Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9522

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
06-05-2013
Zaaknummer
RC-nr. : 13/5037
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte zit vanaf begin 2013 in voorlopige hechtenis op verdenking van een overval. In februari 2013 rijst tegen hem een verdenking van een andere overval, mogelijk gepleegd vóór het feit terzake waarvan verdachte reeds preventief gedetineerd zit. Voor het nieuwe feit wordt verdachte eind april 2013 aangehouden en in verzekering gesteld. De OvJ heeft op 25 april 2013 ter zake van de nieuwe verdenking de bewaring gevorderd. De rechter-commissaris wijst deze vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Kabinet RC

Locatie Assen

RC-nr. : 13/5037

Parketnr. : 18/930185-13

OvJ : mr. G. Wilbrink

AFWIJZING INBEWARINGSTELLING

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in bovengenoemde rechtbank;

Overwegingen:

De officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland heeft op , de inbewaringstelling gevorderd van:

Verdachte,

geboren te ,

wonende te ,

thans verblijvende in PI te.

Met betrekking tot de inverzekeringstelling van verdachte, overweegt de rechter-commissaris het volgende. Verdachte is op 22 april 2013, om 11.05 uur aangehouden in de Penitentiaire Inrichting in Grave, alwaar de voorlopige hechtenis op grond van verdenking van een ander, zij het aan de huidige verdenking soortgelijk, feit ten uitvoer wordt gelegd. Het aanhoudingsproces-verbaal dat is opgemaakt door verbalisanten [verbalisanten] van (voormalig) Politieregio Brabant-Noord, vermeldt niet het tijdstip waarop het bevel ophouden voor onderzoek is gegeven. Blijkens het proces-verbaal inverzekeringstelling zoals dat is opgemaakt door hulpofficier van justitie [hulp-ovj], is tegen verdachte op 22 april 2013 om 19.45 uur de inverzekeringstelling bevolen. Nu door het niet melden van het tijdstip van "bevel ophouden voor verhoor" niet valt na te gaan of de zes uurs-termijn ex art. 61 lid 1 Sv is nageleefd, en uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de identiteit van de verdachte nog moest worden vastgesteld als bedoeld in art. 61 lid 2 Sv, houdt de rechter-commissaris het ervoor dat het bevel inverzekeringstelling te laat is gegeven. Reeds deze termijnoverschrijding leidt naar het oordeel van de rechter-commissaris tot de onrechtmatigheid van de inverzekeringstelling. Ten overvloede wordt opgemerkt dat niet duidelijk is welk onderzoeksbelang wordt gediend met de inverzekeringstelling in de onderhavige zaak, nu verdachte zich reeds voor een verdenking van een gelijksoortig strafbaar feit in voorlopige hechtenis bevindt.

Met betrekking tot de vordering (rauwelijkse) inbewaringstelling overweegt de rechter-commissaris het volgende:

De rechter-commissaris is van oordeel dat er tegen verdachte ernstige bezwaren zijn met betrekking tot het feit zoals dat op de vordering is vermeld. Redengevend hiervoor is het gegeven dat bij het slachtoffer van de diefstal met geweld een DNA-profiel is aangetroffen waarvan het NFI heeft vastgesteld dat de kans dat het aan een ander dan verdachte toebehoort, kleiner dan één op één miljard is.

Met betrekking tot de opgevoerde gronden overweegt de rechter-commissaris: hoewel er sprake is van een verdenking van een feit waarop een maximum gevangenisstraf van 12 jaren op staat, kan naar het oordeel van de rechter-commissaris niet volgehouden worden dat de voorlopige hechtenis voor de onderhavige verdenking noodzakelijk is doordat de rechtsorde is geschokt. Niet te ontkennen valt dat het feit, indien bewezen, een hoogst ernstig feit betreft, temeer daar het slachtoffer een kwetsbare vrouw betreft. Niet echter valt in te zien dat de rechtsorde nog als geschokt moet worden geacht, nu de ernstige bezwaren tegen verdachte naar het oordeel van de rechter-commissaris na de uitslag van het NFI-onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van DNA-sporen reeds op 27 februari 2013 zijn gerezen, terwijl het OM niet eerder dan op 12 april 2013 de aanhouding van de reeds op grond van een andere verdenking gedetineerde verdachte heeft bevolen.

Met betrekking tot de door het OM opgevoerde grond ex art. 67a lid 2 sub 3 Sv (de zogeheten 'kleine recidive-grond') merkt de rechter-commissaris op dat deze grond, gelet op de onderhavige verdenking van art. 312 Sr, welk delict niet staat vermeld in voornoemde strafvorderlijke bepaling, reeds om die reden niet wordt overgenomen.

Met betrekking tot de vordering bewaring overweegt de rechter-commissaris dat naar zijn oordeel het onderhavige geval de aanwezige ernstige bezwaren en de aanwezig geachte grond met betrekking tot het recidive-gevaar, niet leiden tot toewijzing van de vordering. De aanwezigheid van het geval en de grond leiden slechts dan tot de toewijzing van een vordering bewaring, indien die ook daarom noodzakelijk wordt geacht. Die noodzaak nu is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechter-commissaris niet aanwezig, nu verdachte reeds rechtmatig uit anderen hoofde van zijn vrijheid is benomen. De kans dat verdachte in herhaling vervalt met betrekking tot het plegen van soortgelijke feiten als waarvan hij verdacht wordt, zal zich daarom niet zonder meer verwerkelijken. Het laat zich denken dat de door het OM voorgestelde handelwijze opportuun zou zijn, indien er nog onderzoek naar het feit dat op de huidige vordering staat moet worden verricht. De rechter-commissaris acht, gelet op de inhoud van het dossier, het niet geheel uitgesloten dat er nog enig onderzoek moet worden verricht. Dit is echter voor het OM geen aanleiding geweest om onderzoek als grond voor de voorlopige hechtenis op te voeren. Zou dat onderzoek nog daadwerkelijk moeten worden verricht, dan valt overigens niet zonder meer in te zien waarom tegen verdachte in dit geval gedurende een reeds lopende voorlopige hechtenis andermaal de bewaring moet worden bevolen. De rechter-commissaris is dan ook van oordeel dat de vordering van het OM moet worden afgewezen. Een en ander leidt niet tot de slotsom dat verdachte in vrijheid moet worden gesteld; integendeel: de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde en thans nog lopende voorlopige hechtenis wordt door de onderhavige beslissing niet aangetast.

Beslissing:

Wijst de vordering van de officier van justitie af.

Assen, 25 april 2013

De rechter-commissaris,

mr. A.L.J.M.A. Janssens.

RC-nr. : 13/5037

Parketnr. : 18/930185-13

3

2

A08A8742

beschikking

A08A8742