Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7866

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
AWB LEE 12/2589
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 6:20, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer: AWB LEE 12/2589

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2013 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. F. Hofstra,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

verweerder,

gemachtigde: J.T. Wielinga.

Procesverloop

Bij brief van 29 oktober 2012 (binnengekomen bij de rechtbank op 31 oktober 2012) heeft eiseres aangegeven van mening te zijn dat, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiseres om een uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), verweerder aan eiseres een dwangsom verbeurt. Eiseres verzoekt de rechtbank de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen. Daarnaast wil eiseres met het instellen van het beroep verweerder bewegen alsnog een besluit te nemen op haar aanvraag haar met ingang van 20 juli 2012 een WIA-uitkering toe te kennen.

Verweerder heeft op 8 november 2012 een besluit genomen op de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Eiseres is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres heeft tot 7 mei 2006 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) ontvangen. Vanaf april 2010 tot 1 januari 2011 is zij werkzaam geweest als medewerker huishouding in een hotel/bar. Op 23 juli 2010 heeft eiseres zich ziek gemeld. Bij brief van 27 maart 2012 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat, omdat ze op dat moment bijna twee jaar ziek is, ze een uitkering krachtens de WIA kan aanvragen. Op 18 april 2012 heeft eiseres bij verweerder een formulier 'Wijzigingen doorgeven als u een WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering heeft' ingediend. Op dat formulier heeft zij bij de ingangsdatum van de wijziging ingevuld '23-07-10 (aanvraag WAO per juli 2012 ingaand)'. Verweerder heeft de mededeling van eiseres opgevat als een verzoek om herbeoordeling van haar recht op een WAO-uitkering. Bij besluit van 24 juli 2012 heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 20 augustus 2010 een WAO-uitkering toe te kennen. Over deze procedure loopt bij de rechtbank een beroepsprocedure onder nummer 13/357.

1.2 De gemachtigde van eiseres heeft verweerder op 14 september 2012 telefonisch meegedeeld dat eiseres met het formulier dat zij op 18 april 2012 naar verweerder heeft gezonden niet alleen een herbeoordeling van haar recht op een WAO-uitkering heeft beoogd, maar dat zij met de indiening van dat formulier tevens een WIA-uitkering heeft willen aanvragen. Bij brief van 14 september 2012 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld, omdat naar haar mening ten onrechte nog niet op haar WIA-aanvraag is beslist. Verweerder heeft aangegeven in het formulier van 18 april 2012 en de toelichting daarop geen aanvraag om een WIA-uitkering gelezen te hebben, maar zegt eiseres in een e-mail van 8 oktober 2012 toe dat vóór 12 november 2012 op haar WIA-aanvraag zal worden beslist. Bij besluit van 8 november 2012 heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 20 juli 2012 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Tegen dit besluit is door of namens eiseres geen bezwaarschrift ingediend.

2.1 In artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of verweerder niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiseres om een uitkering krachtens de WIA.

2.2 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij op 18 april 2012 een WIA-uitkering heeft aangevraagd, op welke aanvraag verweerder niet tijdig heeft beslist. Pas nadat de gemachtigde van eiseres op 14 september 2012 daarover contact heeft opgenomen met verweerder, heeft verweerder de WIA-aanvraag van eiseres in behandeling genomen. Omdat verweerder naar de mening van eiseres niet tijdig op haar aanvraag heeft beslist, heeft zij onder verwijzing naar artikel 6:12, tweede lid, van de Awb beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet op 18 april 2012, maar pas op 14 september 2012 een WIA-aanvraag heeft gedaan. Uitgaande van deze datum, eindigde de termijn waarbinnen een besluit genomen diende te worden op 9 november 2012. Nu verweerder op 8 november 2012 een besluit heeft genomen over het recht van eiseres op een WIA-uitkering, is verweerder van mening dat tijdig op de aanvraag is beslist, zodat er geen dwangsommen zijn verbeurd.

2.3 De rechtbank stelt vast dat eiseres alvorens zij een beroepschrift bij de rechtbank heeft ingediend gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, verweerder in gebreke heeft gesteld en dat nadien twee weken zijn verstreken. Derhalve is voldaan aan de vereisten vermeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.

3. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of uit het door eiseres op 18 april 2012 ingezonden formulier en haar toelichting daarop moet worden opgemaakt dat zij heeft bedoeld naast een beoordeling van haar recht op een WAO-uitkering ook een WIA-uitkering aan te vragen en dus of verweerder inderdaad in gebreke is om tijdig op die aanvraag te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat uit het formulier en de toelichting daarop niet duidelijk valt op te maken of eiseres ook een WIA-uitkering heeft aangevraagd. Daarentegen heeft eiseres op de zitting duidelijk verklaard dat zij met de inzending van het formulier en de toelichting daarop niet heeft bedoeld een WIA-aanvraag in te dienen, maar een verzoek te doen haar recht op een WAO-uitkering te herbeoordelen. Op basis van die verklaring staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiseres met de inzending van het formulier en de toelichting daarop op 18 april 2012 niet heeft bedoeld een WIA-aanvraag in te dienen. Verweerder is pas op 14 september 2012 op de hoogte gesteld van de wens van eiseres om in aanmerking te worden gebracht voor een WIA-uitkering. Verweerder heeft daarop binnen de in artikel 4:13 van de Awb vermelde termijn een besluit genomen op dat verzoek.

4. Verweerder heeft derhalve tijdig op de aanvraag van eiseres beslist, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb. Aangezien op grond van het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, slechts tegen een besluit beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, zal de rechtbank het door eiseres ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaren.

5. Verweerder heeft bij zijn besluit van 8 november 2012 het verzoek tot het verstrekken van een WIA-uitkering afgewezen. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep van eiseres van 31 oktober 2012 tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, nu dit besluit niet aan het beroep tegemoetkomt. De rechtbank verwijst het beroep, voor zover dit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb door naar verweerder ter behandeling als bezwaar.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013.

w.g. J.A. van Loo

w.g. P.G. Wijtsma

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.