Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9403

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
06-05-2013
Zaaknummer
C18-140560-PR RK 13-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking omdat de rechter de behandeling op een andere wijze heeft laten verlopen dan verzoeker wenselijk heeft geacht.

Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen

MEERVOUDIGE KAMER

Zaaknummer / rolnummer: C/18/140560/PR RK 13-139

Beslissing van 3 mei 2013

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van

[A],

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

1. Procesverloop

1.1. Verzoeker heeft ter zitting van 23 april 2013 een verzoek tot wraking ingediend van mr. S. Stenfert Kroese die het verzoek van de William Schrikker Groep (WSG) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van de minderjarige kinderen van verzoeker in de zaak met nummer C/18/139837/JE RK 13-190 behandelt. Van het verhandelde op de zitting van 23 april 2013 is proces-verbaal opgemaakt.

1.2. Mr. Stenfert Kroese heeft niet in de wraking berust.

1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. M.W. de Jonge en mr. G. Eelsing. Nadien is mr. G. Eelsing vervangen door mr. J. de Vroome.

1.4. Op 2 mei 2013 is het wrakingsverzoek van verzoeker ter zitting door de wrakings¬kamer behandeld. Ter zitting zijn verzoeker en mr. Stenfert Kroese niet verschenen.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1. Verzoeker heeft – kort samengevat – aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grond¬slag gelegd. Door WSG is een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuis¬plaatsing van de minderjarige kinderen van verzoeker ingediend. Tijdens een eerdere behandeling van dit verzoek heeft de toenmalige rechter bepaald dat het verzoek van WSG niet verder behandeld kan worden totdat het interne onderzoek bij de WSG was afgerond.

Dit interne onderzoek van de WSG is nog niet afgegrond, zodat thans de behandeling van het verzoek van WSG aangehouden dient te worden en de rechter geen acht kan slaan op de zich in het dossier bevindende indicatiebesluiten. Door desondanks de behandeling van het verzoek van WSG voort te zetten en te weigeren de indicatiebesluiten uit het dossier te halen, heeft mr. Stenfert Kroese zich vooringenomen getoond.

3. Het standpunt van mr. Stenfert Kroese

3.1. Mr. Stenfert Kroese heeft aangevoerd dat zij naar eer en geweten het verzoek van WSG in alle onpartijdigheid heeft behandeld. Tijdens de zitting op 23 april 2013 heeft zij niet meer gedaan dan een bepaalde volgorde van behandeling aan te houden teneinde alle relevante aspecten van de zaak aan bod te laten komen, zoals ook blijkt uit het van de zitting op 23 april 2013 opgemaakte proces-verbaal.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Rv en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

4.2. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak be¬handelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechter¬lijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een proces¬partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat het tijdens de behandeling ter zitting van een verzoek zoals door WSG is gedaan, aan de familierechter, in de onderhavige zaak mr. Stenfert Kroese, is om de regie te voeren en de orde te bepalen. Het is niet aan (een van) partijen om deze regie¬functie naar zich toe te trekken of over te nemen. Het enkele feit dat mr. Stenfert Kroese de behandeling op een andere wijze heeft laten verlopen dan verzoeker wense¬lijk heeft geacht, maakt dan ook niet dat er sprake is van vooringenomenheid. Daarbij stelt de rechtbank vast dat ver¬zoeker in het onderhavige geval reeds tot wraking is overgegaan op het moment dat mr. Stenfert Kroese bezig was alle betrokkenen de gelegenheid te bieden hun standpunt en zienswijze nader toe te lichten, derhalve op een moment waarop zij nog geen procedurele dan wel inhoudelijke beslissingen heeft genomen. Hierin kan derhalve evenmin een grond van vooringenomenheid zijn gelegen.

4.4. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het onderhavige verzoek tot wraking afgewezen.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. Stenfert Kroese af,

5.2. bepaalt dat de procedure met nummer C/18/139837/JE RK 13-190 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek,

5.3. beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en

mr. Stenfert Kroese.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, M.W. de Jonge en

J. de Vroome, rechters, in tegenwoordigheid de griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2013.

chb