Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7243

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
18.930012-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor verduistering geld van zijn moeder en als penningmeester van geld van een stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.930012-13

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 april 2013 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1948,

wonende te [woonplaats], [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 05 april 2013.

De verdachte is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J.H.S. Kroeze, advocaat te Hoogeveen.

Deze is door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2007

tot en met 27 december 2011 te [plaatsnamen] en/of elders in

(destijds) het arrondissement Assen en/of in Nederland,

(telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, in totaal (ongeveer) 30.419 euro,

althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk(e) geld/goed(eren) verdachte (telkens) anders dan

door misdrijf, te weten als gemachtigde van de bankrekening van die

[slachtoffer 1] (bankrekeningnummer [nummer]) en/of als financieel

beheerder en/of zaakwaarnemer ten behoeve van die [slachtoffer 1], onder

zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 oktober 2010

tot en met 13 oktober 2011 te [plaatsnamen] en/of

elders in (destijds) het arrondissement Assen en/of in Nederland,

(telkens) opzettelijk een hoeveelheid geld, in totaal (ongeveer) 16.159 euro,

althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welk(e) geld/goed(eren) verdachte (telkens) anders

dan door misdrijf, te weten als penningmeester van die stichting, onder zich

had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* 240 uur werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis;

* 3 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], ten

bedrage van € 30.804,00, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede oplegging van

de schadevergoedingsmaatregel;

* toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2],

ten bedrage van € 16.159,75, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank onder 1 en 2 bewezen zal verklaren -telkens het plegen van verduistering, meermalen gepleegd- heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- ten aanzien van feit 1:

- de verklaring van aangever [naam aangever]1;

- vervangende exemplaren van een ING-girorekening, daarna betaalrekening2, vanaf 2007 tot en met 2011;

- een overzicht van de afboekingen en diversen van voormelde rekening3 over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011;

- een brief van de gemeente [naam gemeente]4 terzake PGB-gelden;

- een brief van de benadeelde [slachtoffer 1]5;

- de verklaring van verdachte6;

- ten aanzien van feit 2:

- de verklaring van aangeefster [naam aangeefster]7;

- een pinbetalingen- en opnameoverzicht8;

- de verklaring van getuige [naam getuige]9;

- de verklaring van verdachte10.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 december 2011 in Nederland, telkens opzettelijk een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1], welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gemachtigde van de bankrekening van die [slachtoffer 1] (bankrekeningnummer [nummer) en/of als financieel beheerder en/of zaakwaarnemer ten behoeve van die [slachtoffer 1], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 6 oktober 2010 tot en met 13 oktober 2011 in Nederland, telkens opzettelijk een hoeveelheid geld, in totaal ongeveer 16.159 euro,

toebehorende aan [slachtoffer 2], welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van die stichting, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor hetgeen de rechtbank bewezen acht. De in de bewijsmiddelen opgenomen andere geschriften zijn uitsluitend gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1: verduistering, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: verduistering, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende meerdere jaren met een hoge frequentie aan hem toevertrouwde gelden verduisterd. Verdachte heeft niet geschroomd om zich geld welk hij voor zijn hoogbejaarde moeder beheerde toe te eigenen. Daarnaast heeft hij als penningmeester van een dorphuis het in hem gestelde vertrouwen beschaamd door gelden te verduisteren ter financiering van zijn dubbelleven. De rechtbank rekent verdachte deze verduisteringen in hoge mate aan.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging voorts rekening met de eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman van verdachte.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Tevens legt de rechtbank, ter voorkoming van recidive, een voorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde en door de raadsman bepleite strafmodaliteit van een werkstraf (en een voorwaardelijke gevangenisstraf), gelet op het voren overwogene geen recht doet aan de strafbare feiten.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft een civiele vordering ingediend ten bedrage van € 30.804,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit materiële en immateriële schade.

De rechtbank zal bij de beoordeling en bespreking van (de hoogte van) de vordering uitgaan van de berekeningen voorkomend in het proces-verbaal (bijlage F van het PV).

De rechtbank is van oordeel dat de in dit overzicht voorkomende afgeboekte bedragen over de jaren 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 door verdachte zijn verduisterd en voor toewijzing vatbaar zijn, zijnde een totaalbedrag van € 16.609,00.

De rechtbank beschouwt de bedragen verbandhoudend met tanken over deze jaren niet als verduistering, nu benadeelde partij heeft aangegeven dat zij ook wel toestemming heeft gegeven op haar rekening te tanken.

Daarnaast acht de rechtbank ook voldoende aannemelijk gemaakt, mede op basis van de verklaring van verdachte, dat er in 2010 en 2011 diverse privé pintransacties zijn gedaan, van respectievelijk in totaal € 1.488,45 en € 926,50.

Het gaat om diversen 2010 en 2011: [opgave posten].

De rechtbank acht tevens de posten "kosten opvragen kopieën bankafschriften", ten bedrage van € 135,00 en immateriële schade € 250,00 voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en voormelde schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij derhalve tot een bedrag van € 19.408,95, vermeerderd met de wettelijke rente, voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot voornoemd bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen, nu de benadeelde partij dit deel van haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag, groot € 16.159,75, acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de sub 1 en 2 bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten zijn toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan een gedeelte groot 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 19.408,95 (inhoudende € 250,00 immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2011 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank wijst het overige deel van de vordering af.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 19.408,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2011 tot het tijdstip van de algehele voldoening van het bedrag te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 132 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij het [slachtoffer 2] van de som van € 16.159,75 (zijnde materiële schade) en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer het [slachtoffer 2], een bedrag van €16.159,75 bij gebreke van betaling te vervangen door 115 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

De rechtbank verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, en mr. M.A.A. van Capelle en

mr. C. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 april 2013.

1 op pagina 69ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: PL032V 2012084838 (PV)

2 bijlage E bij het PV

3 bijlage F bij het PV

4 bijlage A bij het PV

5 op pagina 100 van het PV

6 op pagina 53ev van het PV

7 op pagina 3ev van het proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: PL0300 2011085658 (PV1)

8 op pagina 8ev van het PV1

9 op pagina 88/49 van het PV1

10 op pagina 35ev van het PV1

??

??

??

??

Parketnummer: 18/930012-13

Uitspraak d.d.: 16 april 2013 8

vonnis