Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ8869

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
18/830008-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot afdreiging. Opgelegd een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijk gevangenisstraf van 1 maand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830008-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

raadsman: mr. S. Arts

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 april 2013.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de gemeente(n) [gemeentenaam] in elk geval in Nederland,

op of omstreeks 4 januari 2012, althans in of omstreeks januari 2012,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaarmaking van een of

meer geheimen, een persoon genaamd [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte

van een geldbedrag van 20.000 euro, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer],

althans aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

met voormeld oogmerk,

een aan die [slachtoffer] gerichte brief heeft gestuurd,

waarin die [slachtoffer] werd meegedeeld (zakelijk weergegeven),

- dat hij, verdachte de beschikking had over zeer interessante foto's en

beeldmateriaal betreffende het seksleven van die [slachtoffer] en/of

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] tijdens observatie vanuit het raam van een

zolderkamertje in een pandje aan de [adres] in de zoemer van

de camera had gekregen en/of

- dat hij, verdachte die [slachtoffer] al jaren had gevolgd in diens doen en laten

en dat hem dat verrassende foto's en bewegende beelden, zowel binnen als

buiten, had opgeleverd en/of

- dat hij, verdachte daardoor wist waar die [slachtoffer] woonde en dat deze naast

zijn vrouw, een zoon en 2 dochters had en verder zijn geloofsovertuiging aan

de vrijgemaakte kerk in [plaats] en dat hij een rijschool had en/of

- dat hij de foto's en het beeldmateriaal te gelde wilde maken en dat, als die

[slachtoffer] zou weigeren hiermee in te stemmen, hij, verdachte diens gezin en

de vrijgemaakte kerk op de hoogte zou brengen van de escapades van die

[slachtoffer] en dat hij, verdachte dat zeer zeker, zonder slag of stoot uit zou

gaan voeren en/of

- dat hij, verdachte van die [slachtoffer] eenmalig contant in gebruikte briefjes

van 50 euro een bedrag van 20.000 euro in een waterdicht omhulsel op een

door hem, verdachte aangegeven locatie wilde aantreffen en/of

- dat die [slachtoffer] (daarvoor) een door hem, verdachte, aangegeven route vanaf

[plaatsnaam] naar [plaatsnaam] moest rijden en vervolgens langs de roeibanen

naar een huisje rechts aan het water met een platdak moest rijden, waar hij

het ingepakte geld op het dak of in de goot moest leggen

en/of

- dat de dag van de betaling zaterdag de 7e januari van het nieuwe jaar was

en/of dat hij, verdachte verwachtte dat de som om 10.00 uur op de aangewezen

plek lag en/of

- dat die [slachtoffer] dan op maandag de 9e januari de beloofde en het gewenste

bewijsmateriaal in huis zou hebben en dat het per koerier, met een witte

bestelbus, een Mercedes sprinter, bezorgd zou worden en dat die [slachtoffer]

(dan) vooral thuis moest zijn, zodat deze het zelf in ontvangst kon nemen en/of

- dat het nu aan die [slachtoffer] was wat deze zou gaan doen en dat het voor

die [slachtoffer] beter was om verdachtes voorstel te aanvaarden, want hij,

verdachte wist genoeg van die [slachtoffer] en het zou hem (die [slachtoffer]) een

hoop ellende besparen en/of

- dat de gewenste som een koopje was, gelet op alles wat hij, verdachte

eigenlijk aan beelden van die [slachtoffer] had en/of

- dat hij, verdachte die [slachtoffer] ook keer op keer had kunnen chanteren,

maar dat het een eenmalige betaling was en dat het hierna definitief over

was en/of

- dat die [slachtoffer] maar moest uitrekenen wat het hem zou gaan kosten als

iedereen in [woonplaats] en in de gemeente [gemeentenaam] het van hem wisten en vooral

gezien hadden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en baseert zich daarbij op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte en het proces-verbaal bevindingen.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is betoogd dat niet sprake is van zuiver opzet maar dat het voorwaardelijk opzet wel kan worden bewezen.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

De bekennende verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal aangifte d.d. 5 januari 2012, opgenomen op pagina 54 e.v. van dossier nr. PL01MF 201201864-1 d.d. 5 januari 2012, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte door middel van een brief getracht heeft [slachtoffer] te bewegen een bedrag van € 20.000 aan hem te betalen, bij gebreke waarvan verdachte zou overgaan tot het openbaar maken van foto's en beeldmateriaal van bezoeken van [slachtoffer] aan prostituees. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op het in de brief genoemde tijdstip en op de aangewezen plek, het geld heeft opgehaald. Nu dit een gecontroleerde actie van de politie betrof is geen sprake van een voltooid delict. Immers, [slachtoffer] is niet door de brief van verdachte gedwongen tot afgifte. De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als te zijn gericht om een geldbedrag te verkrijgen door bedreiging met smaad en/of openbaarmaking van een geheim. De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afdreiging.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de gemeente(n) [gemeentenaam], in januari 2012, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaarmaking van een of meer geheimen, een persoon genaamd [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte

van een geldbedrag van 20.000 euro, aan hem verdachte,

met voormeld oogmerk,

een aan die [slachtoffer] gerichte brief heeft gestuurd,

waarin die [slachtoffer] werd meegedeeld (zakelijk weergegeven),

- dat hij, verdachte de beschikking had over zeer interessante foto's en

beeldmateriaal betreffende het seksleven van die [slachtoffer] en

- dat hij, verdachte, die [slachtoffer] tijdens observatie vanuit het raam van een

zolderkamertje in een pandje aan de [adres] in de zoemer van

de camera had gekregen en

- dat hij, verdachte die [slachtoffer] al jaren had gevolgd in diens doen en laten

en dat hem dat verrassende foto's en bewegende beelden, zowel binnen als

buiten, had opgeleverd en

- dat hij, verdachte daardoor wist waar die [slachtoffer] woonde en dat deze naast

zijn vrouw, een zoon en 2 dochters had en verder zijn geloofsovertuiging aan

de vrijgemaakte kerk in [gemeentenaam]en dat hij een rijschool had en

- dat hij de foto's en het beeldmateriaal te gelde wilde maken en dat, als die

[slachtoffer] zou weigeren hiermee in te stemmen, hij, verdachte diens gezin en

de vrijgemaakte kerk op de hoogte zou brengen van de escapades van die

[slachtoffer] en dat hij, verdachte dat zeer zeker, zonder slag of stoot uit zou

gaan voeren en

- dat hij, verdachte van die [slachtoffer] eenmalig contant in gebruikte briefjes

van 50 euro een bedrag van 20.000 euro in een waterdicht omhulsel op een

door hem, verdachte aangegeven locatie wilde aantreffen en

- dat die [slachtoffer] (daarvoor) een door hem, verdachte, aangegeven route vanaf

[plaatsnaam] naar [plaatsnaam] moest rijden en vervolgens langs de roeibanen

naar een huisje rechts aan het water met een platdak moest rijden, waar hij

het ingepakte geld op het dak of in de goot moest leggen

en

- dat de dag van de betaling zaterdag de 7e januari van het nieuwe jaar was

en/of dat hij, verdachte verwachtte dat de som om 10.00 uur op de aangewezen

plek lag en

- dat die [slachtoffer] dan op maandag de 9e januari de beloofde en het gewenste

bewijsmateriaal in huis zou hebben en dat het per koerier, met een witte

bestelbus, een Mercedes sprinter, bezorgd zou worden en dat die [slachtoffer]

(dan) vooral thuis moest zijn, zodat deze het zelf in ontvangst kon nemen en

- dat het nu aan die [slachtoffer] was wat deze zou gaan doen en dat het voor

die [slachtoffer] beter was om verdachtes voorstel te aanvaarden, want hij,

verdachte wist genoeg van die [slachtoffer] en het zou hem (die [slachtoffer]) een

hoop ellende besparen en

- dat de gewenste som een koopje was, gelet op alles wat hij, verdachte

eigenlijk aan beelden van die [slachtoffer] had en

- dat hij, verdachte die [slachtoffer] ook keer op keer had kunnen chanteren,

maar dat het een eenmalige betaling was en dat het hierna definitief over

was en

- dat die [slachtoffer] maar moest uitrekenen wat het hem zou gaan kosten als

iedereen in ]plaatsnaam] en in de gemeente [gemeentenaam] het van hem wisten en vooral

gezien hadden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Poging tot afdreiging

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitings-gronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een werkstraf van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand met een proeftijd van 2 jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede de vordering van de officier van justitie en hetgeen de raadsman namens verdachte heeft aangevoerd.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afdreiging. Hij heeft door middel van een brief het slachtoffer ertoe bewogen een geldbedrag van € 20.000,-- te betalen, bij gebreke waarvan zou worden overgegaan tot openbaarmaking van foto’s en ander beeldmateriaal van een bezoek van het slachtoffer aan prostituees. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn gezin. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat hij hen enorme angst heeft aangejaagd. Verdachte is volledig voorbij gegaan aan de gevoelens van de aangever en de gevolgen die een dergelijke actie voor hem en zijn gezin zou hebben. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 28 juni 2012 betreffende verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte inzicht heeft in het delictgedrag en dat hij ter zitting spijt heeft betuigd.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een forse werkstraf van na te noemen duur een passende straf is, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf om verdachte te weerhouden opnieuw een soortgelijk delict te plegen.

Vordering van de benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer], wonende te [plaatsnaam]. De benadeelde partij heeft schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat een immateriële schadevergoeding van € 250,00 in deze zaak passend is. Met betrekking tot de materiële schade is de raadsman van mening dat de post inzake de loonderving onvoldoende is onderbouwd. Hij verzoekt de rechtbank de helft van dit deel van de vordering toe te wijzen. De raadsman voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten ter hoogte van € 47,52.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 656,32, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2012, bestaande uit € 406,32 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De rechtbank overweegt daarbij dat de helft van de gevorderde loonderving, derhalve een bedrag van € 358,80, wordt toegewezen. Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval een bedrag van € 250,00 toewijsbaar is.

Voor het meerdere is de rechtbank van oordeel dat een onderbouwing van de schade ontbreekt. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen de ontbrekende stukken over te leggen zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dit deel van de vordering niet worden ontvangen en kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen het voornoemde geldbedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen. De rechtbank heeft daartoe besloten omdat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van de benadeelde partij ermee is gediend niet zelf te worden belast met het innen van de toegewezen schadevergoeding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 318 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 200 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert de dagen die veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op twee uren werkstraf per dag.

een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter laters anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], gedeeltelijk toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 656,32, (zegge zeshonderdzesenvijftig euro en tweeëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2013.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 656,32, (zegge zeshonderdzesenvijftig euro en tweeëndertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2013, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 656,32 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2013, ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. G. Eelsing, voorzitter, H. van der Werff en P.J. van Steen, rechters, in tegenwoordigheid van T. van den Berg als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 april 2013.

Mr. Van Steen was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.