Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9408

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
19.830314-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 14 november 2012 getracht zijn begeleider bij het Pedagogisch Opvang Centrum Drenthe, de heer [slachtoffer], ernstig te mishandelen door hem met een ijzeren staaf tegen zijn hoofd te slaan. [slachtoffer] heeft daardoor huidletsel aan de linkerzijde van zijn hoofd achter het linkeroor en bloeduitstortingen aan de linkerzijde van het hoofd en in de nek opgelopen. De rechtbank rekent de verdachte dit feit zwaar aan en een vrijheidsstraf van enige duur is dan ook alleszins gerechtvaardigd.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf klinisch wordt behandeld om de kans op herhaling van een dergelijk ernstig strafbaar feit te beperken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 19/830314-12

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 7 mei 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteland]op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 23 april 2013.

Verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. R.J.J. Bosma, advocaat te Spier.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat hij op of omstreeks 14 november 2012, te Oosterhesselen, in de gemeente Coevorden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een (ijzeren) staaf, althans met een hard en/of stevig (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 14 november 2012, te Oosterhesselen, in de gemeente Coevorden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer] met een (ijzeren) staaf, althans met een hard en/of stevig (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 14 november 2012, te Oosterhesselen, in de gemeente Coevorden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een (ijzeren) staaf, althans met een hard en/of stevig (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat hij op of omstreeks 14 november 2012, te Oosterhesselen, in de gemeente Coevorden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer] met een (ijzeren) staaf, althans met een hard en/of stevig (slag)voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. B. Looijestijn, acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een gevangenisstraf van 384 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht met meldingsgebod, behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en onthouding van druggebruik en voorts integrale toewijzing van de civiele vordering, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte, die op 14 november 2012 verbleef in het Pedagogisch Opvang Centrum Drenthe, werd op zijn vrije dag om 07:30 uur abusievelijk gewekt door zijn begeleider, het latere slachtoffer [slachtoffer].

Verdachte reageerde daarop agressief. Kort daarna werd verdachte wederom abusievelijk gewekt door een collega van [slachtoffer], [collega]. Wederom reageerde verdachte zeer agressief. Toen verdachte [slachtoffer]later op de morgen tegenkwam, begon hij tegen hem te schelden. Toen [slachtoffer] hem vervolgens naar zijn kamer wilde begeleiden, duwde verdachte hem, waarna [slachtoffer] verdachte op de grond legde. Verdachte werd daardoor zo boos dat hij vervolgens naar zijn kamer liep en daar een ijzeren staaf, onderdeel van een drumstel, haalde. Met deze staaf heeft hij [slachtoffer] geslagen, waarbij hij hem tegen zijn hoofd raakte. [collega], probeerde verdachte nog tegen te houden. Onderzoek heeft uitgewezen dat de staaf ruim 371 gram woog.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte "na kalm beraad en rustig overleg" (het primair en meer subsidiair tenlastegelegde) tot zijn daad is gekomen. Hij heeft immers gehandeld in een opwelling van drift.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte, door [slachtoffer] met de bijna vier ons wegende staaf tegen diens hoofd te slaan, willens en wetens de aanmerkelijke kans op de koop heeft toegenomen dat hij [slachtoffer] zou doodslaan (het primair en subsidiair tenlastegelegde).

Bewijsmiddelen

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, behelzende de aangifte van [slachtoffer];

2. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, behelzende de verklaring van [collega];

3. de letselrapportage van de Forensische Geneeskunde GGD Drenthe van 10 januari 2012, opgemaakt door S.P.H. Letmaath, forensisch arts.

4. de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij op 14 november 2012 [slachtoffer] met een ijzeren staaf tegen het hoofd heeft geslagen.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 14 november 2012, te Oosterhesselen, in de gemeente Coevorden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer] met een ijzeren staaf tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het onder meest subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 12 april 2013, opgemaakt door C.S. Sijbrandij, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -: er is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens die geleid heeft tot een oppositionele gedragsstoornis. Daarnaast bestaat er verslavingsproblematiek in de vorm van cannabismisbruik. Deze problematiek bestond in volle omvang ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte had door abstinentie van cannabis en de daarmee gepaard gaande ontwenningsverschijnselen minder controle over zijn agressieve impulsen. Hij is op grond van genoemde problematiek onvoldoende in staat geweest voldoende weerstand te bieden aan zijn innerlijke agitatie en agressieve impulsen. Beperkte sociale vaardigheden en de verstandelijke beperking speelden verder een rol in het onvermogen weerstand te bieden aan de stressvolle situatie. Onderzoeker acht verdachte daarom licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

Strafmotivering

het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht poging tot moord bewezen en heeft een gevangenisstraf van 384 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk gevorderd met de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht en (onder meer) behandelverplichting.

het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1. primair en subsidiair tenlastegelegde. Poging tot zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade, acht zij bewezen. Voor dit feit acht zij onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde een klinische behandeling aangewezen. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen vrijheidsstraf dient zodanig te zijn dat verdachte in de maand juni of in de maand juli 2013 aansluitend aan zijn detentie kan worden opgenomen in Altrecht Wier te Den Dolder.

het standpunt van de rechtbank

Verdachte heeft op 14 november 2012 getracht zijn begeleider bij het Pedagogisch Opvang Centrum Drenthe, de heer [slachtoffer], ernstig te mishandelen door hem met een ijzeren staaf tegen zijn hoofd te slaan. [slachtoffer] heeft daardoor huidletsel aan de linkerzijde van zijn hoofd achter het linkeroor en bloeduitstortingen aan de linkerzijde van het hoofd en in de nek opgelopen. De rechtbank rekent de verdachte dit feit zwaar aan en een vrijheidsstraf van enige duur is dan ook alleszins gerechtvaardigd.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte in het kader van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf klinisch wordt behandeld om de kans op herhaling van een dergelijk ernstig strafbaar feit te beperken. Verdachte kan worden opgenomen in Altrecht Wier te Den Dolder, in verband met een wachtlijst kan deze opname naar verwachting in juni/juli plaatsvinden. De rechtbank zal mede gelet op de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, een gevangenisstraf van zeven maanden opleggen waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich voor maximaal één jaar ter behandeling zal laten opnemen in Altrecht Wier te Den Dolder of een soortgelijke intramurale instelling.

Indien de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf expireert vóór de datum van opname in deze kliniek zal verdachte tot het tijdstip waarop hij kan worden opgenomen verblijven in een door de reclassering aan te wijzen instelling.

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag (€ 350,-- immaterieel) acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het meest subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meest subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan een gedeelte, groot twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuit-voergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van niet naleving van na te melden algemene en bijzondere voorwaarden binnen de gestelde proeftijd.

De rechtbank stelt als algemene voorwaarden, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt, en medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De rechtbank stelt daarnaast als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte direct na zijn in vrijheidstelling contact opneemt met reclasseringsinstelling Victas (tel. 030-2340034) en gedurende de proeftijd contact zal onderhouden met zijn toezichthouder bij deze reclasseringsinstelling zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de reclasseringsinstelling, hetgeen mede inhoudt dat verdachte zich voor maximaal één jaar klinisch zal laten behandelen in Altrecht Wier te Den Dolder of een soortgelijke intramurale instelling, waarbij verdachte zich zal houden aan de gemaakte afspraken en behandeladviezen;

* dat verdachte na de klinische behandeling zal meewerken aan het geïndiceerde vervolgtraject, dat kan bestaan uit het wonen in een instelling voor begeleid wonen of andersoortige maatschappelijke opvang, zolang de behandelaars en de reclassering dit nodig achten;

* dat verdachte geen drugs zal gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en mee zal werken aan urinecontroles daarop;

* dat verdachte, indien de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf expireert vóór de datum van opname in Altrecht Wier te Den Dolder, tot het tijdstip waarop hij kan worden opgenomen zal meewerken aan een verblijf in een door de reclassering aan te wijzen instelling. De verdachte zal zich daarbij houden aan de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de reclassering en/of de instelling zullen worden gegeven, met opdracht aan genoemde reclasseringsinstelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtroffer] van de som van € 350,--, en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 350,--, bij gebreke van betaling te vervangen door zeven dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mr. H.T. van Voorst en mr. J.J. Schoemaker, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 7 mei 2013.

Mr. Schoemaker en de griffier zijn buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

Parketnummer: 19/830314-12

Uitspraak d.d.: 7 mei 2013 7

vonnis