Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9343

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
03-05-2013
Zaaknummer
AWB LEE 13/194 en AWB LEE 13/197
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:2630, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de bouw van twee bruggen over het Polderhoofdkanaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummers: AWB LEE 13/194 & 13/197

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2013 in de zaken tussen

[A],

[B],

[C],

[D] en [E],

[F],

[G]. en [H],

[I],

[J],

[K],

[L] en

[M], te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland,

verweerder

(gemachtigde: J. Boersma).

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevings-vergunning verleend voor de bouw van bruggen en de ontgraving van de Noordersluis in het Polderhoofdkanaal.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld voor zover dat ziet op het verlenen van omgevingsvergunningen voor het realiseren van de bruggen Kanaeldyk 35/Krûswei (KW17) en Kanaeldyk 6 (KW19).

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de gemeente Opsterland (hierna: de vergunninghouder) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De vergunninghouder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2013. Namens eisers hebben Leenman en Mul het woord gevoerd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door genoemde gemachtigde. Namens de vergunninghouder is zijn gemachtigde P. Stevens verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. De vergunninghouder heeft op 9 februari 2012 aanvragen voor omgevings-vergunningen ingediend voor de bouw van -onder meer- twee bruggen op de locaties Kanaeldyk 35/Krûswei (KW 17) en Kanaeldyk 6 (KW19) ten behoeve van de heropening van het Polderhoofdkanaal. Op 21 juni 2012 is het voornemen tot verlening van de omgevingsvergunningen gepubliceerd. De ontwerp-omgevingsvergunningen hebben van 22 juni 2012 tot en met 2 augustus 2012 ter inzage gelegen. [F], [L], [M] en [K] hebben gedurende de reactietermijn zienswijzen ingediend.

2. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep van [A], [B], [C], [D] en [E], [G]. en [H], [I] en [J] overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb worden de ontwerp-vergunningen ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij verweerder. Voornoemde personen hebben geen zienswijze tegen de ontwerp-vergunningen naar voren gebracht. De zienswijzen die door het Comité Belangenbehartiging Polderhoofd-kanaal kunnen niet worden aangemerkt als zienswijze van genoemde personen, nu machtigingen daartoe ontbreken. De in beroep overgelegde machtigingen kunnen niet als zodanig worden aangemerkt nu deze eerst op of omstreeks 12 februari 2013 ondertekend zijn, aldus na het indienen van de zienswijzen op 31 juli 2012. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, kan slechts beroep worden ingesteld indien de belanghebbende een zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor. Het beroep van [A], [B], [C], [D] en [E], [G]. en [H], [I] en [J] is niet-ontvankelijk.

3.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid , aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

3.2. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2002'. Voor het plangebied van de bruggen geldt de bestemming Laagveenontginning. De bruggen zijn strijdig met deze bestemming, omdat ze de maximale bouwhoogte van drie meter overschrijden.

3.4. Teneinde deze strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen heeft verweerder de omgevingsvergunningen verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo.

3.5. Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo kan, indien een aanvraag betrekking heeft op een activiteit die strijdig is met het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3.6. In artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is bepaald dat de eisen die in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening worden gesteld aan de onderbouwing van een bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op de ruimtelijke onderbouwing.

4.1. De rechtbank is van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing in dit geval voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In deze onderbouwing is ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en is een beschrijving van de locatie en de ruimtelijke inpassing van de bouwplannen in relatie tot de omgeving opgenomen. In dit verband is er op gewezen dat voor de vaste bruggen geldt dat het zichtbeton een veenzwarte uitmonstering wordt gegeven, zodat de samenhang van de diverse bruggen over het kanaal en daarmee de eenduidigheid van het kanaal als structurerend landschapselement voldoende tot uiting komt. Voorts is gemotiveerd aangegeven op welke wijze het bouwplan past in de planologische ontwikkeling van het desbetreffende gebied. In dit kader is allereerst verwezen naar het landelijk beleidskader van de Stichting Recreatietoervaart Nederland waarin als hoofddoel-stelling is opgenomen het behouden van het net van bevaarbare wateren in Nederland en het verder ontwikkelen van dit net als één aantrekkelijk, gedifferentieerd en samenhangend recreatietoervaartnet. Heropening van het Polderhoofdkanaal is in lijn met deze doel-stellingen en is in de beleidsvisie benoemd als ontbrekende schakel en opgenomen in het uitvoeringsprogramma. Ook het Nederlands Watersportverbond pleit al enkele jaren voor de heropening van het Polderhoofdkanaal. Voorts is verwezen naar het Streekplan 2007, het Provinciaal Verkeers- en vervoersplan 2006, het Toeristisch-recreatief ontwikkelingsplan 2011 en de Notitie 'Alle vaarwegen leiden naar Drachten'. In het Streekplan 2007 wordt de ruimtelijke kwaliteit gekozen als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. Op het gebied van recreatie en toerisme wordt gestreefd naar kwaliteitsverbeteringen van recreatieve voorzieningen en de bevordering van recreatie en toerisme als (nieuwe) sociaal-economische drager. Het bevaarbaar maken van het Polderhoofdkanaal past binnen dit beleid en maakt ook deel uit van het Friese Merenproject. Binnen de genoemde beleidskaders wordt gestreefd naar vergroting van het toeristische en recreatieve aanbod in de gemeente, waarbij watersport van groot belang wordt geacht. In dit kader is blijkens de verschillende beleidsstukken de heropening van het Polderhoofdkanaal van essentieel belang. Het Polderhoofdkanaal valt voorts binnen het deelgebied Buitengebied Veengebied zoals opgenomen in de Welstandsnota Smallingerland 2004. Voor het buitengebied is een bijzonder ambitieniveau van kracht waarbij wordt geconstateerd dat het landschap een open karakter heeft. De nadruk ligt hierbij op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt daarbij op handhaven en respecteren. De welstandscommissie Hûs en Hiem heeft op basis van genoemde welstandsnota een positief advies gegeven. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat er overleg met het Wetterskip Fryslân is geweest. Ook zijn in de ruimtelijke onderbouwing onder meer milieutechnische, waterhuishoudelijke, archeologische, ecologische en financiële aspecten nader uiteengezet.

4.2. Ten aanzien van de ruimtelijke inpasbaarheid stellen eisers zich op het standpunt dat de bruggen niet passen in het open landschap. De vergroting (qua massa) en verhoging van de bruggen blokkeert waardevolle doorzichten op cultuurhistorische en landschappelijke elementen. Ook zijn eisers van mening dat verweerder ten onrechte de bouwplannen niet opnieuw aan Hûs en Hiem heeft voorgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden was de plannen nogmaals aan Hûs en Hiem voor te leggen, nu niet gebleken is dat sprake is van wijzigingen sinds de plannen in 2007 aan de commissie zijn voorgelegd. In het gemotiveerde advies van 14 januari 2008 heeft Hûs en Hiem aangegeven dat met name gekeken is naar de mate waarin binnen de mogelijkheden van de opgave, de situering en de ruimte van het gemeentelijk ruimtelijke ordeningsbeleid de toevoeging van de bruggen zich voegt in het omgevingsbeeld. Naar het inzicht van de commissie houdt het veengebied zijn open karakter en het Polderhoofdkanaal haar lineaire, doorgaande, open karakter. Niet is gebleken dat dit welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont. Het college heeft dit advies dan ook aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mogen leggen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eisers ter zake geen deskundig tegenadvies hebben overgelegd en evenmin gemotiveerd hebben aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

4.3. Voor wat betreft de stelling van eisers dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaar-heid van het bouwplan in de weg staat, overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.1. Zoals de AbRS in haar uitspraak van 12 mei 2003 (LJN AO9200) heeft overwogen komen de vragen of voor de uitvoering van het bouwplan ontheffing nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dit doet er niet aan af dat verweerder geen vrijstelling voor de bouwplannen had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van de bouwplannen in de weg staat.

4.3.2. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat Altenburg & Wijmenga in 2008 hebben onderzocht of de heropening van het Polderhoofdkanaal leidt tot negatieve effecten op beschermde diersoorten. Uit onderzoek blijkt dat voor de volgende zwaar beschermde diersoorten negatieve effecten zijn te verwachten: gestreepte waterroofkever, groene glazenmaker, bittervoorn, grote modderkruiper en de waterspitsmuis. Er is geen volwaardig alternatief dat minder effect heeft op het landschap en de ecologische waarden. Op basis van het rapport van Royal Haskoning van 2009 blijkt dat mitigerende maatregelen genomen zullen worden. Naast de mitigerende maatregelen zullen er compensatiegebieden worden ingericht. De effecten van de mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden gemonitord, blijkt uit het rapport van Altenburg & Wymenga uit 2009. Omdat de mitigerende maatregelen niet alle negatieve effecten kunnen wegnemen, is er een ontheffing nodig van de Flora- en faunawet. Deze ontheffing is op 21 april 2011 verleend en daar tegen was ten tijde van de vergunningverlening beroep ingesteld. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de uitgevoerde onderzoeken onvoldoende of onzorgvuldig zijn geweest dan wel dat de conclusies van de rapporten onjuist zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van de bouwplannen in de weg staan.

4.3.3. Voor zover eisers betogen dat gelet op de uitspraak van de rechtbank van

17 december 2012 op voorhand duidelijk was dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van de bouwplannen in de weg staat, volgt de rechtbank eisers niet. De rechtbank dient bij deze beoordeling het moment van vergunningverlening, zijnde 16 november 2012, als uitgangspunt te nemen. De door eisers genoemde uitspraak was op dat moment nog niet uitgesproken en kon daarom door verweerder niet worden meegewogen. Het enkele feit dat een beroepsprocedure tegen de verleende ontheffingen liep, had voor verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, geen aanleiding behoeven te geven om te concluderen dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van de bouwplannen in de weg zou staan.

4.4. Het betoog van eisers met betrekking tot de waterkwaliteit slaagt niet, nu in deze beoordeling de bouwplannen voor de twee bruggen aan de orde is en niet de heropening van het Polderhoofdkanaal.

4.5. Voor zover eisers stellen dat bij de ter inzage legging andere tekeningen zijn getoond dan de tekeningen die nu onderdeel uit maken van de omgevingsvergunningen volgt de rechtbank eisers niet, nu voor dit standpunt geen (begin van een) onderbouwing is gegeven.

4.6. De stellingen van eisers betreffende de eigendom van de bestaande bruggen kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de ontheffing in de weg staat.

4.7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder bevoegd was de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3e, van de Wabo. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder heeft kunnen stellen dat gelet op de omvang van de bouwplannen geen sprake is van een (onevenredig) verlies aan uitzicht, openheid en landschap. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, gelet op de gronden, de belangen van eisers met name zien op de helling van de wegen. Hoewel in verband met de aansluiting van de wegen op de bruggen de helling van de wegen samenhangt met de bouwplannen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat deze gronden zien op de ontheffingen. Gelet op de afstand tussen de woningen van eisers en de bruggen en het feit dat de ontheffing ziet op de overschrijding van de toegestane bouwhoogte van drie meter met -op het hoogste punt- een meter heeft verweerder redelijkerwijs kunnen overwegen dat realisering van de bruggen geen onevenredige aantasting van het uitzicht van eisers oplevert. Verweerder heeft aldus terecht het belang van de vergunninghouder laten prevaleren boven het belang van eisers.

5. De gronden die eisers aanvoeren met betrekking tot de walbeschoeiing en de sloopvergunning zijn in dit geding niet aan de orde en behoeven daarom geen bespreking.

6. Het beroep van eisers is ongegrond.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van [A], [B], [C], [D] en [E], [G]. en [H], [I] en [J] niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van [M], [L], [F] en [K] ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.