Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ8814

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
C-18-140212 - KG ZA 13-84
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding van de woningstichting tot ontruiming van een huurwoning in verband met de aanwezigheid van een (grote) hoeveelheid hennepstekjes wordt afgewezen op grond van zwaarwegende belangen van de minderjarige dochter van huurder om de woning te kunnen blijven bewonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/140212 / KG ZA 13-84

Vonnis in kort geding van 26 april 2013

in de zaak van

de stichting

STICHTING DE HUISMEESTERS,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Klok,

tegen

[A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Holthinrichs.

Partijen zullen hierna De Huismeesters en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• de dagvaarding;

• de mondelinge behandeling;

• de pleitnota van mr. Holthinrichs.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Huismeesters verhuurt sinds 19 november 2008 aan [A] de woning staande en gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

2.2. In artikel 2 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte.

2.3. In artikel 7 lid 10 van de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden is het volgende bepaald:

Het is de huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep of soortgelijke gewassen te telen, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet of Wetboek van Strafrecht strafbaar zijn gesteld. Het handelen in strijd met dit verbod is dermate ernstig dat dit de ontbinding van de huurovereenkomst op kortst mogelijke termijn rechtvaardigt.

2.4. [A] bewoont de woning samen met zijn min[B]ige dochter [B], geboren op [geboortedatum] (hierna [B]). In de weekenden verblijft [B] bij haar moeder in [woonplaats].

2.5. [B] volgt onderwijs bij [naam school] te [woonplaats]. Haar didactische vorderingen verlopen moeizaam. De uitkomst van het psychologisch onderzoek van 12 juli 2012 heeft daarvoor geen verklaring geboden. In zijn/haar verslag adviseert psycholoog Goedhart dat het raadzaam is de individuele begeleiding die [B] via de [naam school] ontvangt te continueren en waar mogelijk uit te breiden.

2.6. Op 13 maart 2013 heeft de politie in de woning van [A] 1260 stekjes hennep en voor hennepteelt noodzakelijke apparatuur aangetroffen en in beslag genomen.

3. Het geschil

3.1. De Huismeesters vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [A] te veroordelen om binnen twee dagen na de uitspraak van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen twee dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een

door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, de woning staande en gelegen te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] te ontruimen en ontruimd te houden, met medeneming van al het zijne en met achterlating van al hetgeen hem en de zijnen niet in eigendom toebehoort en met afgifte der sleutels ter vrije beschikking te stellen aan De Huismeesters;

II. [A] te veroordelen in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2. De Huismeesters heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd.

[A] heeft in strijd met de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden hennep in de woning gekweekt. Tussen woningcorporaties, het openbaar ministerie, het energiebedrijf, de gemeente en de politie is een convenant gesloten waarin een zero tolerance beleid ten aanzien van de hennepkweek in huurwoningen is vastgesteld. Ter uitvoering van dat beleid heeft Huismeesters [A] de gelegenheid geboden de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen, bij gebreke waarvan het onderhavige kort geding zou worden geëntameerd.

De teelt van hennep is een dermate ernstige tekortkoming dat dit ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning op kortst mogelijke termijn rechtvaardigt. Het spoedeisend belang bij de vordering is daarmee voldoende gegeven.

3.3. [A] heeft het volgende verweer gevoerd.

3.3.1. Het spoedeisend belang bij de vordering ontbreekt. De hennepstekjes zijn inmiddels uit de woning verwijderd, huurpenningen worden steeds door [A] voldaan en hij veroorzaakt geen overlast.

3.3.2. [A] voert aan dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van een tekortkoming die zodanig ernstig is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. [A] erkent dat hij stekjes hennep in de woning heeft laten wortelen. De stekjes werden vervolgens verkocht. Van gevaarzetting was geen sprake. [A] heeft niet op illegale wijze stroom afgetapt. Mocht sprake zijn van een tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, dan levert dat een ernstig probleem op voor [A] en zijn dochter [B]. Ontruiming zou betekenen dat [A] en zijn dochter op straat komen te staan. Zijn dochter kan niet bij haar in [woonplaats] wonende moeder terecht. Bovendien geniet [B] onderwijs in [woonplaats]. Zij kampt met een leerachterstand. De school in [woonplaats] voorziet in extra begeleiding van [B]. Structuur en rust zijn cruciaal voor de ontwikkeling van [B]. [A] beroept zich op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het artikel vereist dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Onder verwijzing naar de rapportage van psycholoog Goedhart stelt [A] zich op het standpunt dat de vordering tot ontruiming moet worden afgewezen omdat dit een noodsituatie voor hem en zijn dochter oplevert. Voorshands is onvoldoende aannemelijk gemaakt onderhavige vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang van De Huismeesters is genoegzaam gegeven. De Huismeesters heeft gemotiveerd toegelicht dat zij gezien de ernst van de overtreding een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming. Voorts is De Huismeesters op basis van het hennepconvenant dat zij heeft gesloten gehouden een zero tolerance beleid in acht te nemen ten aanzien van de aanwezigheid van hennep in de huurwoningen. De onderhavige procedure strekt mede tot de uitvoering van dat beleid.

4.2. Een vordering als de onderhavige, waarbij de voorzieningenrechter wordt gevraagd een voorschot te nemen op hetgeen de rechter in de bodemprocedure zal beslissen, kan slechts worden toegewezen indien vaststaat dat van De Huismeesters in redelijkheid niet kan worden verlangd dat [A] nog langer gebruik maakt van het gehuurde ook al is de huurovereenkomst nog niet rechtsgeldig geëindigd, en boven redelijke twijfel verheven is dat ook de rechter in de bodemprocedure zo zal beslissen.

4.3. Tussen partijen is niet zozeer in geschil of [A] - door zich in de huurwoning met het opkweken en verkopen van hennepstekjes bezig te houden - tegenover De Huismeesters is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst als wel of dat tekortschieten de gevorderde ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Weliswaar spreekt [A] van ‘opwortelen’ van stekjes maar die handeling - zo oordeelt de voorzieningenrechter - kan bezwaarlijk anders dan het kweken van hennep worden gekwalificeerd.

4.4. Het kader waarbinnen de bodemrechter een verzoek tot ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens een tekortschieten van de huurder dient te beoordelen, wordt geboden door artikel 6:265 BW. Ingevolge het eerste lid van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.

4.5. In de huurovereenkomst tussen partijen is uitdrukkelijk bepaald dat het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als woonruimte. Op grond van artikel 7:214 BW mag de bestemming van het gehuurde niet worden gewijzigd. Doordat de woning (deels) niet is gebruikt voor het doel waarvoor deze bestemd en verhuurd was, maar voor het opkweken en de verkoop van hennepstekjes, is [A] naar het oordeel van de voorzieningenrechter zodanig tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplich¬tingen uit de huurovereenkomst, dat dit in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Er is alleen aanleiding om anders te beslissen indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden aan de zijde van de huurder.

4.6. Het door [A] gevoerde verweer dat hij niet op illegale wijze stroom heeft afgetapt en dat van enige gevaarzetting nimmer sprake is geweest kan hem niet baten. Nog los van het strafbare karakter brengt de enkele aanwezigheid van een grote hoeveelheid (voor verkoop bestemde) hennepstekjes in een deel van het gehuurde met zich dat sprake is van een verhoogde kans op schade aan het gehuurde. Bovendien had [A] zich alvorens hij zijn activiteiten begon kunnen en moeten realiseren dat daaraan grote risico’s waren verbonden, waaronder de mogelijkheid dat De Huismeesters bij ontdekking van de hennepstekjes maatregelen zou nemen. In de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden wordt uitdrukkelijk gewag gemaakt van een ‘zero tolerance’-beleid ten aanzien van hennepkweek in de woning en de daaraan gekoppelde sanctie van ontruiming.

4.7. [A] heeft betoogd dat zijn belang en dat van zijn dochter bij een verblijf in de woning zwaarder dient te wegen dan het belang van De Huismeesters bij ontruiming. In dit verband voert [A] aan dat hij in financieel moeilijke omstandigheden verkeert en thans na ruim twee jaar schuldsanering weer op de goede weg is. Daarnaast wijst hij op het belang van zijn dochter en beroept hij zich in dit verband op het bepaalde in de artikel

3 IVRK. Deze bepaling betreft, kort gezegd, het voorop stellen van de belangen van het kind respectievelijk het recht van het kind op een toereikende levensstandaard.

4.8. Ook indien juist is dat [A] er inmiddels in is geslaagd in het kader van de schuldsanering zijn financiën meer op orde te krijgen, brengt dat op zich niet mee dat zijn belang om de huurovereenkomst voort te zetten aan de gevorderde ontruiming in de weg staat. De financiële situatie van [A] en ontwikkelingen dienaangaande leiden er niet toe dat De Huismeesters geen gebruik kan maken van de bevoegdheid die voor haar voortvloeit uit artikel 6:265 lid 1 BW.

4.9. Aangenomen moet worden dat een ontruiming van de woning (ook) voor minderjarige dochter [B] nadelige gevolgen meebrengt. Bij de beoordeling van een op zichzelf gerechtvaardigde vordering tot ontruiming zullen de belangen van het daarbij betrokken kind onder ogen gezien dienen te worden. Dit gaat evenwel niet zover dat de betrokkenheid van een kind automatisch leidt tot een blokkade voor de toewijzing van een dergelijke vordering. Het is voor alles de taak van [A] de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van al te nadelige gevolgen. Zowel verantwoordelijkheid voor de tekortkoming die tot de ontruiming leidt (of kan leiden) als de verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn dochter ligt bij hem. Om die reden dient niet te snel aangenomen te worden dat de betrokkenheid van een kind aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Dit zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden.

4.10. Dat die situatie of een daarmee gelijk te stellen situatie zich in dit geval voordoet is door [A] voldoende aannemelijk gemaakt. De onweersproken gebleven stelling van de [A] dat [B] kampt met concentratieproblemen en een leerachterstand en dat zij gebaat is bij rust en stabiliteit maken dat zijn dochter een zwaarwegend belang heeft bij afwijzing van de door De Huismeesters gevorderde ontruiming. In dat licht overweegt de voorzieningenrechter dat met betrekking tot de consequenties van de ontruiming De Huismeesters weliswaar heeft verklaard dat [A] en zijn dochter via het tweede kans beleid mogelijk aanspraak kunnen maken op vervangende woonruimte, maar onvoldoende voor het voetlicht is gebracht wat dit beleid concreet inhoudt en wat de kansen zijn op huisvesting van [A] en zijn dochter in de nabijheid van de school waar [B] momenteel de voor haar gewenste extra begeleiding ontvangt.

4.11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat de rechter in een bodemprocedure een vordering tot ontruiming van het gehuurde (en ontbinding van de huurovereenkomst) zondermeer zal toewijzen. Op grond van het voorgaande zal de vordering van De Huismeesters worden afgewezen.

4.12. De Huismeesters zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 891,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst af het gevorderde,

5.2. veroordeelt De Huismeesters in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 891,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op

26 april 2013.?

rh