Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ9188

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
18/670515-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafvermindering in verband met vormverzuim 359a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/670515-12

Op tegenspraak

Raadsvrouw: mr. Özsaran

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

18 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te Groningen op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 april 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 27 juli 2012 te

[woonplaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, één of

meermalen, meerdere gegevensdragers,

bevattende 2565 foto's, in elk geval een (groot) aantal en/of 723 films, in

elk geval een (groot) aantal, van seksuele gedragingen,

in bezit heeft gehad en/of die foto's en/of een films (telkens) heeft

verspreid en/of aangeboden en/of verworven en/of in voorraad en/of in bezit

heeft gehad en/of zich door middel van een geautomatiseerd werk en/of met

gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang tot die foto's en/of films

heeft verschaft,

bij welke vorenbedoelde foto's en/of films (van seksuele gedragingen)

(telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had

bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of (een)

vinger(s)/hand en/of de mond/tong van het lichaam van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een

(ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft bereikt met de penis en/of de mond/tong

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de

penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen en/of de

borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd

van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van personen die kennelijk de

leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, waarbij deze personen poseren

in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte)

houding(en) op een wijze die niet bij hun leeftijd past

en/of waarbij deze personen zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van hun kleding ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze personen en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of

borsten en/of billen in beeld worden gebracht (waarbij) de afbeeldingen

(aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en/of strekken tot seksuele

prikkeling

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het lichaam van personen die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van personen

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt,

terwijl op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar

is,

(waarbij) de afbeeldingen (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en

strekken tot seksuele prikkeling

terwijl verdachte van bovenvermelde misdrijven een gewoonte heeft gemaakt;

2.

(18/650686-12)

hij op of omstreeks 27 juli 2012 te [woonplaats], in de gemeente [gemeente],

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5090 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde

gammahydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met betrekking tot de vraag of het bewijs van het onder 1 ten laste gelegde rechtmatig is verkregen, heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd. Op 27 juli 2012 is de politie binnengetreden in de woning van verdachte op grond van artikel 2 van de Politiewet. In de woning van verdachte trof de politie een hoeveelheid GHB aan. Naar aanleiding daarvan heeft de politie aan verdachte gevraagd of zij mocht zoeken in zijn woning. Verdachte heeft de politie vervolgens toestemming gegeven om zijn woning te doorzoeken. Tijdens het doorzoeken heeft een agent de map ‘mijn documenten’ op de computer van verdachte geopend. In die map trof de agent een kinderpornografische foto aan. Ook heeft de politie een kinderpornografische film geopend. Vervolgens heeft de politie een volledig onderzoek in de woning van verdachte verricht. Wanneer er sprake zou zijn geweest van een ideale situatie, dan had de politie aan verdachte moeten aangeven dat ze overal in de woning zouden kijken. Daarbij had de politie verdachte op schrift moeten laten zetten dat hij uitdrukkelijk toestemming gaf om zijn woning te doorzoeken. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Ondanks dat heeft de verdachte onmiskenbaar toestemming gegeven voor een zoeking in zijn woning naar GHB. Wanneer je daarvoor als verdachte toestemming geeft, loop je het risico dat de politie meer gaat aantreffen in jouw woning. Wanneer de politie daadwerkelijk meer aantreft, valt dat ook onder de gegeven toestemming voor een doorzoeking. Toen de politie kinderpornografie had aangetroffen, heeft de politie nader overlegd met een hulpofficier van justitie, die op dat moment op het politiebureau in verhoor was met verdachte. De hulpofficier van justitie heeft verdachte op de hoogte gebracht van het feit dat er kinderporno was aangetroffen op zijn computer. Daarop heeft verdachte desgevraagd het wachtwoord van zijn computer aan de hulpofficier van justitie gegeven. Het primaire standpunt van de officier van justitie is dat er onder deze omstandigheden sprake is geweest van een rechtmatige doorzoeking. Het bewijs is rechtmatig verkregen. Voorts is er geen sprake van de situatie dat verdachte zodanig onder invloed was van GHB dat hij niet goed heeft kunnen begrijpen waarvoor hij toestemming gaf. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geschrokken was, maar dat hij niet zodanig onder invloed was van GHB dat hij niet meer wist wat hij deed. Daarbij komt dat verdachte is onderzocht door ambulancepersoneel, uit welk onderzoek naar voren kwam dat hij niet verder behandeld hoefde te worden in het ziekenhuis. Ook voorts zijn er geen aanwijzingen die erop duiden dat verdachte zodanig onder invloed van GHB was, dat hij niet kon en hoefde te begrijpen waarvoor hij toestemming gaf. Hij heeft zelfs het wachtwoord van zijn computer aan de hulpofficier van justitie gegeven.

Nadat de politie kinderporno had aangetroffen op de computer van verdachte, hebben de opsporingsambtenaren geen toestemming meer aan verdachte gevraagd om in zijn woning verder naar kinderporno te zoeken. Als de rechtbank van oordeel is dat de politie dat wel had moeten doen, dan is er sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De officier van justitie heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, LJN BY5322. Uit dit arrest blijkt dat er drie redenen kunnen zijn om over te gaan tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a Sv. Ten eerste kan bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Hierbij moet worden opgemerkt dat een schending van artikel 8 EVRM niet altijd een schending van artikel 6 EVRM oplevert. Ten tweede kan bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen tegen te gaan. Daarbij moet het gaan om een vormverzuim dat resulteert in een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte. Ten slotte kan bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn wanneer het vormverzuim een structureel karakter heeft en het Openbaar Ministerie zich onvoldoende inspant om deze vormverzuimen te voorkomen. Dit brengt volgens de officier van justitie mee dat bewijsuitsluiting in deze zaak niet noodzakelijk is. De rechtbank heeft het verkrijgen van het bewijs achteraf volledig kunnen toetsen. Er zijn meerdere processen-verbaal opgemaakt met betrekking tot het verkrijgen van het bewijs in deze zaak. Daar komt bij dat er overleg is geweest met een officier van justitie. Wanneer verdachte geen uitdrukkelijke toestemming had gegeven voor een doorzoeking in zijn woning, dan had de officier van justitie een vordering doorzoeking gedaan bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris had dan een machtiging tot doorzoeking gegeven. Al deze omstandigheden hebben er niet toe geleid dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan volstaan met het enkel constateren dat er sprake is van een vormverzuim. Meer subsidiair kan het rechtsgevolg van strafvermindering aan dit vormverzuim worden verbonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Volgens haar moet verdachte worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Nadat er in de woning van verdachte GHB werd aangetroffen, heeft de politie aan verdachte de vraag gesteld of ze verder in de woning mocht kijken. De politie wilde kennelijk kijken of er nog meer GHB in de woning aanwezig was. Verdachte verleende daartoe toestemming. Toestemming voor een onderzoek aan de woning houdt echter geen bevoegdheid tot het doorzoeken van de woning in. Hiervoor is op grond van artikel 97 Sv een machtiging van de officier van justitie door de rechter-commissaris vereist. Deze machtiging ontbreekt. De politie heeft buiten haar bevoegdheden gehandeld. Uit het dossier blijkt niet dat er expliciet gevraagd is om een doorzoeking in de woning te mogen verrichten. Ook is aan verdachte geen uitleg gegeven over wat die doorzoeking exact zou inhouden. Een opsporingsambtenaar is hiertoe wel verplicht. Pas dan wordt toestemming tot grondige doorzoeking immers bewust en vrijwillig gedaan. Bovendien verkeerde verdachte in hevige pijn en was hij onder invloed van GHB. Van een bewuste en vrijwillige toestemming was dan ook geen sprake. Desondanks zijn de opsporingsambtenaren verder gegaan dan de bevoegdheid die zij aan artikel 96 Sv kunnen ontlenen.

Op grond van artikel 96 Sv mogen zij elke plaats betreden, maar mogen zij niet verder gaan dan “zoekend rondkijken”. Eén opsporingsambtenaar heeft voorts in de computer van verdachte gezocht naar informatie. Dat is vreemd, nu de politie geen GHB in de computer aan zou kunnen treffen. De agent verklaart hierover dat de computer in de slaapstand stond en dat - toen de computer aanging- op het beeld een vermoedelijk chatprogramma verscheen met daarbij “seksueel getinte chatnamen”. Hieruit kon geen enkele verdenking rijzen dat er sprake zou zijn van kinderporno. Toch heeft de opsporingsambtenaar vervolgens de map “mijn documenten” geopend. De agent heeft verschillende handelingen verricht om de computer te doorzoeken. Deze handelwijze van de politie gaat verder dan alleen maar zoekend rondkijken, zodat er sprake is geweest van een doorzoeking zonder inachtneming van de vormvereisten zoals bepaald in artikel 97 Sv. Er is hierdoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoel in artikel 359a Sv. Er is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift geschonden, waarbij er sprake is van een causaal verband tussen het geschonden voorschrift en het verkregen bewijsmateriaal. Deze schending dient dan ook te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat is verkregen als gevolg van de doorzoeking van de woning van verdachte. Dit brengt mee dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Indien al geoordeeld zou moeten worden dat verdachte zijn toestemming wèl heeft gegeven en dat hem duidelijk was waarvoor hij toestemming verleende, dan nog kan de reden van doorzoeking zo vaag zijn of kan de doorzoeking in zodanige mate van willekeur getuigen dat een ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer moet worden aangenomen (zie ook Hoge Raad 18 december 2012, LJN BY5315). De verdediging is van mening dat de opsporingsambtenaren de GHB al in hun bezit hadden en dat er geen enkele aanleiding was om verder te zoeken. Het verzoek om verder te zoeken getuigt van vaagheid en willekeur. Ook gelet hierop is de verdediging van mening dat onrechtmatig is gehandeld door de opsporingsambtenaren, zodat ook dit tot bewijsuitsluiting dient te leiden.

Beoordeling

(On)rechtmatigheid van het verkregen bewijs

De rechtbank dient te oordelen over het verweer van de verdediging met betrekking tot de vraag of er sprake was van een rechtmatige doorzoeking, op grond waarvan de computer van verdachte mocht worden onderzocht.

De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Op 27 juli 2012 zijn opsporingsambtenaren op grond van artikel 2 Pw de woning van verdachte binnengegaan. De opsporingsambtenaren troffen verdachte in min of meer hulpeloze toestand in de woning aan. Hij verklaarde ten overstaan van deze opsporingsambtenaren dat hij GHB had gebruikt. De opsporingsambtenaren troffen in de woning vervolgens – terwijl zij desgevraagd op zoek waren naar een slipper van verdachte- twee jerrycans met vermoedelijk GHB aan. Nadat verdachte de cautie is gegeven, heeft hij desgevraagd verklaard dat er GHB in de jerrycans zat en dat deze GHB voor eigen gebruik was. Verdachte werd op heterdaad aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. De opsporingsambtenaren hebben verdachte vervolgens gevraagd of ze in de woning van verdachte mochten zoeken naar GHB, dan wel zaken die verwijzen naar GHB. Verdachte heeft daarvoor toestemming gegeven. Tijdens deze zoeking heeft een opsporingsambtenaar op de computer van verdachte de map “mijn documenten” geopend. De opsporingsambtenaar heeft vervolgens één foto aangeklikt en hij zag toen een jongen van wie het geslachtsdeel in opgewonden toestand zichtbaar was. Hij zag dat de leeftijd van de jongen in elk geval jonger dan 16 was. De opsporingsambtenaar heeft vervolgens nog een film gezien waarin een naakte jongen aan het masturberen was. De leeftijd van deze jongen was zichtbaar jonger dan 16 jaar oud. Voor de opsporingsambtenaar was de film de bevestiging dat er sprake was van kinderpornografie. De opsporingsambtenaar heeft vervolgens contact opgenomen met de hulpofficier van justitie. Na overleg met de officier van justitie heeft de hulpofficier van justitie besloten tot inbeslagname van de computer.

De rechtbank is van oordeel dat de woning van verdachte is doorzocht op grond van artikel 9 van de Opiumwet. De in artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid tot het betreden van plaatsen omvat mede “het zoekend rondkijken naar voor inbeslagneming vatbare zaken”, maar biedt geen bevoegdheid tot doorzoeking. De bevoegdheid tot het kijken in de computer van verdachte kan dan ook niet worden ontleend aan artikel 9 van de Opiumwet. Daarbij komt dat de toestemming van verdachte zich niet uitstrekte tot het mogen houden van een doorzoeking in zijn woning en dus tot het kijken in zijn computer. Verdachte heeft de vraag van de opsporingsambtenaren of zij mochten zoeken in zijn woning mogen opvatten in die zin dat er alleen naar GHB gezocht zou worden. Verdachte heeft ervan uit mogen gaan dat daaronder niet tevens een onderzoek aan zijn computer viel.

Nu de opsporingsambtenaar met het kijken in de computer van verdachte verder is gegaan dan het enkel zoekend rondkijken, moet deze handeling worden aangemerkt als een doorzoeking, waartoe de opsporingsambtenaar in dit geval niet bevoegd was. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a, lid 1 Sv.

De vraag is of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan voormeld vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient de rechtbank rekening te houden met de in artikel 359a, lid 2 Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Daarbij geldt het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet als een rechtens te respecteren belang.

In deze zaak gaat het naar het oordeel van de rechtbank om een substantieel vormverzuim. De in het Wetboek van Strafvordering en de Opiumwet neergelegde bepalingen met betrekking tot het betreden en doorzoeken van plaatsen en in het bijzonder van woningen strekken tot de door artikel 8 EVRM gewaarborgde bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De verdachte is door bovenomschreven gang van zaken ook daadwerkelijk getroffen in het belang dat het geschonden voorschrift heeft te dienen. Het nadeel dat de verdachte heeft ondervonden ten gevolge van de inbreuk is gelegen in het moeten ondergaan van het onrechtmatig toegepaste dwangmiddel. Redenen die de verwijtbaarheid van het vormverzuim zouden opheffen of verminderen zijn uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren gekomen.

Bewijsuitsluiting kan echter slechts aan de orde komen ter verzekering van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen of om vormverzuimen die een structureel karakter hebben ten aanzien waarvan de verantwoordelijke autoriteiten in gebreke blijven te voorkomen (vergelijk Hoge Raad

19 februari 2013, LJN: BY5322).

Het onrechtmatig doorzoeken van de computer van verdachte, die is aangetroffen in de woning waar verdachte woonachtig was, levert naar het oordeel van de rechtbank een schending van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer op. Dat vormt echter in dit geval geen inbreuk op de in artikel

6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces, terwijl daardoor ook niet een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Daarnaast is er in deze zaak noch sprake van een situatie waarin toekomstige vergelijkbare vormverzuimen moeten worden voorkomen, noch sprake van vormverzuimen die een structureel karakter hebben ten aanzien waarvan de verantwoordelijke autoriteiten in gebreke blijven. Dat brengt mee dat er geen plaats is voor bewijsuitsluiting en dat het daartoe strekkende verweer van verdachte wordt verworpen.

De rechtbank komt gelet op het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim, het nadeel dat daardoor voor verdachte is veroorzaakt en de overige omstandigheden van het geval tot de slotsom dat in dit geval ten gunste van verdachte strafvermindering dient plaats te vinden zoals verderop in dit vonnis zal worden vermeld.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 en 2 ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd.

Een proces-verbaal van bevindingen kinderporno-onderzoek d.d. 26 september 2012, opgenomen op pagina 61 e.v. van dossier nummer PL01ML 2012075831 d.d. 14 november 2012.

Bijlage ‘Collectiescan aangetroffen kinderpornografisch materiaal’, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, behorend bij het proces-verbaal van bevindingen kinderporno-onderzoek voornoemd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Een proces-verbaal d.d. 28 juli 2012, opgenomen op pagina 10 e.v. van dossier nummer PL01MF 2012075153 d.d. 13 september 2012, inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 27 juli 2012 kwam de politie bij mij in mijn woning in [woonplaats]. De politie zag toen op het aanrecht een buisje GHB staan en vond later in de schuur nog een grotere hoeveelheid. Ik had veel GHB in mijn woning. Ik had de GHB op voorraad voor eigen gebruik. De GHB zat in een jerrycan.

Een proces-verbaal verdovende middelen d.d. 20 augustus 2012, opgenomen op pagina 26 e.v. van dossiernummer PL01N3 2012075831, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aantal/ eenheid: 1 jerrycan met vloeistof.

Netto gewicht: 5090,54 gram.

Van bovenstaand goednummer werd het hieronder genoemde monster genomen en getest:

SIN: AAEO5781NL. Verzonden aan het NFI.

Een rapport identificatie van drugs en precursoren van het NFI d.d. 24 augustus 2012, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende, zakelijk weergegeven:

SIN: AAEO5781NL: bevat GHB.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 27 juli 2012 te

[woonplaats], in de gemeente [gemeente], meerdere gegevensdragers,

bevattende 2565 foto's en 723 films, van seksuele gedragingen,

in bezit heeft gehad en/of (een deel van) die foto's en/of films heeft verspreid en aangeboden en verworven en in bezit heeft gehad,

bij welke vorenbedoelde foto's en films van seksuele gedragingen

telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had

bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken,

welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren met de penis en/of (een)

vinger(s)/hand en/of de mond/tong van het lichaam van een persoon die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt

en/of

het oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een

(ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog

niet heeft bereikt met de penis en/of de mond/tong

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een

persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt met de

penis en/of (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong

en/of

het betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen en/of de

borsten van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd

van 18 jaren nog niet heeft bereikt met (een) vinger(s)/hand en/of de mond/tong

en/of

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van personen die kennelijk de

leeftijd van 18 jaren nog niet hebben bereikt, waarbij deze personen poseren

in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) en/of in (een)(erotisch getinte)

houding(en) op een wijze die niet bij hun leeftijd past

en/of waarbij deze personen zich (vervolgens) in opeenvolgende

afbeeldingen/filmfragmenten van hun kleding ontdoen

en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of

de wijze van kleden van deze personen en/of de uitsnede van de

afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of

borsten en/of billen in beeld worden gebracht (waarbij) de afbeeldingen

(aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en/of strekken tot seksuele

prikkeling

en/of

het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het lichaam van personen die

kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt

en/of

het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht/lichaam van personen

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt,

terwijl op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar

is,

(waarbij) de afbeeldingen (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking hebben en

strekken tot seksuele prikkeling

terwijl verdachte van bovenvermelde misdrijven een gewoonte heeft gemaakt;

2.

hij op 27 juli 2012 te [woonplaats], in de gemeente [gemeente],

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5090 gram van een materiaal bevattende gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde gammahydroxyboterzuur een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van de feiten

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert de volgende strafbare feiten op:

1: Een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken in bezit hebben, meermalen gepleegd;

EN

Afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, aanbieden, verwerven en verspreiden, meermalen gepleegd,

terwijl van het plegen van deze misdrijven een gewoonte wordt gemaakt.

2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 4 januari 2013, opgemaakt door D. Breuker, forensisch psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van misbruik van GHB. Voorts is er sprake van slecht aangepaste eigenschappen in de zin van vermijdende persoonlijkheidstrekken. Geadviseerd wordt om verdachte ten aanzien van het plegen van het ten laste gelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich, gelet op de onderbouwing daarvan, met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 255 dagen met aftrek, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf moet de bijzondere voorwaarde worden verbonden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen en de voorschriften van de reclassering. Die voorschriften en aanwijzingen kunnen ook een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken inhouden. Daarbij heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om te bevelen dat het reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 240 uur gevorderd. Voor het geval de rechtbank vaststelt dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en daaraan het rechtsgevolg van strafvermindering verbindt, vordert de officier van justitie een werkstraf van 220 uur.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Zo is verdachte onmiddellijk nadat zijn werkgever op de hoogte is geraakt van het strafbare feit geschorst en is hij aansluitend verplicht met vervroegd pensioen gegaan. Daarnaast heeft de officier van justitie rekening gehouden met de over verdachte opgemaakte psychologische rapportage. Hieruit blijkt dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het bewezen verklaarde. Ten slotte heeft de officier van justitie rekening gehouden met artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de strafbare feiten een enorme impact op het leven van verdachte hebben gehad. Zo is verdachte met ingang van 1 januari 2013 verplicht met vervroegd pensioen gegaan. De voorlopige hechtenis van verdachte is al eerder geschorst. Verdachte heeft zich aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden. Daarnaast acht verdachte hulp van groot belang. Verdachte heeft al een intakegesprek bij de AFPN gehad. Ten slotte moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar was. Gelet op deze omstandigheden heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de periode die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast moet er een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de verplichte klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer tien jaar schuldig gemaakt aan het verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben van een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen en kinderpornografische films. De strekking van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is het tegengaan van seksueel misbruik van jeugdigen en de exploitatie van dergelijk misbruik. Centraal hierin staat de bescherming van de (afgebeelde) jeugdige. Omdat kinderpornografie een achtergrond kent van uitbuiting en misbruik van kinderen moet het verspreiden en het bezit ervan met kracht worden bestreden. De vraag naar en het bezit van kinderpornografie draagt immers bij aan de productie ervan en daarmee aan het misbruik van kinderen. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die slachtoffer zijn van zogenoemde “kinderporno” nog jarenlang, zo niet hun hele leven, niet alleen psychische, maar vaak ook lichamelijke gevolgen ondervinden van het (seksueel) misbruik dat zij hebben moeten doorstaan. Verdachte heeft volstrekt onvoldoende oog (gehad) voor de positie en het leed van de slachtoffers.

Daarnaast heeft verdachte ruim vijf kilo van de verboden drugs GHB in zijn bezit gehad.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. Verdachte heeft gedurende een zeer lange periode grote hoeveelheden kinderpornografische afbeeldingen verspreid, aangeboden, verworven en in bezit gehad. Van deze misdrijven heeft verdachte een gewoonte gemaakt.

In dit geval zal de rechtbank geen lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Uit het reclasseringsrapport, maar ook uit de indruk die de rechtbank op de terechtzitting van verdachte heeft gekregen, leidt de rechtbank af dat de aanhouding, de voorlopige hechtenis, alsmede deze strafzaak een behoorlijke impact op verdachte hebben (gehad). Verdachte is als gevolg van de verdenking meteen geschorst door zijn werkgever en vervolgens verplicht met vervroegd pensioen gegaan. Daarnaast is de voorlopige hechtenis van verdachte inmiddels geschorst en heeft verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die gelijk is aan de periode die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden van verplicht reclasseringstoezicht. Daarnaast legt de rechtbank als bijzondere voorwaarde een ambulante behandelverplichting op, waarbij de reclassering aan de hand van nadere diagnostiek beoordeelt waar verdachte moet worden behandeld.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank niet als deel van deze voorwaarde opnemen dat verdachte verplicht wordt om mee te werken aan een kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.

De rechtbank zal dat niet doen, nu verdachte nog niet nader gediagnosticeerd is en het nog onduidelijk is of, en zo ja waar, verdachte behandeld zal worden. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie naar aanleiding van de nadere diagnostiek, indien noodzakelijk, de rechtbank te zijner tijd kan verzoeken om wijziging van de bijzondere voorwaarden.

De rechtbank zal, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de hierboven genoemde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht dadelijk

uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte

wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de

onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium wordt voldaan nu verdachte wordt veroordeeld voor onder andere het verspreiden en bezitten van kinderporno gedurende een periode van ongeveer tien jaar.

Om de ernst van de feiten te benadrukken zal de rechtbank naast een gevangenisstraf aan verdachte een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Het hierboven vermelde rechtsgevolg van strafvermindering in verband met het geconstateerde onherstelbaar vormverzuim, zal de rechtbank in deze werkstraf verdisconteren. Gelet op de ernst van het verzuim resulteert dat in dit geval in een halvering van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf.

Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om alle in beslag genomen goederen te onttrekken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de in beslag genomen computer en fotocamera aan verdachte. De overige in beslag genomen goederen kunnen worden verbeurd verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de feiten zijn begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

- 1 jerrycan met GHB, SIN AAES2096NL;

- 1 tas met 3 jerrycans;

- 1 tas met 5 jerrycans en 3 flesjes;

- 6 documenten met websites en codes;

- 8 dvd’s.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen. Teruggave kan alleen geschieden indien en voor zover is vastgesteld dat op de betreffende goederen zich geen kinderporno of dierenporno bevindt. De computer van verdachte dient te worden teruggegeven nadat de harde schijf daaruit is verwijderd.

- 1 Blackberry Curve;

- 1 computer HP Pavilion, registratienummer XS357EA#ABH, serienummer CZCO464NDJ;

- 1 fotocamera, Kodak Easyshare M753.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 22c, 22d, 36b, 36c, 57 en 240b van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 255 dagen.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een deel van 240 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de op drie jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de veroordeelde geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering meldt bij reclassering Nederland aan de Leonard Springerlaan 21 te Groningen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde wordt verplicht zich ambulant te laten behandelen, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/ behandelaar zullen worden gegeven;

- dat veroordeelde wordt verboden om harddrugs, waaronder GHB, te gebruiken, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urinecontroles;

- dat veroordeelde mee zal werken aan nadere diagnostiek door gedragsdeskundigen, om te komen tot een diagnose en een onderbouwd behandelplan.

Geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de hierboven gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

- een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beslissing op het beslag

Gelast de onttrekking aan het verkeer van:

- 1 jerrycan met GHB, SIN AAES2096NL;

- 1 tas met 3 jerrycans;

- 1 tas met 5 jerrycans en 3 flesjes;

- 6 documenten met websites en codes;

- 8 dvd’s.

Gelast, met inachtneming van hetgeen daaromtrent hiervoor is bepaald, de teruggave aan verdachte van:

- 1 Blackberry Curve;

- 1 computer HP Pavilion, registratienummer XS357EA#ABH, serienummer CZCO464NDJ;

- 1 fotocamera, Kodak Easyshare M753.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, R.B.M. Keurentjes en F. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.E. van Rhijn, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 april 2013.