Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9284

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
19.830121-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafmotivering

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van schennis van de eerbaarheid. Hij heeft zichzelf onzedelijk betast en de indruk gewekt dat hij bezig was om zichzelf te bevredigen ten overstaan van twee (jonge) meisjes. Het hoeft geen verder betoog dat dergelijk gedrag als aanstootgevend wordt ervaren en onwenselijk wordt geacht. Dit had ook verdachte inmiddels duidelijk moeten zijn nu hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en bestraft.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en gelet op de omstandigheid dat verdachte is gerecidiveerd terwijl hij nog onder reclasseringstoezicht stond, geen aanleiding opnieuw reclasseringstoezicht op te leggen als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk op te leggen strafdeel.

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 19.830121-12

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 2 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 februari 2013 en 19 maart 2013.

De verdachte is niet verschenen.

De tenlastelegging

De verdachte is bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 23 januari 2012, te Emmen in de gemeente Emmen, zich

opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd,

te weten het Stationsplein, heeft bevonden, terwijl hij, verdachte, zichtbaar

voor [A1] en/of [A2], zijn, verdachte's broek heeft losgemaakt

en/of zijn, verdachte's hand (na)bij zijn penis in zijn broek heeft gedaan

en/of zijn, verdachte's penis heeft vastgepakt en/of met zijn verdachte's hand

knijpende/trekkende bewegingen in/aan zijn penis heeft gemaakt en/of op-en-neergaande bewegingen (na)bij/aan zijn penis dan wel in/aan zijn kruis(streek) heeft gemaakt;

art 239 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Souer acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht zoals omschreven in de door de reclassering opgemaakte rapportage.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

- de aangifte van [TAB] d.d. 23 jan 2012, namens haar dochter [A1] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat haar dochter en haar vriendin bij het busstation in Emmen zijn lastig gevallen door een oudere man. Hij was hen nagelopen en had zijn riem losgedaan en maakte bewegingen alsof hij zich aan het aftrekken was. Hij had zijn hand in zijn broek.

- de verklaring van [A1] d.d. 24 jan 2012 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij tussen het station en de school ([]) stond met twee vriendinnen, [JR] en [A2]. Zij keken achterom en zagen een lange man staan. Hij maakte zijn riem los en stak zijn hand in zijn broek en toen trok hij zich af. Zij zag op die plek zijn broek heen en weer gaan. Vervolgens rende de man achter hen aan. Zij hebben bij het servicepunt van de bus om hulp gevraagd. Daar werd echter gezegd dat zij de politie moesten bellen. Zij gingen vervolgens in de richting van hun school. Man kwam hen weer achterna lopen. Zij hebben daarop besloten niet terug naar school te gaan. De vriendinnen van [A1] zijn gebleven totdat de bus er was. In de bus zag zij de man nog staan en hij grijnsde opnieuw naar haar. [A1] verklaart dat zij het gedrag van de man aanstootgevend vond.

- de verklaring van [JR] d.d. 26 jan 2013 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij met [A1] en [A2] bij de parkeerplaatsen aan de Stationsstraat stonden, vlakbij de ingang van de bussen.

Zij zag een man staan. De man keek voortdurend naar hen. De man deed toen zijn riem los. Daarna kwam hij op hen aflopen. Toen hij tot op drie meter was genaderd zijn zij naar het servicepunt gefietst, dat is midden op het Stationsplein. Zij zijn daar even binnen geweest en weer naar buiten gegaan. Die man kwam weer op hen af en keek weer voortdurend naar hen.

- de aangifte van [A2] d.d. 26 januari 2012 , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat zij met [A1] en [JR] op het Stationsplein stond, dat er een man was die voortdurend naar hen keek, dat de man zijn broek losmaakte en zijn hand in zijn broek deed en zich begon af te trekken. In elk geval maakte hij bewegingen die haar het idee gaven dat hij daar mee bezig was.

- de verklaring van verdachte d.d. 21 februari 2012 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij dronken was en dat hij dan gekke dingen doet. Hij had die dag twee flessen wijn leeggedronken. Verdachte verklaart dat hij ervan uit gaat dat het wel is gebeurd zoals aangeefsters hebben verklaard.

De rechtbank overweegt dat gelet op voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zijn broek heeft losgemaakt, zijn hand in zijn broek heeft gedaan en aldaar bewegingen heeft gemaakt die bij aangeefsters [] de indruk wekten dat hij zichzelf bevredigde, terwijl dit alles geschiedde op een voor het openbaar verkeer bestemde plaats.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 januari 2012, te Emmen in de gemeente Emmen, zich opzettelijk oneerbaar op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten het Stationsplein, heeft bevonden, terwijl hij, verdachte, zichtbaar voor [A1] en [A2], zijn, verdachtes, broek heeft losgemaakt en zijn, verdachtes, hand (na)bij zijn penis in zijn broek heeft gedaan en bewegingen (na)bij zijn penis heeft gemaakt.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen geachte levert op:

Schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd,

strafbaar gesteld bij artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 28 februari 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld, alsmede het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van VNN d.d. 11 juli 2012.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van schennis van de eerbaarheid. Hij heeft zichzelf onzedelijk betast en de indruk gewekt dat hij bezig was om zichzelf te bevredigen ten overstaan van twee (jonge) meisjes. Het hoeft geen verder betoog dat dergelijk gedrag als aanstootgevend wordt ervaren en onwenselijk wordt geacht. Dit had ook verdachte inmiddels duidelijk moeten zijn nu hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en bestraft.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport en gelet op de omstandigheid dat verdachte is gerecidiveerd terwijl hij nog onder reclasseringstoezicht stond, geen aanleiding opnieuw reclasseringstoezicht op te leggen als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijk op te leggen strafdeel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken waarvan een gedeelte groot 4 (vier) weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter en mrs. E. Läkamp en

C.M.M. Oostdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 2 april 2013.