te be- of verwerken.

Verweerder stelt zich op basis van het voorgaande op het standpunt dat verzoekster in strijd met voorschrift 2.2.5 van de omgevingsvergunning heeft gehandeld.

4. Verzoekster voert aan dat de aan ESA aangeleverde bssw-olie binnen het bedrijf van ESA door middel van thermische scheiding met flocculatie, overeenkomstig de in het BREF-document Ferrometaalbewerking genoemde beste beschikbare technieken, wordt voorbewerkt. Niet de oorspronkelijke bssw-olie wordt vervolgens overgebracht naar verzoekster maar het via flocculatie bewerkte afgescheiden olie-deel van de afvalstroom. De scheiding van olie en water is in Duitsland goed uitgevoerd; het bevoegde Duitse gezag heeft dit bevestigd. Wat naar verzoekster wordt overgebracht, is het ontwaterde olie-deel welk olie-deel geheel volgens het LAP wordt opgewerkt via destillatie (minimum standaard). Verzoekster merkt op dat zij volgens haar vergunningaanvraag bssw-olie flocculeert en zij doet dit ook als het nodig is. In het geval van het door ESA via flocculatie bewerkte afgescheiden olie-deel van de afvalstroom is flocculatie echter niet meer nodig. Verder wijst verzoekster er op dat de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) bij uitspraak van 15 oktober 2012 het besluit van de minster van 22 augustus 2012 heeft geschorst. Verzoekster acht verweerder aan deze uitspraak gebonden.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vergt beantwoording van de vraag of sprake is van een overtreding van voorschrift 2.2.5 van de omgevinsgsvergunning en verweerder in verband daarmee terecht en op goede gronden tot handhavend optreden is overgegaan, een nadere beoordeling waarvoor de voorlopige voorzieningprocedure zich niet leent. Het verzoek van verzoekster zal dan ook aan de hand van een belangenafweging worden beoordeeld.

5.1. In het kader van de belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit ter onderbouwing van het standpunt dat in onderhavig geval sprake is van een overtreding, heeft verwezen naar het standpunt van de minister, zoals dit onder meer is verwoord in het besluit van 22 augustus 2012. Bij uitspraak van 15 oktober 2012 heeft de voorzitter van AbRS dit besluit van de minster geschorst en bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat met de uitspraak geacht wordt schriftelijke toestemming te zijn verleend voor de overbrenging van 2.500 ton afvalstoffen afkomstig van het productieproces van ESA naar Nederland, in de periode van 1 mei 2012 tot en met 30 april 2013. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de voorzitter van de AbRS enkel ziet op de overbrenging van afvalstoffen; verweerder is als gevolg van de uitspraak van de voorzitter van de AbRS niet gehouden de be- of verwerking van bssw-olie door verzoekster toe te staan.

5.1.1. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, b, i en k, van de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, wanneer een kennisgeving inzake een gepland transport van voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen wordt gedaan, bezwaren kan indienen indien een inrichting geen vergunning heeft voor de geplande nuttige toepassing van afvalstoffen, de geplande nuttige toepassing niet in overeenstemming is met nationale wetgeving inzake milieubescherming van het bezwaren makende land, de betrokken afvalstoffen worden behandeld in een inrichting die niet de beste beschikbare technieken toepast, of de betrokken afvalstoffen niet worden behandeld in overeenstemming met afvalbeheersplannen. De vraag of de overgebrachte stoffen bij de inrichting van ontvangst kunnen worden ontvangen en op in de kennisgeving aangegeven wijze kunnen bewerkt, kan dus worden betrokken bij de beoordeling door de minister. De minister heeft zich in de procedure bij de voorzitter van de AbRS ook nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat de acceptatie en behandeling van bssw-olie in strijd is met de voor verzoekster verleende vergunning alsook dat verzoekster de afvalstoffen niet overeenkomstig de minimumstandaard van sectorplan 61 van het LAP 2 zou behandelen omdat geen flocculatie-techniek wordt toegepast. Los van de vraag of verweerder gebonden is aan de uitspraak van de voorzitter van de AbRS is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de schorsing van het besluit van de minister, de overwegingen daartoe en de getroffen voorziening door de voorzitter van de AbRS in het kader van onderhavige belangenafweging een groot gewicht toekomt, te meer daar verweerder ter motivering van het standpunt dat sprake zou zijn van een overtreding verwijst naar het besluit van de minister. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verweerder in dit verband heeft aangevoerd geen aanleiding om ten aanzien van dit punt tot een andere afweging te komen.

5.1.2. Het is de voorzieningenrechter voorts niet gebleken dat de be- of verwerking van de afvalstoffen tot onaanvaardbare situaties heeft geleid. Nu rechtens bovendien nog niet vast staat dat de opgelegde last onder dwangsom terecht is opgelegd door verweerder, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster een groter belang heeft bij het niet verbeuren van dwangsommen dan dat verweerder heeft bij handhavend optreden. De voorzieningenrechter zal het belang van verzoekster dan ook laten prevaleren en beslissen tot inwilliging van het verzoek van verzoekster om het bestreden handhavingsbesluit te schorsen.

6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaan deze proceskosten uit een bedrag van € 944,- aan verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 5 maart 2013 tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoekster heeft beslist;

- bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 318,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 944,-.

Deze uitspaak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.T. Hofman als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2013.

De griffier, De voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: