Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ8228

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
17/880094-12 VON
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging gemeentemedewerkers.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 55
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 13
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/880094-12

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 8 april 2013.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. de Casseres, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode omvattende het jaar 2012 (tot en met 29

februari 2012), in elk geval op of omstreeks 28 februari 2012 en 29 februari

2012, in elk geval in het jaar 2012, te Leeuwarden, in ieder geval in de

gemeente Leeuwarden en/of te Drachten, in ieder geval in de gemeente

Smallingerland, in ieder geval in het (voormalig) arrondissement Leeuwarden,

meermalen, althans eenmaal, [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of [naam], allen medewerkers van/bij de gemeente Smallingerland, heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte (telkens) in voornoemde periode en/of op voornoemde

dagen

- een of meerdere medewerker(s) van de Politie Fryslân (via een telefonische

verbinding) opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak ze allemaal

af." en/of "Maar dan zijn [naam] en de [naam], ik weet niet hoe zijn

achternaam is, die zijn dood. Dat is mijn wraak." en/of "Maar voor [naam] en

voor de heer [naam] geldt hetzelfde, als zij, als u zij mij niet binnen een

uur opbellen is het zo dat ik hoef maar een telefoontje te plegen en ze zijn

allebei hartstikke dood.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende

aard of strekking en/of

- tegen de verbalisanten [naam verbalisant] en [naam verbalisant], beiden hoofdagent van

politie, gezegd dat hij er voor zou gaan zorgen dat de chef van zijn vrouw

zou gaan lijden. Hij zou er voor gaan zorgen dat het gezin van die chef er

als eerste aan zou gaan, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende

aard of strekking en/of

(welke bedreigingen vervolgens aan die [naam] en/of [naam] kenbaar zijn

gemaakt)

- opzettelijk voornoemde [naam] en/of [naam] en/of [naam] en/of

[naam], allen medewerkers van/bij de gemeente Smallingerland, (telkens)

(via een telefonische verbinding) met de dood bedreigd (door meermalen een

of meerdere collega's van die [naam] en/of [naam] en/of [naam]

en/of [naam], allen medewerkers van/bij de gemeente Smallingerland,

telefonisch te benaderen met (een) mededeling(en) als: "Ik maak hem dood

en/of kapot", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of

strekking en/of

- die [naam] (via een telefonische verbinding) opzettelijk dreigend de woorden

toegevoegd: "Als je de liefde van mijn leven stuk maakt, dan maak ik jou

stuk en jouw liefde ook. En ook die van [naam] en [naam].", althans

(telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- die [naam] (via een telefonische verbinding) opzettelijk dreigend de

woorden toegevoegd: "Ik kom met een pistool en kogels naar je toe. Je moet

oppassen mannetje.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende

aard of strekking en/of en/of

"Binnen nu en anderhalve week kom ik naar jullie toe, dan gebeurt er iets

ernstigs met [naam] of zijn familie.", althans (telkens) woorden van

gelijke dreigende aard of strekking en/of

(welke bedreiging(en) vervolgens aan die [naam] kenbaar is/zijn gemaakt);

2

hij op of omstreeks 29 februari 2012 te Leeuwarden een wapen van categorie

III, te weten een (enkelloops kogel)geweer (model Tower), kaliber .58,

voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3

hij op of omstreeks 29 februari 2012 te Leeuwarden een wapen van categorie I

onder 7°, te weten een (luchtdruk)geweer (van het merk Ceska Zbrojovka (CZ)),

kaliber 4,5 mm, zijnde een voorwer dat voor wat betreft zijn/hun vorm en

afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen (namelijk een

vuurwapen van het CZ model VZ-24), voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

4

hij op of omstreeks 29 februari 2012 te Leeuwarden voorhanden heeft gehad

- 7417 randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 en/of

- 51 kogelpatronen van het kaliber .30 en/of

(22 doosjes en een plastic bakje inhoudende)

- een (grote) hoeveelheid hulzen en/of kogelpunten van het kaliber .30 Carbine

en/of

- een (grote) hoeveelheid hulzen en/of kogelpunten van het kaliber .44 en/of

- 13 hulzen van het kaliber .38 en/of

- 23 hulzen van het kaliber 9 x 19 mm,

in elk geval (telkens) munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van

categorie III.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest;

- onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 1, 2, 3, 5, 6, 8, 9, 10, 11, 12 en 13;

- teruggave aan verdachte van het onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp met nummer 4, alsmede teruggave aan het onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp met nummer 7, voor zover dit nog niet aan verdachte teruggegeven is.

Beoordeling van het bewijs

De raadsman heeft vrijspraak voor het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat verdachte de ten laste gelegde bewoordingen - met uitzondering van één zinsnede - ontkent en dat er in het dossier onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is voor bewezenverklaring van de ten laste gelegde bewoordingen is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het onder het eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde constateert de rechtbank op basis van de stukken dat verdachte deze ten laste gelegde bewoordingen heeft geuit. Deze bewoordingen bevatten naar het oordeel van de rechtbank zonder meer doodsbedreigingen met betrekking tot [naam] en [naam], medewerkers van de gemeente Smallingerland. De rechtbank constateert echter dat de bewoordingen zijn geuit ten overstaan van medewerkers van de politie en niet gebleken is dat deze bedreigingen daadwerkelijk aan [naam] en [naam] kenbaar zijn gemaakt, danwel hen op een andere wijze bereikt hebben. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken ten aanzien van de ten laste gelegde bewoordingen zoals vermeld onder het eerste en tweede gedachtestreepje.

Ten aanzien van het onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde bekent verdachte dat hij heeft gezegd dat hij [naam] en de liefde van zijn leven zou stukmaken. Door de raadsman is bepleit dat dit geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht inhoudt. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de volledige bewoordingen die zijn ten laste gelegd onder het vierde gedachtestreepje en dat dit gelet op de omstandigheden en de context waarin het is gezegd, als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dient te worden opgevat.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde de hierna te noemen bewijsmiddelen1 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte2, inhoudende:

Ik heb door de telefoon tegen [naam] gezegd "als je de liefde van mijn leven kapotmaakt, maak ik jou en de liefdes van jouw leven kapot".

2. De verklaring van verdachte3, inhoudende:

Ik heb bedreigende taal gebruikt. Ik ging door het lint.

3. De verklaring van aangever [naam]4, inhoudende:

Ik ben de leidinggevende van [naam], de vrouw van [naam], bij de gemeente Smallingerland te Drachten. In het begin uitte [naam] zich door te schelden, later ook aan collega's door middel van uitlatingen van "ik ga je kapot maken". Deze bedreigingen zijn gericht tegen mij en collega [naam], [naam] en [naam] [naam]. De daadwerkelijke woordelijk bedreigingen zijn niet rechtstreeks aan mij gericht maar gingen via via. Ik heb van collega's gehoord dat ik werd bedreigd.

Ik hoorde dat [naam] met [naam] heeft gebeld en dat hij toen zei "je gezin en jij worden met de dood bedreigd". Ik weet dat [naam] en [naam] in het bezit zijn van vuurwapens. Ik ben bang dat [naam] mij daadwerkelijk gaat doodschieten.

4. De verklaring van aangever [naam]5, inhoudende:

Ik heb van [naam] begrepen, dat mijn naam ook is genoemd van personen, die door [naam] met de dood is bedreigd. Ik heb dit zelf niet van [naam] gehoord, maar ik voel mij daardoor wel bedreigd.

5. De verklaring van aangever [naam]6, inhoudende:

[naam] had afgelopen dinsdag eerst contact met mijn collega [naam]. [naam] werd door [naam] bedreigd, via de telefoon. Op 28 februari 2012 kreeg ik een [naam] aan de lijn die helemaal over de rooie was. Hij zei tegen mij: "Als je de liefde van mijn leven stuk maakt, dan maak ik jou stuk en jouw liefde ook. En ook die van [naam] en [naam]." Ik weet dat [naam] wapens heeft en dat hij bij een schietvereniging zit. Ik was wel enigszins bang. Het heeft veel indruk op me gemaakt.

6. De verklaring van aangever [naam]7, inhoudende:

Op 29 februari 2012 had ik [naam] aan de telefoon. Hij ging vreselijk tegen mij te keer. Ik heb hem meerdere keren iets horen zeggen als "Ik kom met een pistool en kogels naar je toe. Je moet oppassen mannetje". Ik nam deze bedreiging zeker serieus omdat ik weet dat hij bij een schietvereniging zit.

V: Ik begreep dat u ook had gehoord dat de heer [naam] bedreigingen had geuit richting [naam] en [naam]?

A: Ja, maar dat was anderhalve week eerder. Toen had ik hem ook aan de telefoon en heb ik hem horen zeggen "Binnen nu en anderhalve week kom ik naar jullie toe, dan gebeurt er iets ergs met [naam] of zijn familie." Ik heb [naam] daarover ingelicht.

V: Hoe zit het met de bedreiging richting [naam]?

A: Dat gebeurde door [naam] meer in algemene zin. Hij hoorde hem in datzelfde telefoongesprek bedreigingen uitten richting de leiding en daarbij hoorde ik dat hij de naam van [naam] noemde.

7. Een proces-verbaal van bevindingen8, inhoudende:

Ik, verbalisant, heb de opname CD van de telefoongesprekken tussen de heer [verdachte] en medewerkers van de gemeente Smallingerland uitgewerkt.

N = [naam]

G = medewerker gemeente

N: Ik schiet je ook dood.

G: Nou [naam]. Dat kan toch niet.

N: Ik wil graag antwoord. NU.

G: Antwoorden van [naam], maar ik weet niet waar ze is [naam].

N: Jij moet oppassen.

G: Nee [naam].

N: En [naam] moet oppassen, dat kun je hem zeggen.

N: En [naam] moet heel erg oppassen, waar is die [naam]?

N: Je moet oppassen wat je doet jongeman.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de conclusie van de deskundige niet wordt gedragen door argumenten. De enkele omstandigheid dat het wapen op een proefbank in 1991 is getest, is onvoldoende om te concluderen dat het wapen niet vóór 1945 is geproduceerd. Derhalve blijft de mogelijkheid bestaan dat het wapen onder de vrijstelling van artikel 18 van de Regeling wapens en munitie (RWM) valt.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman feitelijke grondslag mist. Uit het proces-verbaal van het Team Vuurwapens van de politie Drenthe blijkt dat de deskundige meerdere argumenten heeft genoemd die bijdragen aan zijn conclusie dat het enkelloops kogelgeweer, model Tower, niet is geproduceerd voor het jaar 1945 en derhalve niet valt onder de vrijstelling van artikel 18 van de RWM, waarvan het argument dat het wapen op een proefbank in 1991 is getest, slechts één is.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er wellicht een vrijstelling geldt voor het vuurwapen CZ, model VZ-24, zijnde het vuurwapen waarmee het luchtdrukgeweer van verdachte een sprekende gelijkenis zou vertonen en dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om het bezit van voorwerpen die lijken op vuurwapens waarvoor een vrijstelling geldt, strafbaar te stellen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens het proces-verbaal van het Team Vuurwapens valt het onderhavige luchtdrukgeweer onder categorie I onder 7° van artikel 2, lid 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM), omdat het een voorwerp is dat zodanig op een vuurwapen lijkt, dat het voor be- of afdreiging geschikt is.

In artikel 3 van de Regeling wapens en munitie (hierna: RWM) is nadere invulling gegeven aan de voorwerpen die onder categorie I onder 7° vallen. Onder a is het door het Team Vuurwapens gehanteerde criterium ("voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen") opgenomen.

De raadsman stelt dat voor het vuurwapen waarop het luchtdrukgeweer van verdachte lijkt, wellicht een vrijstelling zou gelden en dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om bezit van het luchtdrukwapen dat op een wapen waarvoor een vrijstelling geldt, wel strafbaar te stellen.

In artikel 18 van de RWM wordt bepaald voor welke vuurwapens een vrijstelling geldt.

Deze vrijstelling heeft echter alleen betrekking op de in de artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 31, eerste lid, van de WWM neergelegde verboden. De strafbaarstelling van het onderhavige luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp van categorie I, is echter in artikel 13, eerste lid van de WWM geregeld. Daargelaten het antwoord op de vraag of het vuurwapen CZ, model VZ-24 onder de vrijstelling valt, gelden de in artikel 18 van de RWM opgesomde vrijstellingen blijkens de aanhef van het artikel derhalve niet voor artikel 13 van de WWM en dus niet voor het onderhavige luchtdrukwapen.

Dat de wetgever - in tegenstelling tot de stelling van de raadsman - heeft beoogd de vrijstellingen niet tevens op de voorwerpen van categorie I onder 7° van toepassing te laten zijn, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts in de aanhef van artikel 18 van de RWM voorkomende zinsnede "Onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling".

De rechtbank zal het verweer van de raadsman derhalve verwerpen en het onder 3 ten laste gelegde bewezen verklaren.

Met betrekking tot het onder 4, eerste en tweede gedachtestreepje ten laste gelegde constateert de rechtbank dat de randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 en de kogelpatronen van het kaliber .30 blijkens het proces-verbaal van het Team Vuurwapens van de politie Drenthe grotendeels buiten de kluis zijn aangetroffen. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 en kogelpatronen van het kaliber .30 voorhanden had. Nu de rechtbank de exacte aantallen niet kent, zal de rechtbank de ten laste gelede aantallen niet bewezen verklaren.

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde de hierna te noemen bewijsmiddelen9 toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

1. De verklaring van verdachte10, inhoudende:

Er waren wapens en verschillende soorten munitie in mijn huis aanwezig. De Tower stond op de slaapkamer. Het klopt dat er onderdelen waarmee munitie kan worden gemaakt in een niet afgesloten kast zijn aangetroffen.

2. De verklaring van verdachte11, inhoudende:

V: Hoe zit het dan met de munitie buiten de kluis?

A: Twee kleine doosjes. Dat is .22. Dat zou kunnen dat ik dat vergeten ben op te ruimen. Net als [naam] dat vergeten moet zijn.

3. Een proces-verbaal van bevindingen12, inhoudende:

Op 29 februari 2012 werd een doorzoeking gedaan in de woning van [naam] en [verdachte] te Leeuwarden. Op de slaapkamer werd een aantal geweren open en bloot aangetroffen. Dit betrof onder andere een soort zwart kruitgeweer, merk Tower en een luchtdrukgeweer gelijkend op een karabijn en voorzien van een bajonet.

Op de tweede verdieping werden diverse soorten munitie en/of onderdelen van munitie aangetroffen. Dit werd aangetroffen in en naast een niet afgesloten kast. De munitie was voor een ieder die in de woning aanwezig was bereikbaar.

4. Een proces-verbaal van het Team Vuurwapens van de Politie Drenthe13, inhoudende:

Verdachten: [naam verdachte] en [naam]

Wapen 1: Het voorwerp is een enkelloops kogelgeweer, model Tower, kaliber .58, serienummer 91112. Het voorwerp is bestemd om projectielen door een loop af te schieten. De werking van het voorwerp berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is dit voorwerp een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 categorie III onder 1 van de WWM. Gelet op het jaar van de beproeving, de staat en het ontbreken van andere proefbanktekens is het geweer niet geproduceerd voor het jaar 1945 en valt hierdoor niet onder de vrijstelling van artikel 18 lid 1 onder c van de RWM, gelet op artikel 2 van de RWM.

Wapen 2: Het voorwerp is een luchtdrukgeweer geschikt voor be- of afdreiging, merk Ceska Zbrojovka (CZ), kaliber 4,5 mm, serienummer 27023. Het wapen vertoont voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met een vuurwapen, in de vorm van een geweer, namelijk een CZ model VZ-24, waarvan de werking berust op het teweeg brengen van een scheikundige ontploffing. Het wapen is derhalve een voorwerp in de zin van art. 2 lid 1 categorie I onder 7° van de WWM, gelet op art. 3 RWM.

Munitie 1: soort: randvuur en centraalvuur kogelpatronen, kaliber: 7417 x .22 en 51 x .30 kogelpatronen. Deze kogelpatronen zijn geschikt om projectielen door middel van een vuurwapen af te schieten. Derhalve zijn de patronen munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de WWM.

Deze munitie is geschikt voor vuurwapens die staan vermeld op het verlof tot voorhanden hebben van [naam] Blijkens onderzoek werd de munitie grotendeels buiten een daartoe bestemde kluis aangetroffen.

Munitie 2: soort: hulzen en kogelpunten, aantal: 22 doosjes en 1 plastic bakje, kaliber: .30 Carbine. Voormelde (nieuwe) kogelpunten en hulzen zijn geschikt om te worden herladen. Derhalve zijn deze voorwerpen munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de WWM. Deze munitie is geschikt voor vuurwapens die staan vermeld op het verlof tot voorhanden hebben van [naam] Blijkens onderzoek werd de munitie grotendeels buiten een daartoe bestemde kluis aangetroffen.

Munitie 3: soort: hulzen en kogelpunten, aantal: 22 doosjes en 1 plastic bakje met hulzen, kaliber .44, 13 hulzen kaliber .38, 23 hulzen kaliber 9x19 mm. Voormelde (nieuwe) kogelpunten en hulzen zijn geschikt om te worden herladen. Derhalve zijn deze voorwerpen munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de WWM. Deze munitie is niet geschikt voor een vuurwapen dat staat vermeld op het verlof van I. [naam].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 februari 2012, te Leeuwarden, in ieder geval in de gemeente Leeuwarden en te Drachten, meermalen, [naam] en [naam] en [naam] en [naam], allen medewerkers van de gemeente Smallingerland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte in voornoemde periode

- opzettelijk voornoemde [naam], medewerker van de gemeente Smallingerland, via een telefonische verbinding met de dood bedreigd door een collega van die [naam], medewerker van de gemeente Smallingerland, telefonisch te benaderen met een mededeling als: "Ik maak hem kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- die [naam] via een telefonische verbinding opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Als je de liefde van mijn leven stuk maakt, dan maak ik jou stuk en jouw liefde ook. En ook die van [naam] en [naam]." en

- die [naam] via een telefonische verbinding opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik kom met een pistool en kogels naar je toe. Je moet oppassen mannetje.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en "Binnen nu en anderhalve week kom ik naar jullie toe, dan gebeurt er iets ernstigs met [naam] of zijn familie.", welke bedreigingen vervolgens aan die [naam] kenbaar is gemaakt;

2.

hij op 29 februari 2012 te Leeuwarden een wapen van categorie III, te weten een enkelloops kogelgeweer, model Tower, kaliber .58, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 29 februari 2012 te Leeuwarden een wapen van categorie I onder 7°, te weten een luchtdrukgeweer van het merk Ceska Zbrojovka (CZ), kaliber 4,5 mm, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een

vuurwapen, namelijk een vuurwapen van het CZ model VZ-24, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 29 februari 2012 te Leeuwarden voorhanden heeft gehad

- randvuur kogelpatronen van het kaliber .22 en

- kogelpatronen van het kaliber .30 en

- een hoeveelheid hulzen en kogelpunten van het kaliber .30 Carbine en

- een hoeveelheid hulzen en kogelpunten van het kaliber .44 en

- 13 hulzen van het kaliber .38 en

- 23 hulzen van het kaliber 9 x 19 mm,

zijnde munitie in de zin van de Wet Wapens en Munitie van categorie III.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1 Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

2 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan

met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

3 Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

4 Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 februari 2013 en het reclasseringsadvies d.d. 19 september 2012;

- de vordering van de officier van justitie;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele weken schuldig gemaakt aan bedreiging. De bedreigingen vonden plaats tijdens telefoongesprekken met medewerkers van een gemeente, waar de vrouw van verdachte toen ook werkzaam was. De verbale bedreigingen bestonden onder andere uit het dreigen met een wapen.

De impact van deze bedreigingen was groot, doordat de medewerkers op de hoogte waren van de omstandigheid dat bij verdachte thuis een wapenkluis met wapens aanwezig was. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in strijd met de Wet wapens en munitie voorhanden hebben van een geweer, een voorwerp dat sprekende gelijkenis vertoont met een geweer en diverse soorten munitie.

Uitgangspunt voor een op te leggen straf vormen de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een geweer bedraagt drie maanden gevangenisstraf. Voor de verbale bedreigingen en het voorhanden hebben van munitie gelden geldboetes.

Verdachte heeft geen strafblad. De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte tot de verbale bedreigingen is gekomen door oplopende spanningen tussen zijn vrouw en haar werkgever. Daardoor voelde hij zich boos en machteloos. De reclassering ziet een relatie tussen het alcoholgebruik van verdachte en het delictgedrag. De toezichthouder die hem sinds zijn schorsing uit voorlopige hechtenis heeft begeleid, heeft aangegeven dat de situatie van verdachte stabiel is en dat hij zich goed heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden. Het recidiverisico wordt als laag ingeschat. De reclassering heeft een deels voorwaardelijke straf geadviseerd in de vorm van een werkstraf of geldboete, met daaraan gekoppeld de voortzetting van het huidige reclasseringstoezicht.

Alles overwegende zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte de maximale werkstraf opleggen, zonder voorwaardelijk deel en zonder reclasseringstoezicht, nu verdachte reeds geruime tijd heeft laten zien dat hij zijn leven weer op de rails heeft.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van het blijkens de aangehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp nummer 4. Voor zover voorwerp nummer 7 nog niet aan verdachte is geretourneerd, gelast de rechtbank ook daarvan de teruggave aan verdachte.

De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 3, 9, 10, 11, 12 en 13 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Ten aanzien van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 5 en 6 constateert de rechtbank dat deze voorwerpen wapens en munitie van de partner van verdachte, [naam], betroffen en dat [naam] ten tijde van het ten laste gelegde een vergunning voor deze voorwerpen had. Nu voorwerp nummer 2 buiten de kluis werd aangetroffen, hield [naam] dit voorwerp echter niet op legale wijze. De rechtbank zal voorwerp 2 derhalve onttrekken aan het verkeer.

Aangezien de vergunning van [naam] inmiddels is ingetrokken, acht de rechtbank het onwenselijk dat de voorwerpen 5 en 6 aan [naam] worden teruggegeven, nu hiermee een strafbare situatie zou ontstaan.

[naam] heeft naar het oordeel van de rechtbank echter wel recht op een vergoeding voor deze voorwerpen, nu zij de voorwerpen ten tijde van de inbeslagname op legale wijze hield. De rechtbank zal derhalve gelasten dat [naam] de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen 5 en 6 - na vervreemding - vergoed zal krijgen.

Ten aanzien van het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp met nummer 8 constateert de rechtbank dat zij op basis van de stukken niet kan vaststellen of dit voorwerp, een koffer met patroonhouders, vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank kan derhalve geen inhoudelijke beslissing omtrent dit voorwerp nemen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36b, 36c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT, RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen goederen genummerd 1, 2, 3, 9, 10, 11, 12 en 13.

Gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goed nummer 4.

Gelast, voor zover nog niet teruggegeven, de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goed nummer 7.

Gelast de vervreemding van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 5 en 6, met vergoeding van de waarde aan [naam]

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. de Vries, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2013.

Mr. de Vries is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer PL02R1 2012021996, gesloten op 21 maart 2012.

2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2013.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 maart 2012.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 1 maart 2012, pagina's 68 en 69.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 1 maart 2012, pagina 65.

6 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 1 maart 2012, pagina's 66 en 67.

7 Het proces-verbaal van aangifte door [naam], d.d. 6 maart 2012, pagina's 73 en 74.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL02R1 2012021996-27, d.d. 8 november 2012.

9 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met nummer 2012050614-A, gesloten op 16 juli 2012.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2013.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 1 maart 2012, pagina 92 van het dossier met OPS-dossiernummer PL02R1 2012021996, gesloten op 21 maart 2012.

12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2012, pagina 11.

13 Het proces-verbaal van het Team Vuurwapens van de Politie Drenthe d.d. 7 mei 2012, pagina's 12-16.