Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9474

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
06-05-2013
Zaaknummer
18/670439-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij ter zake de poging tot brandstichting (feit 1) en veroordeelt verdachte voor medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is (feit 2). De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk (onder voorwaarden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer: 18/670439-12 (Promis)

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. G.W. van der Zee

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 januari 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verblijvende in de P.I.[naam P.I.].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 januari 2013.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 2 oktober 2012, te Leek, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand te stichten aan een auto (Opel, kenteken [nummer]), terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die auto aanwezige goederen en/of een aangrenzende woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die

woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, met dat opzet met zijn mededader, althans alleen, lampolie in contact heeft gebracht met die auto en heeft getracht dit in brand te steken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met met die auto,

althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij, op of omstreeks 2 oktober 2012, te Leek, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een auto (Opel, kenteken [nummer]),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine en/of lampolie in contact gebracht met die auto en dit in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die auto, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval

brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor in die auto aanwezige goederen en/of een aangrenzende woning en/of zich in die woning bevindende personen, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen en/of personen, te duchten was;

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken en de verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De ten laste gelegde poging tot brandstichting en het voltooide delict moeten als één ononderbroken actie worden gezien, waarbij men bezig is geweest met brand te stichten aan de auto. Verder is naar de mening van de raadsvrouw niet te bewijzen dat door de brandstichting gevaar voor personen is ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

Tav feit 2

De rechtbank acht termen aanwezig eerst hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd te beoordelen.

Bij de beoordeling van het onder dit feit ten laste gelegde, heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 oktober 2012, opgenomen op pagina 43 en 44 van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende de verklaring van [aangever 1].

Ik doe aangifte van brandstichting van mijn auto, merk Opel, type Astra, kenteken [nummer]. Gistermiddag stond mijn auto naast mijn huis aan de [adres] te Leek op de oprit. Tegen een uur of negen zag ik dat de auto in brand stond. Toen ik dat zag ben ik direct richting de [straatnaam 2] gerend. Ik zag dat [naam verdachte] voorop liep en dat [naam medeverdachte] er achter aan liep.

-een proces-verbaal d.d. 3 oktober 2012, opgenomen op pagina 63 t/m 68 van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende een foto, aangeduid als bijlage B, alsmede de getuigenverklaring van [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Ik hoorde mijn vader zeggen: [naam verdachte] was hier samen met [naam medeverdachte]. Omstreeks 20.50 uur zag ik wat bewegen bij onze auto. Ineens zag ik een steekvlam bij onze auto vandaan komen. Onze auto stond net zoals op de foto op bijlage B. Ik zag vlammen aan de linker voorzijde van de auto. Ik zag dat de auto in brand stond aan de linkervoorzijde bij de grill, ik zag ook vlammen bij de motorkap. Ik zag in de gloed van de vlammen ook een persoon wegrennen. Het was [naam verdachte]. Ik hoorde van mijn vader dat hij [naam verdachte] en [naam medeverdachte] heeft zien wegrennen. Ik ben met een agent over het paadje gelopen dat naast onze woning ligt. De agent vond daar een fles in de bosjes. Ik herkende deze fles als een lampolie fles.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2012, opgenomen op pagina 51 t/m 54 van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende de verklaring van [naam hoofdagenten], beiden hoofdagent van de politie te Groningen, zakelijk weergegeven:

Bij onze komst op 2 oktober 2012 omstreeks 21.07 zagen we een Opel Astra, kenteken [nummer] op circa 60 tot 90 centimeter van de woning gelegen aan de [straatnaam 1].

- een proces-verbaal d.d. 4 oktober 2012, opgenomen op pagina 83 ev van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

[naam medeverdachte] ging met me mee. Hij was bij me thuis. Ik haal normaal gesproken altijd lampolie voor de vuurkorf.

Toen wij nog thuis waren vroeg ik [naam medeverdachte] of hij mee ging naar de winkel en of hij mee ging om de auto in de brand te steken. Wij zijn vanaf de C1000 naar het huis van [aangever 1] gegaan.

V: En toen kwamen jullie bij het huis [aangever 1] aan. En toen?

A: Daar hebben wij wat spul neergegooid en aangestoken en klaar.

V: wat heb jij gedaan?

A: Ik heb het aangestoken met een vuuraansteker, bij de linker voorband. Het was de bedoeling om alleen de band in de fik te steken. Ik heb de aansteker bij de band gehouden. Toen vloog het in de brand en ben ik weggegaan. Ik hoorde “whoom” en toen kwam er een steekvlam.

De auto stond op de oprit, met de voorzijde richting het huis. Ik zag [aangever 1] ook wel in de woonkamer zitten.

Ik ben ook nog bij de benzinepomp bij de snelweg geweest. Daar heb ik benzine gekocht.

V: Hoe heb je dat gedaan?

A: Met een jerrycan. 85 eurocent. (?)

V: met wie heb je dat gedaan?

A: Met [naam medeverdachte].

V: Heb je de benzine gebruikt voor het aansteken van de brand?

A: Een klein beetje. Maar dat heb ik er niet overgegooid. Ik heb het alleen aangestoken.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, zakelijk weergegeven:

Ik handhaaf mijn verklaring die ik tegenover de politie heb afgelegd.

- een proces-verbaal d.d. 4 oktober 2012, opgenomen op pagina 90 ev van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Wat kun je ons vertellen over het aantal pogingen van de brandstichting?

A: Twee keer.

V: En hoe is dat gegaan dan?

A: De lampolie wou niet branden. Dus dan maar met een beetje benzine.

V: Hoe is het gegaan met die lampolie dan?

A: Dat heb ik niet gezien. Ik was toen verstopt. Ik heb alleen de lampolie geprobeerd aan te steken.

V: Waar is de lampolie overheen gegooid?

A: Linksvoor. Daar was het nat.

V: toen dat niet lukte, wat hebben jullie toen gedaan?

A: Toen hebben we benzine opgehaald en toen zijn we gelijk weer teruggegaan naar de auto.

De tweede poging was op dezelfde plek bij de band linksvoor.

- een proces-verbaal d.d. 4 oktober 2012, opgenomen op pagina 108 ev van dossier nr. PL01ML 2012099715, d.d. 12 oktober 2012, inhoudende de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Ik heb benzine over die auto heen gegooid. Ik ben toen weggelopen. Dat heeft die andere in de fik gestoken.

Ik zat bij [naam verdachte] thuis. Hij heeft me wel 10 keer gevraagd met hem mee te gaan. Naar die auto die in de brand is gestoken. Ik wist niet van wie deze auto was. De auto stond aan de [straatnaam 1] in Leek op de oprit naast een huis.

We zijn eerst benzine wezen halen met de auto van [naam verdachte]. Dat is een Opel, een stationmodel. [naam verdachte] zat achter het stuur en ik ernaast.

We hebben de benzine vervoerd in een jerrycan. Die kwam bij mijn huis vandaan.

V: Hoe kwam je aan de jerrycan?

A: Ik ben nog even naar huis gegaan voor die tijd. Ik heb getankt en betaald.

Ik zag een Opel op de oprit staan bij een woning. Deze auto stond maar een klein stukje van de woning vandaan, ik denk een meter tot anderhalve meter.

We zijn er naar toe gelopen. Ik had de jerrycan vast. Ik gooide de euro 95 benzine over de motorkap van de auto heen. Ik ben toen weggerend. Toen ik wegrende, heeft [naam verdachte] het aangestoken. Ik denk met een aansteker. Ik heb wel gezien dat er brand was bij de auto.

Eerder gooide ik de lampolie over de motorkap en de linkervoorzijde. Ik heb de gehele literfles uitgeknepen. [naam verdachte] probeerde toen met de aansteker de lampolie aan te steken. Dat lukte niet. Ik was al weggerend. [naam verdachte] kwam korte tijd later naar me toe. Hij vertelde dat het niet gelukt was om het aan te steken met de aansteker. Het was [naam verdachte] zijn idee om het nog maar een keer te proberen maar dan met benzine. We zijn eerst naar huis gereden. Daar heb ik de jerrycan gehaald.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de inhoud van de bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven standpunten als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Blijkens de bewijsmiddelen hebben verdachte en zijn medeverdachte, eerst lampolie en iets later benzine aangeschaft en dit over de auto van aangever gegoten, waarna er een aansteker bij is gehouden. Tengevolge hiervan is brand aan de auto ontstaan en is deze deels verbrand. Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte en zijn mededader opzet hebben gehad op het in brand steken van de auto. Door het in brand steken van de auto is naar het oordeel van de rechtbank gemeen gevaar voor goederen ontstaan, in die zin dat daardoor gevaar is ontstaan voor de in de directe nabijheid van die auto gelegen woning van aangever. Uit de bewijsmiddelen blijkt namelijk dat de auto op de oprit, op zeer korte afstand van de woning van aangever, stond geparkeerd. Het in brand steken van de auto met benzine en lampolie, op dermate korte afstand van een woning, brengt naar algemene ervaringsregels mee dat ten tijde van de brandstichting voorzienbaar was dat voor de woning van aangever gevaar te duchten viel. Dat de opzet van verdachte daarop niet gericht is geweest, maar enkel op het in brand steken van de wielen van de auto, doet daar niet aan af.

De rechtbank acht echter niet wettig en overtuigend bewezen dat daarmee ook levensgevaar voor de in die woning aanwezige personen te vrezen was. Dat aangever en zijn gezin op het moment van de brandstichting in de woning aanwezig waren, maakt niet dat daarvan sprake is. De brandstichting vond immers plaats in de avonduren, op het moment dat aangever en zijn gezin beneden in de woning televisie zaten te kijken terwijl de ramen kennelijk niet bedekt waren. Zij konden derhalve zien wat er op hun oprit plaatsvond. Mocht de brand grotere vormen hebben aangenomen dan zouden zij tijd genoeg hebben gehad om zich uit de woning te verwijderen. De rechtbank heeft bij dat oordeel betrokken dat verdachte verklaard heeft dat aangever vanuit de woning zicht had op de auto en dat hij aangever en zijn familie in de woonkamer zag zitten. Ook aangever heeft verklaard dat hij vanuit zijn woonkamer zicht had op de auto. De rechtbank acht derhalve levensgevaar voor zich in die woning bevindende personen naar algemene ervaringsregels niet voorzienbaar. Dat er – zoals de officier van justitie ter zitting heeft betoogd – rekening mee moest worden gehouden dat de auto kon ontploffen en dat dit voor levensgevaar kon zorgen, blijkt in dit geval niet uit de bewijsmiddelen. Verdachte zal daarom in zoverre worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Zoals hiervoor is overwogen en onder feit 2 bewezen is verklaard, is er sprake geweest van een voltooide brandstichting tengevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning van aangever is ontstaan. Deze voltooide brandstichting heeft plaatsgevonden ondermeer door het gebruik van benzine, alsmede van lampolie, kort voordat benzine werd gebruikt. Daarbij is sprake geweest van één wilsbesluit en één ononderbroken actie. Dat er tussen het gebruik van de lampolie en de benzine korte tijd is verstreken doet daaraan niet af. Van een poging tot brandstichting door middel van het gebruik van lampolie, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd, is derhalve geen sprake. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 oktober 2012 te Leek, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht aan een auto (Opel, kenteken [nummer]), immers hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine en/of lampolie in contact gebracht met die auto en dit in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een aangrenzende woning te duchten was.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

2. Medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor

goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 28 december 2012, opgemaakt door

[naam psycholoog], GZ-psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van een alcoholafhankelijkheid in remissie onder toezicht. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en borderlinetrekken. Differentiaal diagnostisch zijn er sterke aanwijzingen voor een beperkt intellectueel functioneren, vermoedelijk op het niveau van zwakbegaafdheid. In het rapport staat voorts vermeld dat een langdurig voortslepend conflict tussen verdachte en zijn schoonfamilie aan de basis ligt van het delict. Dit leidde tot oplopende spanningen bij betrokkene en het ontbreekt hem aan adequate copingvaardigheden om de situatie ten positieve te keren. Hoewel verdachte weet dat alcohol op hem een negatieve uitwerking heeft had hij voorafgaand aan het plegen fors gedronken, wat vermoedelijk een bepalende rol heeft gespeeld bij het uiteindelijk plegen van het delict. Daarnaast speelt verdachtes persoonlijkheidsproblematiek een substantiële rol bij het plegen van het ten laste gelegde. Met name problemen in de impulscontrole en de neiging eigen regels te stellen aangaande wat wel en niet mag zijn hierbij bepalend geweest. Hij heeft beperkte copingvaardigheden, een lage frustratie-tolerantie en een beperkte draagkracht. Daarnaast heeft hij beperkte controle over zijn gevoelens van onvrede waardoor deze plotseling in alle hevigheid opspelen met impulsieve acting out tot gevolg. Op grond daarvan adviseert de deskundige betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het hem ten laste gelegde.

De rechtbank neemt deze conclusie, gelet op de onderbouwing daarvan, over en is van oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Verdachte moet strafbaar worden geacht worden, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde de bepaling dat verdachte zich gedurende de proeftijd dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, hetgeen ook kan inhouden dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland (verder: AFPN) en zal meewerken aan een intelligentieonderzoek.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte jarenlang is getergd en getreiterd door aangever en zijn vrouw, zijnde de ouders van zijn vriendin. De raadsvrouw heeft, gelet op deze voorgeschiedenis, gepleit voor matiging van de strafeis en voor het openhouden van de mogelijkheid een werkstraf op te leggen in plaats van een vrijheidsstraf. Voor wat betreft het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel en het verbinden daaraan van bijzondere voorwaarden heeft de raadsvrouw zich niet tegen de strafeis van de officier van justitie verzet.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages en het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met een ander schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting aan een auto. Daarbij was gevaar te duchten voor de woning in de directe nabijheid van die auto. Verdachte heeft het feit gepleegd terwijl hij sterk onder invloed van alcohol verkeerde en tegen de achtergrond van de door de raadsvrouw geschetste omstandigheden, te weten een zeer langdurig conflict met zijn schoonouders. Verdachte heeft gereageerd op het in zijn ogen provocerende gedrag van zijn schoonouders en heeft daarin een verkeerde keuze gemaakt. Verdachte heeft daarbij materiële schade, overlast en gevoelens van angst bij aangever en zijn gezin veroorzaakt, hetgeen de rechtbank hem kwalijk neemt.

De rechtbank heeft verder gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 4 oktober 2012, eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld.

Verder neemt de rechtbank bij het opleggen van de straf in aanmerking dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en bovendien de schade uiteindelijk beperkt is gebleven, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, passend en geboden.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte het delict heeft gepleegd terwijl hij sterk onder invloed van alcohol verkeerde. Uit voormelde psychologische onderzoeksrapportage blijkt dat het gebruik van alcohol een sterk ontremmend effect heeft op verdachte, hetgeen in het verleden herhaaldelijk tot agressief gedrag heeft geleid. Om de recidivekans te verkleinen dient verdachte een behandeling ter zake zijn alcoholgebruik te ondergaan en dient hij zich in het kader van een verplicht reclasseringstoezicht aan een geïndiceerd behandelaanbod te houden.

De reclassering heeft in het rapport d.d. 20 december 2012 geadviseerd om verdachte binnen het kader van een verplicht reclasseringstoezicht de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie, een behandelverplichting bij de AFPN of een soortgelijke instelling, en een drugs- en alcoholverbod. Verder dient verdachte een intelligentietest te ondergaan en afhankelijk van de uitkomst daarvan een COVA of COVA + training te volgen en met het oog op zijn middelengebruik een leefstijltraining (intramuraal en/of extramuraal) te volgen.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande een voorwaardelijk strafdeel opleggen en zal daaraan de na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden zoals omschreven in voormeld reclasseringsrapport.

Tevens zal de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen van de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een fles lampolie, moet worden verbeurd verklaard.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat het bewezenverklaarde feit met behulp van het in beslag genomen goed is begaan of voorbereid.

Teruggave

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten schoenen, broek en bovenkleding moet worden teruggegeven aan verdachte.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partijen heeft zich in het strafproces gevoegd [aangever 1], wonende te Leek.

De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering die in totaal een bedrag van 5525,- euro beloopt en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van 4.935 euro.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vordering als volgt bestreden. De posten 3 tot en met 6 zijn onvoldoende onderbouwd en de vordering dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de overige posten kan toewijzing tot de volgende bedragen plaatsvinden:

1. Auto: tot een bedrag van 1.500 euro, zijnde de dagwaarde van de onderhavige auto volgens de internetsite “Independer.nl”;

2. Expertise: tot het volledige bedrag van 125 euro;

7. Verbrande auto schorsen: tot het volledige bedrag van 25 euro.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij

door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van

€ 2.150,00. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Dit betreft de volgende posten:

1. Auto: tot een bedrag van 1.500 euro (nu het meerdere gemotiveerd betwist is);

2. Expertise: tot het volledige bedrag van 125 euro;

5. Autoambulance: tot een bedrag van 100 euro, nu dat bedrag aannemelijk is gemaakt;

6. Brandblusser: tot een bedrag van 50 euro;

7. Verbrande auto schorsen: tot het volledige bedrag van 25 euro;

12. Kosten rechtsbijstand, eigen bijdrage: 350 euro.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij voor het overige onvoldoende onderbouwd, dan wel dusdanig gemotiveerd bestreden dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering ten aanzien van dit gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Hoofdelijkheid

De rechtbank zal bepalen dat verdachte niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag is gehouden voor zover dit al door verdachtes mededader is voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen voornoemd geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 33. 33a en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat veroordeelde voor het einde van de proeftijd dan wel gedurende de proeftijd van 3 jaren een of meer van de volgende voorwaarden overtreedt:

- de veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt tevens als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich binnen vijf dagen volgend op dit vonnis melden bij de Reclassering Nederland op het adres [adres] te Groningen, op een werkdag tussen 9.30 uur en 11.00 uur. Hierna zal de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zal een intelligentietest ondergaan en afhankelijk van de uitslag daarvan deelnemen aan een CoVa of CoVa+ training en de veroordeelde zal deelnemen aan een leefstijltraining;

- de veroordeelde zal zich ambulant laten behandelen bij de AFPN te Groningen of een soortgelijke forensische instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- de veroordeelde wordt verboden om verdovende middelen en alcohol te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van bloedonderzoek en/of urineonderzoek.

Draagt de Reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Verklaart verbeurd:

een fles lampolie.

Gelast de teruggave van:

schoenen, broek en bovenkleding aan veroordeelde.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Leek, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 2.150,00 (zegge tweeduizend en honderd en vijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De veroordeelde is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voor zover dit al door veroordeeldes mededader is voldaan.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 2.150,00 (zegge tweeduizend en honderd en vijftig euro) ten behoeve van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Leek.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.150,00 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.M.E. Kiezebrink, voorzitter, M.J. Oostveen en

D.M. Schuiling, rechters, in tegenwoordigheid van W. Brandsma als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 januari 2013.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.