Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ7030

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
AWB LEE 10/2332 tot en met 10/2342
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:709, Bekrachtiging/bevestiging
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:2323, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV KbLux. Rechtbank gelooft niet dat erflater niet rechthebbende was tot de buitenlandse banktegoeden. Verweerder heeft voldoende voortvarendheid betracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/957
V-N 2013/34.2.1

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Leeuwarden

procedurenummers: AWB LEE 10/2332 tot en met 10/2342

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 4 april 2013 als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

Erven [X],

domicilie kiezende te [plaats],

eisers,

gemachtigde [Y],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde [gemachtigde].

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) opgelegd en beschikkingen gegeven:

tabel1

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 september 2010 de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eisers hebben daartegen bij brief van 6 november 2010, ontvangen bij de rechtbank op 9 november 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Eisers hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2012 te Leeuwarden. Eisers zijn daar vertegenwoordigd door [Y], bijgestaan door [Z]. Verweerder is daar vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [naam].

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. Overeenkomstig hetgeen ter zitting is besproken, heeft verweerders gemachtigde bij brief van 23 november 2012 een exemplaar van de geschoonde versie van het Draaiboek Rekeningenproject (het Draaiboek) aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft hiervan een afschrift gezonden aan eisers.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Overwegingen

Feiten

1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1.1 [X] ([X]) is geboren op 9 juli 1926 en overleden op 4 december 1998. Hij was gehuwd met [X]-[A], geboren op 23 januari 1926. [X] was tot juni 1996 tezamen met zijn echtgenote woonachtig te [plaats]. Op 6 juni 1996 zijn [X] en zijn echtgenote geëmigreerd naar [plaats] te België. In 2001 is mevrouw [X]-[A] geremigreerd naar Nederland. Sinds die tijd is zij woonachtig in [plaats]. Mevrouw [X]-[A] lijdt reeds voordat zij naar België is geëmigreerd aan de ziekte van Alzheimer.

1.2 [X] is meer dan veertig jaar werkzaam geweest als directeur-grootaandeelhouder van [X] BV te [plaats]. Dit bedrijf was gespecialiseerd in het produceren van luxe autobussen voor de nationale en internationale markt. Daarnaast werd handel gedreven in tweedehands autobussen. In 1996 heeft [X] de aandelen van deze vennootschap alsmede zijn woning verkocht aan [onderneming].

1.3 Op 17 mei 1989 heeft [X] twee bankrekeningen geopend bij de Kredietbank Luxembourg (KBL). Het betreft de rekeningnummers [nummer] en [nummer]. De rekeningen stonden op naam van "[B] [X]-[A] ou M. [C] [X]".

1.4 Op 27 oktober 2000 zijn door de Belgische autoriteiten op basis van het bepaalde in de EG-Richtlijn van 19 december 1977 (77/799/EEG) in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de KBL aan het Nederlandse Ministerie van Financiën verstrekt. De gegevens bestaan uit fotokopieën van afgedrukte microfiches, die afkomstig zijn uit de interne administratie van de KBL. Naar aanleiding van deze gegevens is een onderzoek ingesteld door de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst/Economische controledienst (FIOD-ECD) en de Belastingdienst naar de identiteit van de rekeninghouders waarvan de gegevens op de afdrukken van de microfiches waren vermeld. Dit onderzoek is later bekend geworden als het Rekeningenproject. Ten behoeve daarvan is het onder procesverloop bedoelde Draaiboek opgesteld.

1.5 In hoofdstuk 2 van het Draaiboek zijn de organisatorische aspecten beschreven van het rekeningenproject. Paragraaf 3.1.2 van het Draaiboek beschrijft het identificatietraject.

1.6 Op de van de Bijzondere belastinginspectie te België ontvangen fotokopie van een microfiche staan onder andere de volgende gegevens vermeld:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994"

en

"[nummer] VUE [B] [X-A] OU M. [C X] -224,21"

en

"[nummer] TER LDO [B] [X-A] OU M. [C X] 1.408.090,28"

1.7 De Belastingdienst heeft de eerste en tweede rekeninghouder van de onder 1.6 bedoelde rekeningen bij de KBL geïdentificeerd als [X] en zijn echtgenote. De derde rekeninghouder heeft de Belastingdienst geïdentificeerd als [C] [X].

1.8 De Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen heeft bij brief van 24 april 2002, gericht aan de erven van [X] (zijnde eisers) en ter attentie van de echtgenote van [X], naar aanleiding van de onder punt 1.7 bedoelde identificatie verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken over de bankrekeningen bij KBL.

1.9 Bij brief van 7 mei 2002 heeft [Y], de zoon van [X] en zijn echtgenote en als zodanig één van de erven van [X], geantwoord op de brief van 24 april 2002 van de Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen. Hierbij heeft hij meegedeeld dat hij in de paperassen van zijn moeder niets heeft gevonden dat wees op een buitenlandse bankrekening. Verder heeft hij verzocht om eventuele verdere correspondentie aan hem te richten.

1.10 De Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen heeft vervolgens bij brief van 19 augustus 2002, gericht aan [Z], zich tot [Z] gewend met de vraag informatie te verstrekken over het bestaan van buitenlandse bankrekeningen op naam van [X] en zijn echtgenote. Bij brief van 29 augustus 2002 hebben [Z], alsmede de andere kinderen van [X] ([F], [G], [Y] en [H]), hierop gereageerd. Volgens deze brief zou de Belastingdienst/Grote Ondernemingen Groningen naast [Z] ook de andere kinderen met een soortgelijke brief hebben benaderd. In de brief delen de kinderen mee dat zij tot dusverre van hun vader een drietal buitenlandse rekeningen hebben gevonden bij G.B./Fortis en een buitenlandse rekening bij Van Lanschot. De kinderen geven aan dat zij niet van de activiteiten van hun vader op de hoogte waren.

1.11 Op 25 september 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [P] en [R] namens de inspecteur van de eenheden van de Belastingdienst Particulieren Den Haag, Heerlen/Buitenland en Ondernemingen Groningen en de echtgenote van [X], [Y] en [Z]. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt (zie bijlage 3.8 bij het verweerschrift). Tijdens dit gesprek hebben de belastingambtenaren de fotokopieën van de microfiches getoond, waarop de onder punt 1.6 bedoelde gegevens stonden. De echtgenote van [X], [Y] en [Z] hebben hierop - kort gezegd - meegedeeld dat zij geen weet hebben van de op de microfiches vermelde bankrekeningen bij de KBL. [P] en [R] hebben meegedeeld dat zij, naast de bankafschriften van de afgelopen tien jaar van de bankrekeningen bij KBL een kopie wensen van het inschrijvingsformulier en de handtekeningenkaart van KBL. [Y] en [Z] hebben volgens het gespreksverslag aangegeven volledig te zullen meewerken.

1.12 Bij brief van 28 oktober 2002 heeft [gemachtigde], verbonden aan [kantoor], naar aanleiding van het onder punt 1.11 bedoelde gesprek gereageerd namens eisers. Hij heeft onder meer vragen gesteld over de bevoegdheden van de ambtenaren [R] en [P]. Na beantwoording van deze vragen wenst [gemachtigde] pas in te gaan op de inhoudelijke kwestie.

1.13 Bij brief van 25 november 2002 heeft [S] namens de Belastingdienst/Directie ondernemingen Zuid gereageerd op de brief van [gemachtigde]. Bij brief van 10 december 2002 heeft [gemachtigde] meegedeeld dat hij de beantwoording van zijn vragen onvolledig en deels onjuist acht. [S] heeft hierop bij brief van 20 januari 2003 gereageerd. Bij brief van 24 maart 2003 heeft [Y] de inhoud van een met [R] gevoerd telefoongesprek bevestigd over onder meer de bevoegdheid van [R]. Bij brief van 31 maart 2003 heeft [R] hierop gereageerd.

1.14 Bij brief van 25 april 2003, gericht aan [gemachtigde], heeft [T] namens de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen verzocht om alsnog de bankafschriften en een afschrift van het handtekeningregister van de KBL aan hem ter inzage te verstrekken.

[Gemachtigde] heeft bij brief van 5 mei 2003 meegedeeld dat beantwoording op korte termijn niet mogelijk is. [T] heeft bij brief van 21 mei 2003 de verwachting uitgesproken dat binnen vier weken na dagtekening van die brief de gevraagde informatie aan hem ter inzage wordt verstrekt. Bij brief van 23 juni 2003 heeft [gemachtigde] wederom vragen gesteld over de bevoegdheden van de betrokken ambtenaren. Hij verwacht de gevraagde, via KBL te verkrijgen, informatie vóór 25 juni 2003 aan verweerder te doen toekomen.

1.15 Bij zijn brief van 16 juli 2003 aan verweerder heeft [gemachtigde] rekeningafschriften over de jaren 1992 tot en met 1999 gevoegd van de door [X] bij de KBL gehouden bankrekeningen alsmede een schriftelijke bevestiging van 10 december 2002 van de KBL dat de rekening met het nummer [nummer] op 17 mei 1989 is geopend. [Gemachtigde] heeft hierbij meegedeeld dat de KBL geen kopieën wilde afgeven van de handtekeningkaart en het openingsformulier. Verder heeft [gemachtigde] meegedeeld dat de bijgevoegde stukken van de KBL eisers op het spoor hebben gebracht van de toedracht van de rekening. Hij verwijst hiervoor naar een bijgevoegde verklaring van de heer [Q], zijnde een zakenrelatie van [X]. [Q] bleek nog in het bezit te zijn van een aantal kopieën van de op deze zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft [gemachtigde] ook gevoegd bij zijn brief. [gemachtigde] heeft verder meegedeeld dat uit de bijgevoegde bancaire bescheiden blijkt dat de rekening is geopend op 17 mei 1989 en dat de mederekeninghouder [Z] nimmer juridische of economische beschikkingsmacht over deze rekening heeft gehad. Met de opneming in contanten is de rekening volgens [gemachtigde] in januari 1999 opgeheven. Eisers hebben langdurig, maar tevergeefs, gezocht naar het hierna onder punt 1.16 bedoelde kwijtingschrift dat in het bezit is geweest van mevrouw [X]-[A]. Dit stuk is - naar [gemachtigde] meedeelt - zeer waarschijnlijk kwijtgeraakt bij de verhuizing van mevrouw [X]-[A] naar [plaats]. In genoemde brief schrijft [gemachtigde] voorts: "Ik verzoek u de opgelegde aanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 met boete te vernietigen en verzoek tevens om een kostenvergoeding betreffende de in bezwaar gemaakte kosten van verleende bijstand.".

1.16 [Q] heeft in een schriftelijke verklaring van 30 mei 2003, gevoegd bij de brief van 16 juli 2003 van [gemachtigde] (zie bijlage 3.14 bij het verweerschrift), samengevat het volgende verklaard. In de jaren tachtig heeft [X] [Q] geïnformeerd over een zakelijke transactie die hij was aangegaan inzake de beoogde levering van een omvangrijk contingent autobussen aan Saoedi-Arabië in verband met de pelgrimsreis Mekka - Medina. [X]s contacten liepen via een Egyptische advocaat, de heer [K], die werkte als gemachtigde van de Libanese vennootschap '[vennootschap]' te Baabda, die op haar beurt optrad als tussenpersoon voor [O], trustee van een Saoedische prinses. De heer [K] heeft verteld dat het in het Midden-Oosten niet ongebruikelijk is dat zaken in persoon worden afgesloten. De directeur aandeelhouder (de ‘eigenaar’) wordt aangesproken ondanks de aanwezigheid van een rechtspersoon. Het probleem voor de bouw en levering van de benodigde bussen zat in de financiering. Het verkrijgen van een financiering bij een West-Europese financiële instelling ten behoeve van de Libanese firma bleek vooralsnog geen haalbare kaart. Om die reden is bij overeenkomst van 11 februari 1982 afgesproken dat de Libanese firma, via [K], in contanten aanbetalingen zou doen voor de levering van autobussen. Overeengekomen werd dat [X] deze betalingen risicoloos zou beleggen op privé-renterekeningen ten name van hem en zijn echtgenote voor een periode van vijf jaar. [X] heeft de aanbetalingen gestort op renterekeningen bij de NMS. Bij officiële bevestiging van 5 oktober 1985 werd het bedrag aan down payment verhoogd en variabel gemaakt door de trustee (de verhogingen). Hierdoor werden er grotere bedragen afgestort. De verhogingen heeft [X] niet gestort op de bankrekeningen bij NMS, maar in contanten aangehouden. Tegen het einde van de vijfjaarstermijn werd het [X] duidelijk dat er, ondanks de verhoogde aanbetalingen, waarschijnlijk geen oplossing kon worden gevonden voor het financieringsprobleem. Bij notariële akte van 19 december 1988 heeft [X] de aanbetalingen die hij had gestort op de renterekeningen bij NMS, terugbetaald aan [K] (de eerste tranche geschiedde reeds op 28 december 1987). [X] verkeerde in de veronderstelling dat hij de ontvangen verhogingen, die hij in contanten aanhield, onder zich zou houden totdat later op enig moment volstrekt duidelijk zou zijn dat het project (de levering van de autobussen) definitief al dan niet zou doorgaan. Op advies van [Q] heeft [X] in 1989 de bankrekeningen geopend bij de KBL en daarop de door hem in contanten aangehouden van [K] ontvangen verhogingen gestort. In de jaren negentig was de Libanese firma achter het misverstand gekomen en confronteerde, via [K], [X] met de terugbetalingsplicht van de verhogingen. [X] wees enerzijds op het finale kwijtingskarakter van de afrekening uit 1987 en 1988 en toonde anderszins bereidheid tot terugbetaling. Vanaf 1994/1995 zag [X] zich, na bedreigingen van [K], genoodzaakt om bedragen op te nemen van zijn KBL-rekening en terug te betalen aan [K]. In 1997 bedreigde [K] [X] opnieuw. Nadat [X] in december 1998 overleed, zouden volgens [X]s echtgenote vreemde mannen haar om grote geldbedragen hebben gevraagd. In aanwezigheid van [Q] heeft mevrouw [X]-[A] begin 1999 het geld in contanten opgenomen van de KBL-rekening en dit even later, in de auto op een parkeerplaats, uitbetaald aan [K]. Mevrouw [X]-[A] kreeg een bewijs van kwijting van [K] overhandigd.

1.17 [Q] heeft bij zijn verklaring de volgende bijlagen (die [gemachtigde] bij zijn brief van 16 juli 2003 heeft gevoegd) gevoegd:

- Een afschrift van een akte van geldlening/schuldbekentenis van 11 februari 1982 tussen [X] en [K].

- Een afschrift van de notariële akte van 19 december 1988 met specificatie inzake de finale afrekening van de terugbetaling van de aanbetalingen, ondertekend door [K] en [X].

- Een afschrift van de officiële bevestiging van 5 oktober 1985 inzake de verhoging van het down payment (zie 1.16).

1.18 Verweerder heeft zich na ontvangst van de brief van 16 juli 2003 van [gemachtigde] beraden op de te nemen stappen, naar aanleiding van de in deze brief gegeven informatie. Bij brief van 14 november 2003 heeft verweerder eisers uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 15 december 2003 plaatsgevonden. Namens eisers waren aanwezig [Z] en [Y] en namens verweerder [R], [T] en [N]. Bij brief van 19 december 2003, gericht aan [Z], heeft verweerder een afschrift van het verslag van deze bespreking gezonden aan eisers. Volgens dit verslag hebben [Z] en [Y] bevestigd dat zij niet bekend waren met het bestaan van de bankrekeningen bij de KBL. Zij hebben hun wetenschap over het "busproject" uitsluitend ontleend aan de verklaring van [Q]. Zij hebben aangegeven dat zij nogmaals op zoek gaan naar het kwijtingsbewijs. Verder hebben zij toegezegd na te gaan van welke rekening de op de successieaangifte vermelde schuld van ƒ 800.000 aan de familie [W] op 20 augustus 1999 is betaald. Tijdens het gesprek heeft verweerder gevraagd wie opdracht heeft gegeven voor de verkoop van Sic(caps) (vermoedelijk beleggingsstukken) op 29 december 1998. De gebroeders [Y-Z] hebben hierop geantwoord dat zij navraag zullen doen bij [Q]. Ook zullen zij dit bij de KBL natrekken, inclusief het opvragen van het opnameformulier. Ten aanzien van de aan eisers op te leggen navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1991 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1992 heeft verweerder gevraagd akkoord te gaan met het opleggen van deze aanslagen ná 1 januari 2004 en dus geen beroep te doen op de verjaringstermijn. De gebroeders [Y-Z] hebben aangegeven hier niet onwelwillend tegenover te staan, maar eerst de andere leden van de familie te willen vragen hiermee in te stemmen.

1.19 Bij brief van 17 december 2003, gericht aan [Z], heeft verweerder eisers nogmaals verzocht om toe te zeggen dat zij zich niet zullen beroepen op de overschrijding van de navorderingstermijn voor wat betreft de navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1991 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1992. Verweerder heeft bij brief van 15 januari 2004, gericht aan [Z], eisers verzocht om binnen twee weken een reactie te geven. Verweerder heeft meegedeeld dat zowel het vaststellen van de definitieve tekst van het gespreksverslag als de door eisers toegezegde acties nog moeten plaatsvinden. Na ontvangst daarvan kunnen volgens verweerder mondeling dan wel schriftelijk de fiscale consequenties van de KBL-rekening worden besproken en wordt de definitieve afronding van de zaak duidelijk.

1.20 [Y] heeft bij brief van 27 januari 2004 gereageerd. Hij heeft meegedeeld dat verweerders brieven van 17 en 19 december 2003 en 15 januari 2004, tegen de daartoe gemaakte afspraken in, naar [Z] zijn gestuurd in plaats van naar hem, hetgeen tot ergernis en vertraging heeft geleid. Verder heeft hij meegedeeld dat het gespreksverslag van 19 december 2003 grove feitelijke onjuistheden bevat en essentiële informatie onvermeld laat. Om die reden zullen eisers hun gespreksaantekeningen uitwerken tot een verslag en aan verweerder toezenden. Tot slot heeft [Y] meegedeeld dat hij, namens de erfgenamen, bevestigt dat eisers zich in een fiscale beroepsprocedure niet zullen beroepen op het verstrijken van de navorderingtermijn van de eventuele navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1991 en VB voor het jaar 1992. Verweerder heeft bij brief van 29 januari 2004 gereageerd. Hij heeft eisers erop gewezen dat hij nog geen enkele inhoudelijke reactie heeft ontvangen van eisers en ook geen afschriften van de door eisers toegezegde stukken.

1.21 Bij brief van 25 februari 2004 heeft [Y] gereageerd op verweerders brief van 29 januari 2004. [Y] heeft onder meer het volgende meegedeeld:

"In uw brief van 15 januari jl. spreekt u over door ons 'toegezegde acties'. Dat is wat anders dan waar u over spreekt in uw brief van 29 januari jl. Daar spreekt u over door ons 'toegezegde stukken'. Wij hebben geen stukken toegezegd. Wij hebben gezegd medewerking te blijven verlenen, zoals we dat van meet af aan hebben gedaan. Die medewerking verwachten wij dan ook van u. Omdat ons is gevraagd om aanvullende gegevens van onder meer binnenlandse en buitenlandse personen en instanties zijn wij aangewezen op de medewerking van diverse derden. Hiermee is de nodige tijd gemoeid. Bovendien wenst iedere erfgenaam tijdig gekend te worden in de ontwikkelingen in dit project en de geschriften die ik u, namens hen, stuur. Zij dringen nu allereerst aan op een snelle beantwoording door u van de door ons sedert 28 oktober 2002 gestelde vragen. Zoals gezegd, zie ik die graag uiterlijk vòòr 20 maart a.s. tegemoet tezamen met het door u ondertekende, bijgevoegde verslag inzake de bespreking van 15 december jl. (danwel uw voorafgaande opmerkingen daaromtrent) en uw schriftelijke beantwoording van onze brief van 20 februari jl. houdende onze reacties op de namens de fiscus gebezigde stellingen en argumenten. Inmiddels blijven wij werken aan de beantwoording van uw vragen.".

Bij deze brief heeft [Y] een brief gevoegd van 20 februari 2004, waarin hij een reactie geeft op het door verweerder opgemaakte verslag van de op 15 december 2003 gehouden bespreking. In laatstbedoelde brief heeft [Y] bij gebrek aan wetenschap bestreden dat [X] de betreffende tegoeden en renten niet heeft aangegeven in zijn aangiften IB/PVV en VB. [Y] heeft hierbij verweerder gevraagd uit welke over te leggen gegevens blijkt dat [X] de betreffende bedragen niet heeft aangegeven. Verder heeft [Y] bij zijn brief van 20 februari 2004 een door hem opgemaakt concept-verslag gevoegd van deze bespreking. Volgens dit verslag zal de familie nogmaals onderzoek plegen naar het kwijtingsbewijs. Verder staat hierin dat [Z] zijn zuster zal vragen een feitenrelaas op papier te zetten inzake de afwikkeling van de schuld aan de familie [W]. Ook staat hierin vermeld dat navraag zal worden gedaan bij KBL met betrekking tot de vraag wie opdracht heeft gegeven tot verkoop van de sicaps eind december 1998.

1.22 Bij brief van 1 juni 2004, gericht aan [Y], heeft verweerder het volgende meegedeeld:

"Door drukke werkzaamheden volgt mijn reactie later dan oorspronkelijk de bedoeling was, hiervoor mijn excuses.

(…)

U eindigt uw brief van 25 februari met de tekst: "Inmiddels blijven wij werken aan de beantwoording van uw vragen". Ik heb tot op heden nog geen reactie van u ontvangen, het kan zijn dat u alvorens te reageren alle vragen beantwoord wil hebben. Ik wil u voorstellen de antwoorden die u inmiddels gereed hebt mij te doen toekomen. Voor de goede orde het betrof de volgende vragen:

1. Zijn er nog stukken gevonden inzake de geschiedenis rond de Arabieren met betrekking de jaren '90, waaronder het kwijtingsbewijs?

2. Afwikkeling vordering Fam. [W]; ik ontvang nog het relaas van uw zuster en een afschrift(en) van de betaling per bank.

3. KBL rekening; de diverse opnamen (20-12-1995 en 14-05-1997) en de verkoop van de Sic(caps) per 29-12-1998 roepen vragen op, u zou nog navraag doen bij [Q] en de KBL?

Teneinde een poging te ondernemen deze kwestie, (verantwoording van het KBL tegoed en

de inkomsten daaruit in de aangiften inkomstenbelasting/vermogensbelasting van wijlen

vader [X] tot emigratie datum en vermelding van het KBL saldo in de successie aangifte) nog voor de aanstaande vakantie in onderling overleg proberen op te lossen stel ik u voor deze maand nog een datum voor een bespreking vast te stellen. (…)".

1.23 In reactie op verweerders brief van 1 juni 2004 heeft [Y] bij brief van 4 juni 2004 meegedeeld dat hij eerst de brief moet voorleggen aan en bespreken met de overige familieleden, van wie er thans twee op vakantie zijn. [Y] zegt toe dat hij verweerder nader schriftelijk en inhoudelijk zal berichten.

1.24 Bij brief van 7 juli 2004 heeft [Y] verweerder verzocht tot het adequaat en volledig beantwoorden van alle gestelde vragen in deze zaak vanaf 28 oktober 2002 tot en met de in deze brief gestelde vragen. [Y] heeft meegedeeld dat hij verweerders schriftelijke antwoorden graag vóór 31 augustus 2004 tegemoet ziet.

1.25 Verweerder heeft gereageerd bij brief van 12 november 2004. Hierin heeft hij onder meer meegedeeld:

"In uw brieven wordt de opmerking gemaakt dat niet is vastgesteld dat vader de betreffende tegoeden en renten niet heeft aangegeven in zijn aangiften IB/VB. En dat de erven dat niet hebben kunnen vaststellen en dat gebrek aan wetenschap daaromtrent het standpunt van de Belastingdienst dat de tegoeden en de inkomsten daaruit niet zijn verantwoord wordt weersproken. Deze stellingname heeft tot gevolg gehad dat ik een behoorlijke zoektocht heb moeten ondernemen naar de oude aangiften IB/VB van vader. De emigratie,verkoop van het bedrijf en het overlijden van vader, remigratie van moeder hebben tot gevolg gehad dat ik veel tijd en energie heb moeten steken in het opzoeken van de betreffende aangiften.

Dit is dan ook de reden dat de beantwoording van uw brief is vertraagd.

Het resultaat van deze zoektocht is overigens dat ik heb kunnen vaststellen dat de tegoeden noch de inkomsten daaruit in de aangiften IB/VB van vader zijn verantwoord.".

Verweerder heeft in zijn brief ten aanzien van de vragen van eisers naar de bevoegdheid van de betrokken ambtenaren van de Belastingdienst verwezen naar de brief van 25 november 2002 van [S] (zie hiervoor onder punt 1.13).

Verder heeft verweerder geconstateerd dat eisers de vragen die mede zijn ontstaan naar aanleiding van het gesprek op 15 december 2003 tot op heden nog niet hebben beantwoord. Verweerder verzoekt eisers mee te delen of hij al dan niet nog een antwoord krijgt op deze vragen. Bij een bevestigend antwoord, wenst verweerder een reactie van eisers binnen drie weken na dagtekening van zijn brief. Bij een ontkennend antwoord wenst verweerder de argumentatie daarvoor. Verweerder heeft tot slot meegedeeld dat hij voor wat betreft de navordering van de IB/PVV en VB vanaf 1990/1991 voornemens is de komende weken het definitieve standpunt in te nemen dat de tegoeden en de inkomsten daaruit aan [X] toe te zullen rekenen.

1.26 [Y] heeft gereageerd bij brief van 30 november 2004. Hierin heeft hij onder meer verweerder verzocht om alle gevonden fiscale gegevens uit de desbetreffende jaren aan hem te zenden. Verder heeft [Y] volgehouden dat niet alle door eisers gestelde vragen zijn beantwoord. [Y] heeft meegedeeld dat eisers eerst verweerders volledige, juiste en gemotiveerde antwoorden willen ontvangen op hun vragen en dat verweerder daarna de door hem gevraagde antwoorden, voor zover dat in de macht van eisers ligt, ontvangt. Verder vragen eisers zich af of verweerder wel echt geïnteresseerd is in hun antwoorden, aangezien verweerder heeft gesteld voornemens te zijn de komende weken het definitieve standpunt in te nemen de tegoeden en inkomsten aan [X] toe te rekenen door navorderingsaanslagen op te leggen.

1.27 Verweerder heeft vervolgens gereageerd bij brief van 7 december 2004. Aan het slot van deze brief heeft verweerder meegedeeld:

"Ik ben van mening dat vader en moeder belasting verschuldigd zijn over het KBLux tegoed en de inkomsten daaruit tot het moment van emigreren, indien u de mening bent toegedaan dat dát niet het geval staan wij lijnrecht tegenover elkaar. Ik zie niet in op welke wijze wij deze tegenstelling kunnen overbruggen, maar suggesties van uw kant zijn natuurlijk van harte welkom. Mijn probleem is wel dat binnenkort de (navorderings)aanslagtermijn dreigt te verstrijken.".

Verweerder verzoekt eisers zeer spoedig om een (opbouwende) reactie, met name ten aanzien van de tijdens het op 15 december 2003 gehouden gesprek toegezegde stukken.

1.28 Bij brief van 20 december 2004, gericht aan [Y], heeft verweerder meegedeeld dat hij wegens het dreigende verstrijken van de navorderingstermijn niet meer op een reactie van eisers kan wachten. Verweerder heeft meegedeeld dat hij hem daarom bijgaand per jaar zowel voor de IB/PVV 1991 tot en met 1996 als de VB 1992 tot en met 1996 de navorderingsaanslagen inclusief heffingsrente doet toekomen. Verweerder heeft in een bijlage de berekening van de correcties en de verschuldigde IB/PVV, VB en heffingsrente weergegeven.

1.29 Met dagtekening 31 december 2004 heeft verweerder aan eisers navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 1991 tot en met 1996, alsmede navorderingsaanslagen VB over de jaren 1992 tot en met 1996.

1.30 Verweerder heeft bij de navorderingsaanslagen de belastbare inkomens voor de IB/PVV als volgt berekend:

tabel 2

De bij de (primaire) aanslagen vastgestelde belastbare inkomens voor de jaren 1994 en 1995 zijn gebaseerd op de gegevens uit de nog voor handen zijnde aangiften van die jaren. Volgens die aangiftegegevens zijn de inkomsten uit de tegoeden bij de KBL niet aangegeven. De bij de (primaire) aanslagen vastgestelde belastbare inkomens voor de jaren 1992 en 1993 zijn gebaseerd op de systeemgegevens van de Belastingdienst voor die jaren. Voor het jaar 1991 had verweerder geen gegevens voorhanden. Het oorspronkelijk vastgesteld belastbaar inkomen voor dat jaar heeft hij daarom geschat. Bij deze schatting is verweerder uitgegaan van het daadwerkelijke vastgestelde belastbaar inkomen voor het jaar 1992. Voor het jaar 1996 had verweerder evenmin gegevens voorhanden. Verweerder heeft het oorspronkelijk vastgesteld belastbaar inkomen voor dat jaar daarom ook geschat. Op basis van de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie is verweerder er daarbij vanuit gegaan dat [X] op 27 augustus 1996 is geëmigreerd naar België. Gelet hierop heeft verweerder het oorspronkelijke belastbaar inkomen over 1996 vastgesteld op 8/12 maal

ƒ 150.000. Ter zitting hebben eisers verklaard dat [X] voor het jaar 1996 aangifte IB/PVV heeft gedaan.

De correcties met betrekking tot de inkomsten uit vermogen zijn afkomstig uit de door eisers verstrekte vermogensoverzichten van de KBL over de jaren 1992 tot en met 1996. Het door verweerder voor het jaar 1991 in aanmerking genomen rentebedrag heeft hij herleid van het rentebedrag voor het jaar 1992 door dit bedrag met 7% te verlagen.

1.31 De belastbare vermogens voor de VB heeft verweerder bij de navorderingsaanslagen als volgt berekend:

tabel 3

De bij de (primaire) aanslagen vastgestelde belastbare vermogens voor de jaren 1995 en 1996 zijn gebaseerd op de aangiftegegevens voor die jaren. Volgens die aangiftegegevens zijn de tegoeden bij de KBL niet aangegeven. De bij de (primaire) aanslagen vastgestelde belastbare vermogens voor de jaren 1993 en 1994 zijn gebaseerd op de systeemgegevens van de Belastingdienst voor die jaren. Ten aanzien van het vastgestelde vermogen per 1 januari 1992 had verweerder geen gegevens voorhanden. Verweerder heeft het vastgestelde vermogen per deze datum daarom geschat op het belastingvrije bedrag.

De correcties met betrekking tot de vermogens zijn gebaseerd op de door eisers verstrekte vermogensoverzichten van de KBL over de jaren 1992 tot en met 1996.

1.32 Eisers hebben bij brief van 7 februari 2005 pro forma bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1996, alsmede de navorderingsaanslagen VB over de jaren 1992 tot en met 1996. Bij brief van 7 mei 2005 hebben eisers hun bezwaar voorzien van een motivering. Hierbij hebben zij verweerder een aantal vragen gesteld, onder meer betreffende de berekening van de belastingbedragen. Verder hebben zij gesteld: "-blijkens de feitelijke toedracht gebaseerd op eigen waarneming en betrokkenheid van de heer [Q] is vader nimmer de uiteindelijk gerechtigde noch de economisch eigenaar geweest van de betreffende gelden en zijn deze gelden ook volledig afgelost en terugbetaald aan de uiteindelijk gerechtigde, dhr. [K].". Verweerder heeft hierop bij brief van 9 augustus 2005 gereageerd.

1.33 Op 28 november 2005 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Hiervan heeft verweerder een verslag opgemaakt. Tijdens dit gesprek hebben partijen afspraken gemaakt. Verweerder heeft eisers in de gelegenheid gesteld een overzicht op te stellen van de nog door verweerder te beantwoorden vragen en toegezegd dat verweerder binnen één maand daarna die vragen zal beantwoorden. Verder zullen onder meer door [Y] de eerder door verweerder gestelde vragen worden beantwoord en stukken die mogelijk nog zijn c.q worden achterhaald, worden toegezonden. Deze vragen betreffen:

"1. Stukken m.b.t betaling ad fl. 800.000 aan fam. [W] en het verslag van bevindingen daaromtrent door de zuster van de heren [Y-Z].

2. Kwijtingsbewijs voldoening schuld aan de heer [K].

3. Toelichting en stukken inzake verkoop Sicaps per 28/12/1998 (rekening KBLux).".

Bij brief van 30 december 2005 hebben eisers een overzicht van de nog bij hen openstaande vragen bij verweerder ingediend. Tevens hebben zij het verslag van het hoorgesprek van 28 november 2005 aangevuld en gecorrigeerd. Voor de gemaakte afspraken verwijzen zij nadrukkelijk naar het door verweerder opgemaakte verslag van het hoorgesprek met de aantekening dat [Z] er nadrukkelijk op heeft gewezen afhankelijk te zijn van de medewerking van derden, zoals banken en de Belgische belastingdienst. Dit zou mogelijk kunnen leiden tot vertraging. Verweerder heeft bij brief van 2 februari 2006 op de door eisers gestelde vragen gereageerd. Eisers hebben hierop bij brief van 3 maart 2006 gereageerd en hebben hierbij een nadere motivering van hun bezwaar gegeven. Verweerder heeft gereageerd bij brief van 22 maart 2006.

1.34 Bij brief van 23 maart 2006 heeft [Y] kopieën van bankafschriften van de KBL gezonden. Het betreffen bankafschriften van kasopnames van ƒ 400.000 op 20 december 1995, ƒ 250.000 op 14 mei 1997 en ƒ 1.010.597,40 op 8 januari 1999. Bij brief van 25 april 2006 heeft [Y] (onder protest) de antwoorden verstrekt op de tijdens het hoorgesprek van 28 november 2005 door verweerder gestelde drie vragen (zie onder punt 1.33). Bij deze brief is een verklaring gevoegd van [F] inzake de betaling van

ƒ 800.000 aan de familie [W]. In zijn laatstgenoemde brief heeft [Y] hierbij vermeld dat eisers de door het overlijden van [X] vrijgekomen levensverzekering van Royal Nederland voor ƒ 800.000 hebben aangewend ter aflossing van de schuld aan de familie [W] eind juli 1999. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een bankafschrift bijgevoegd. [Y] heeft verder meegedeeld dat hij nogmaals de boeken en bescheiden van de nalatenschap van zijn ouders is nagelopen, maar dat hij het kwijtingsbewijs niet is tegengekomen. Wel heeft hij [Q] gevraagd de toedracht van de betaling en het bewijs te beschrijven. Het antwoord van [Q] heeft hij bijgevoegd. [Q] heeft ter zake geantwoord:

"(…)

Na het tellen van het geld door [K] in de auto heb ik vervolgens op een blocnotepapier, dat ik bij me had, in het Engels geschreven dat dhr. [K] verklaarde het totaalbedrag ter volledige kwijting van de familie [X] te hebben ontvangen. [K] ondertekende het papier en schreef zijn naam onder zijn handtekening. Hij overhandigde het papier aan mevr. [X]. Mevr. [X] stopte het getekende papier in haar tas. [K] drukte onze hand, verliet de auto en wij aanvaardden de terugreis.".

[Q] heeft verder desgevraagd ter toelichting op de verkoop van de Sicaps per 28 december 1998 geschreven dat het in de rede ligt dat [X] opdracht heeft gegeven zijn vermogen volledig liquide te maken. Hij was immers beschikkingsbevoegd ter zake van deze rekening. [Q] neemt aan dat [X] voornemens was om na [Q]'s terugkomst van zijn buitenlandse vakantie, samen met [Q], het geld op te halen.

1.35 Verweerder heeft bij brief van 26 november 2007 gereageerd met excuses voor het niet doen van uitspraak op bezwaar, zonder mededeling van de redenen daarvoor aan eisers. Verweerder stelt eisers voor om de uitspraak verder aan te houden totdat in hoogste instantie duidelijkheid is verkregen over de rechtmatigheid van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Bij brief van 1 december 2007 hebben eisers meegedeeld dat zij hiermee akkoord gaan. Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2008 meegedeeld dat hij niet meer zal ingaan op de door eisers gestelde vragen. Bij brief van 1 juli 2009 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inmiddels duidelijkheid heeft verschaft en dat hij de uitspraak niet langer zal aanhouden. Bij brief van 27 augustus 2009 hebben eisers meegedeeld dat zij eerst de uitspraak van de Hoge Raad willen afwachten. Verweerder heeft aan deze wens gehoor gegeven en heeft bij brief van 28 augustus 2010 meegedeeld dat de Hoge Raad inmiddels uitspraak heeft gedaan en dat verweerder binnenkort in de zaken van eisers uitspraak zal doen.

1.36 Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 30 september 2010 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Geschil

2.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Ter zitting hebben partijen verklaard dat het geschil zich uitsluitend toespitst op de volgende vragen:

a. Zijn de onder punt 1.4 bedoelde gegevens op rechtmatige wijze verkregen en heeft verweerder bij zijn bewijsverkrijging en -vergaring in strijd gehandeld met het bepaalde in de artikelen 6, 8 en 10 van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) alsmede het bepaalde in de Overeenkomst van 19 oktober 1970 (tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België)?

b. Was [X] rechthebbende tot de tegoeden op de onder punt 1.3 bedoelde bankrekeningen bij KBL?

c. Heeft verweerder bij gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn het evenredigheidsbeginsel geschonden wegens onvoldoende voortvarend handelen bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

d. Heeft verweerder de navorderingsaanslagen tot de juiste bedragen vastgesteld?

e. Heeft verweerder gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel?

2.2 Daarnaast is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder de heffingsrente tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Dit geschil is beperkt tot het antwoord op de vraag of de heffingsrente moet worden gematigd in verband met het tijdsverloop van de aanslagregeling.

2.3 Verder is in geschil het antwoord op de vraag of eisers recht hebben op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de procedure.

2.4 Voor een uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige gedingstukken.

2.5 Ter zitting is namens eisers meegedeeld dat zij zich gebonden achten aan de met verweerder gemaakte afspraak (zie onder punt 1.20) dat zij zich ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1991 en VB voor het jaar 1992 niet beroepen op het verstrijken van de navorderingstermijn. Zij hebben hun stelling dat deze afspraak een verboden contra legem afspraak kan zijn, hierbij laten varen.

2.6 Ter zitting is namens verweerder meegedeeld dat hij zich kan vinden in het standpunt van eisers dat [X] op 6 juni 1996 daadwerkelijk is geëmigreerd naar [plaats]. Verweerder heeft hierbij geconcludeerd dat het oorspronkelijk belastbaar inkomen voor het jaar 1996 moet worden verminderd tot ƒ 62.500 (5/12 van ƒ 150.000).

2.7 Ter zitting hebben is namens eisers desgevraagd meegedeeld dat eisers vanuit het oogpunt van proceseconomie niet langer verzoeken om integrale overlegging van het Draaiboek, maar dat zij genoegen nemen met de reeds in hun bezit zijnde geclausuleerde versie van dit Draaiboek overeenkomstig de stand van de jurisprudentie.

2.8 Verder is ter zitting namens eisers meegedeeld dat de beschikkingen heffingsrente cijfermatig gezien niet meer in geschil zijn.

Beoordeling van het geschil

Rechtmatigheid van het bewijs

3.1 Ten aanzien van eisers' stelling dat de onder punt 1.4 bedoelde gegevens op onrechtmatige wijze zijn verkregen overweegt de rechtbank als volgt. De onderhavige informatie is op basis van artikel 4 van de EG-Richtlijn van 19 december 1977, 77/779/EEG, rechtsgeldig door de Belgische belastingdienst aan de Nederlandse belastingdienst verstrekt. Onder deze informatie valt naar het oordeel van de rechtbank ook informatie die in een voorafgaande fase onrechtmatig in andere handen is overgegaan. Op grond van het internationale vertrouwensbeginsel mag de Nederlandse belastingdienst er van uitgaan dat in België de daar geldende voorschriften zijn nageleefd, die de verkrijging van de informatie door de Belgische belastingdienst en het doorzenden daarvan naar de Nederlandse belastingdienst regelen. Een schending van die voorschriften is overigens niet aannemelijk gemaakt. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de gegevens als bewijs kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van de verschuldigde belasting. Gebruik van deze informatie is niet strijdig met enig beginsel van internationaal recht, is niet strijdig met artikel 6 EVRM en is niet strijdig met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De gegevens zijn door de Nederlandse belastingdienst niet op een wijze verkregen die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens in deze procedure ontoelaatbaar moet worden geacht (zie ook HR 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA8179 en de afdoening van middel 4 in de arresten van de Hoge Raad van 30 maart 2012 en 6 april 2012, nrs. 11/02222 en 11/02224, LJN: BW0188 en BW0935).

Anders dan eisers hebben gesteld, ziet de rechtbank in de Overeenkomst van 19 oktober 1970 (tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België) geen beperking die spontane gegevensuitwisseling tussen Nederland en België verbiedt.

Strijdigheid met het EVRM

3.2 Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van het gebruik door verweerder van de onder punt 1.4 bedoelde gegevens geen sprake van een ontoelaatbare inbreuk op de privacy als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Het gaat immers om gegevens van een bankrekening die in belastingaangiften behoren te worden vermeld, zodat het gebruik daarvan valt onder de uitzonderingsgronden van het tweede lid van dit artikel. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat verweerder bij zijn verzoek om informatie aan eisers op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR) in strijd heeft gehandeld met artikel 10, tweede lid, van het EVRM, aangezien het in laatstgenoemd artikel gaat om mogelijke beperkingsgronden voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting. Ook overigens vormt de inlichtingenverplichting van artikel 47 van de AWR naar het oordeel van de rechtbank geen inbreuk op de in het EVRM neergelegde rechten. Het zijdens eisers stellen van voorwaarden waaronder zij wensen te voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 47 van de AWR vindt geen steun in het recht. Voor zover eisers hebben betoogd dat er sprake is van strijdigheid met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, omdat de fiscus had behoren te kiezen voor strafrechtelijke afdoening in plaats van bestuursrechtelijke afdoening, overweegt de rechtbank dat, gelet op het overlijden van [X], het opleggen van een sanctie niet mogelijk was. Er is daarom bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen ook geen sprake geweest van het opleggen van bestuursrechtelijke boeten. Eisers' stelling dat verweerder in plaats van bestuursrechtelijke afdoening had behoren te kiezen voor strafrechtelijke vervolging mist dan ook feitelijke grondslag.

Rechthebbende tot de banktegoeden

3.3 Vaststaat dat [X] op 17 mei 1989 twee bankrekeningen heeft geopend bij de KBL en dat deze bankrekeningen in 1999 zijn opgeheven. Tussen partijen is niet in geschil dat deze bankrekeningen in de jaren 1989 tot en met 1999 in ieder geval op naam van [X] en zijn echtgenote stonden. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat [X] in zijn hoedanigheid van (mede)rekeninghouder van de bankrekeningen tevens de rechthebbende was tot de tegoeden van deze bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank rust op eisers de last om dit vermoeden te ontzenuwen. Eisers hebben hiertoe gesteld dat [X] nimmer de uiteindelijk gerechtigde noch de economisch eigenaar van de tegoeden is geweest. Zij hebben daarbij verwezen naar de verklaringen van [Q] (zie onder de punten 1.16 en 1.34). De rechtbank acht deze verklaringen ongeloofwaardig. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat deze verklaringen een uitzonderlijke situatie beschrijven, terwijl deze onvoldoende zijn ondersteund met nadere stukken of ander (aanvullend) bewijs. Zo ontbreekt het vermeende kwijtingsbewijs uit 1999 en zijn er geen stukken waaruit blijkt dat er vanaf 1994/1995 bedragen zijn terugbetaald aan [K]. De rechtbank acht het opmerkelijk dat - naar eisers ter zitting hebben verklaard - er in de jaarstukken van [X]s onderneming niets is geboekt ten aanzien van het in de verklaringen bedoelde busproject. Vanuit de visie dat dit project louter in privé is aangegaan en de via [K] verkregen gelden moesten worden terugbetaald, acht de rechtbank het verder merkwaardig dat [X], zoals vaststaat ten aanzien van de aangiften IB/PVV voor de jaren 1994 en 1995, de tegoeden bij de KBL niet heeft aangegeven met daartegenover een daarmee corresponderende schuld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om het vermoeden dat [X] rechthebbende was tot de banktegoeden bij de KBL te ontzenuwen.

3.4 Ten aanzien van de stelling dat eisers in bewijsnood verkeren, overweegt de rechtbank dat dit het gevolg is van het handelen van [X] (en zijn echtgenote). De gestelde bewijsnood komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening van eisers. Hierbij verwerpt de rechtbank de stelling van eisers dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn kennisvergaringsplicht in de zin van artikel 3:2 van de Awb. De door verweerder vergaarde gegevens die hebben geleid tot de identificatie van [X] als rekeninghouder rechtvaardigden naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate het vermoeden dat [X] rechthebbende was tot de banktegoeden bij KBL. Op verweerder rust niet de plicht om dit vermoeden te ontzenuwen; dit ligt juist op de weg van eisers. Zoals volgt uit hetgeen hierna onder punt 3.5 zal worden overwogen, heeft verweerder eisers hiertoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld. Anders dan eisers kennelijk menen, getuigt dit er naar het oordeel van de rechtbank juist van dat verweerder heeft gehandeld overeenkomstig het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.

Toepassing verlengde navorderingstermijn

3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat de navorderingsaanslagen zijn opgelegd met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR (verlengde navorderingstermijn). Eisers hebben gesteld dat verweerder hierbij het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden, omdat hij de navorderingsaanslagen niet met een redelijke voortvarendheid heeft opgelegd. Ter beoordeling van deze opgeworpen rechtsvraag verwijst de rechtbank naar de door de Hoge geformuleerde regels in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43050bis en 43670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen van 11 juni 2009, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222.

3.6 Tussen het moment dat de afdrukken van de microfiches via de Belgische overheid bij de FIOD/ECD binnenkwamen en het moment dat voor het eerst contact met eisers werd opgenomen door hen op 24 april 2002 een vragenbrief te sturen, is ongeveer anderhalf jaar verstreken. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde gesteld dat de massale aanlevering van de gegevens vanuit België een projectmatige verwerking vergde ter verkrijging van concrete gegevens met betrekking tot individuele belastingplichtigen. Volgens verweerder is er tijd nodig geweest om het project vorm te geven en vervolgens om [X] als rekeninghouder te identificeren. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de periode tussen de ontvangst van de afdrukken van de microfiches en het aanschrijven van eisers aldus niet onredelijk lang is. Hierbij heeft de rechtbank mede gelet op hetgeen in het Draaiboek ten aanzien van de organisatorische aspecten en het identificatieproces staat beschreven (zie punt 1.5). Nadat verweerder eisers voor het eerst op 24 april 2002 had aangeschreven, is er tussen eisers en verweerder regelmatig contact geweest (zie de punten 1.8 tot en met 1.14). Eisers hebben steeds volgehouden dat zij geen weet hadden van de bankrekeningen bij de KBL. Op 16 juli 2003 hebben eisers ten aanzien van deze bankrekeningen de onder de punten 1.15 tot en met 1.17 bedoelde informatie verstrekt aan verweerder. Onder deze informatie bevond zich onder meer een reeds op 10 december 2002 gedateerde schriftelijke bevestiging van de KBL dat de rekening met het nummer [nummer] op 17 mei 1989 is geopend. Naar aanleiding van de door eisers verstrekte informatie heeft verweerder eisers bij brief van 14 november 2003 uitgenodigd voor een gesprek. In de periode tussen de ontvangst van de informatie en deze uitnodiging (16 juli 2003 tot 14 november 2003) heeft verweerder de tijd genomen om zich te beraden op de te nemen stappen (zie punt 1.18). Gezien de aard van de door eisers verstrekte informatie, acht de rechtbank deze tijd niet onredelijk lang. Vervolgens heeft op 15 december 2003 een gesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigden van partijen. Tijdens dit gesprek zijn eisers - naar volgt uit zowel het gespreksverslag van verweerder als dat van eisers - in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te vergaren. Bij brief van 25 februari 2004 hebben eisers meegedeeld dat met het vergaren van deze informatie de nodige tijd is gemoeid en dat zij hieraan blijven werken (zie punt 1.21). In het licht van deze mededeling acht de rechtbank de verstreken tijd tussen deze brief en de brief van verweerder van 1 juni 2004 (zie punt 1.22) geenszins te lang. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit de daarna van eisers ontvangen brieven volgt dat zij voornemens zijn om, voor zover dat in hun macht ligt, nadere gegevens aan verweerder te verstrekken en dat eisers zelfs nog in de bezwaarfase hebben meegedeeld dat zij tijd nodig hebben voor het verkrijgen van nadere informatie (zie de onder punt 1.33 vermelde brief van eisers van 30 december 2005). Hierin ziet de rechtbank eveneens mede een rechtvaardiging voor de verstreken tijd tussen de brief van eisers van 7 juli 2004, waarin zij verweerder heeft gevraagd tot het beantwoorden van alle gestelde vragen, en verweerders bij brief van 12 november 2004 gegeven reactie daarop. Deze rechtvaardiging ziet de rechtbank, gelet op hetgeen verweerder hierover heeft geschreven in bedoelde brief, ook in verweerders zoektocht naar de oude aangiften IB/PVV en VB. Uiteindelijk heeft verweerder, nadat hij eisers bij zijn brief van 7 december 2004 nog één maal in de gelegenheid heeft gesteld om te komen met nadere informatie, met dagtekening 31 december 2004 de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd.

3.7 De rechtbank overweegt dat aan eisers kan worden toegegeven dat verweerder, nu hij op 31 december 2004 niet over andere informatie beschikte dan op 16 juli 2003, deze aanslagen reeds op of kort na 16 juli 2003 had kunnen opleggen. Echter, bedacht moet worden dat artikel 3:2 van de Awb verweerder noopte tot een zorgvuldige voorbereiding van zijn besluit tot het opleggen van de navorderingsaanslagen. Zoals volgt uit hetgeen onder punt 3.4 is overwogen, heeft verweerder eisers dan ook terecht ruimschoots de gelegenheid gegeven om verweerders vermoeden dat [X] rechthebbende was tot de banktegoeden bij KBL te ontzenuwen. Hierbij moet in acht worden genomen dat eisers steeds, tenminste de suggestie hebben gewekt dat zij zich bezig hielden met het verzamelen van nadere informatie, waarmee de nodige tijd zou zijn gemoeid.

3.8 Uit hetgeen onder punt 3.6 en 3.7 is overwogen, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat grond ontbreekt voor de conclusie dat verweerder bij de toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR het communautaire evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.

Hoogte navorderingsaanslagen

3.9 Eisers hebben de juistheid van diverse navorderingsaanslagen betwist door te stellen dat verweerder, voor de jaren waarin de aangiften niet meer voor handen zijn, niet heeft aangetoond dat de tegoeden bij KBL en de inkomsten daaruit niet zijn aangegeven, danwel dat verweerder voor een aantal jaren de oorspronkelijke belastbare inkomens en vermogens niet juist heeft geschat. De rechtbank zal in de hiernavolgende overwegingen 3.10 tot en met 3.17 de juistheid van de opgelegde navorderingsaanslagen beoordelen.

Vooraf

3.10 Verweerder heeft bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1992 tot en met 1996 en IB/PVV voor de jaren 1992 tot en met 1996 correcties in aanmerking genomen met betrekking tot de vermogenstegoeden bij KBL en de inkomsten daaruit. Deze correcties zijn gebaseerd op de door eisers verstrekte vermogensoverzichten van de KBL. Eisers hebben de hoogte van deze correcties niet bestreden, terwijl de rechtbank geen aanleiding heeft om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

3.11 Verweerder heeft de bij de navorderingsaanslagen vastgestelde belastbare vermogens c.q. inkomens bepaald op de onder de punten 1.30 en 1.31 vermelde wijze. Eisers hebben de bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1993 tot en met 1996 en IB/PVV voor de jaren 1992 tot en met 1995 door verweerder gehanteerde oorspronkelijk belastbare vermogens c.q. inkomens niet betwist, terwijl voor de rechtbank geen aanleiding bestaat om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

VB 1995 en 1996 en IB/PVV 1994 en 1995

3.12 Vaststaat dat [X] de tegoeden bij de KBL en de inkomsten daaruit volgens de aangiftegegevens voor de VB voor de jaren 1995 en 1996 en de IB/PVV voor de jaren 1994 en 1995 niet heeft aangegeven. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat deze tegoeden en de inkomsten daaruit niet zijn betrokken in de desbetreffende (primaire) aanslagen. Aldus heeft verweerder de tegoeden bij de KBL en de inkomsten daaruit terecht bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1995 en 1996 en de IB/PVV voor de jaren 1994 en 1995 in aanmerking genomen. Gelet op hetgeen hiervoor onder de punten 3.10 en 3.11 is overwogen, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verweerder de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1995 en 1996 en de IB/PVV voor de jaren 1994 en 1995 niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

VB 1992 tot en met 1994 en IB/PVV 1991 tot en met 1993 en 1996

3.13 Ten aanzien van de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1992 tot en met 1994 en IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1993 en 1996 hebben eisers gesteld dat verweerder niet heeft bewezen dat [X] de tegoeden bij de KBL en de inkomsten daaruit niet in de desbetreffende aangiften heeft aangegeven. Verweerder heeft de tegoeden bij de KBL en de inkomsten daaruit volgens eisers daarom ten onrechte bij de zojuist bedoelde navorderingsaanslagen in aanmerking genomen. De rechtbank verwerpt deze stelling van eisers. Gelet op het standpunt van eisers dat [X] nimmer de uiteindelijk gerechtigde noch de economisch eigenaar van de tegoeden is geweest, alsmede gezien de omstandigheid dat [X] ten aanzien van de tegoeden bij de KBL niets in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 1995 en 1996 en VB voor de jaren 1995 en 1996 heeft vermeld, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat [X] ook in de aangiften voor de andere in geschil zijnde jaren ten aanzien van de tegoeden bij de KBL niets heeft aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan eisers om dit vermoeden te ontzenuwen. Zij zijn daarin naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Aldus gaat de rechtbank er vanuit dat ten aanzien van de tegoeden bij de KBL niets in de desbetreffende aangiften is verantwoord en dat de tegoeden en de inkomsten daaruit evenmin in de desbetreffende aanslagen zijn betrokken. Verweerder heeft de tegoeden en de inkomsten daaruit dan ook terecht bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1992 tot en met 1994 en IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1993 en 1996 in aanmerking genomen.

3.14 Gelet op hetgeen hiervoor onder de punten 3.10, 3.11 en 3.13 is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1993 en 1994 en de IB/PVV voor de jaren 1992 en 1993 niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.15 Zoals vermeld onder punt 1.30, heeft verweerder het oorspronkelijk vastgestelde belastbaar inkomen voor het jaar 1991 geschat op basis van het daadwerkelijk vastgestelde belastbaar inkomen voor het jaar 1992. Het door verweerder voor het jaar 1991 in aanmerking genomen rentebedrag heeft verweerder herleid van het rentebedrag voor het jaar 1992 door dit bedrag met 7% te verlagen. De rechtbank acht de door verweerder toegepaste schattingen niet onredelijk. Eisers hebben onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de redelijkheid van deze schattingen. Gelet hierop en gezien hetgeen hiervoor onder punt 3.13 is overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1991 niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.16 Het oorspronkelijk vastgesteld vermogen per 1 januari 1992 heeft verweerder, zoals vermeld onder punt 1.31, geschat op het belastingvrije bedrag. De rechtbank acht deze schatting niet onredelijk. Gelet hierop en gezien hetgeen hiervoor onder de punten 3.10 en 3.13 is overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat verweerder de navorderingsaanslag VB voor het jaar 1992 niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

3.17 Verweerder heeft het oorspronkelijk belastbare inkomen van [X] over de periode van 1 januari 1996 tot de emigratiedatum 6 juni 1996 nader (zie punt 2.6) geschat op een bedrag van ƒ 62.500 (5/12 van ƒ 150.000). Deze schatting acht de rechtbank niet onredelijk. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eisers ter zitting hebben verklaard dat [X] voor het (emigratie)jaar 1996 wel aangifte IB/PVV heeft gedaan en eisers niet hebben gesteld dat sprake was van een belastbaar inkomen van nihil. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het door verweerder geschatte belastbare inkomen voor het gehele jaar 1996 lager is dan het jaar ervoor en bovendien het laagste belastbare inkomen betreft in de reeks van de jaren 1992 tot en met 1995. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de redelijkheid van het door verweerder geschatte belastbare inkomen. Uitgaande van een oorspronkelijk belastbaar inkomen van ƒ 62.500, is de rechtbank, gelet op hetgeen onder punt 3.10 en 3.13 is overwogen, van oordeel dat het belastbaar inkomen voor het jaar 1996 moet worden verminderd tot een bedrag van ƒ 79.746 (ƒ 62.500 vermeerderd met ƒ 17.246), ofwel € 36.187. De rechtbank acht aannemelijk dat navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1996 op deze wijze niet te hoog wordt vastgesteld. Gelet op het door verweerder eerst ter zitting nader ingenomen standpunt met betrekking tot de aanslag IB/PVV 1996, betekent dit dat het op deze aanslag betrekking hebbende beroep gegrond moet worden verklaard.

3.18 De rechtbank overweegt ten aanzien van de in geschil zijnde aanslagen nog dat verweerder reeds op grond van de normale bewijslastverdelingsregels voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vermogens en de inkomsten daaruit, overeenkomstig de door eisers zelf overgelegde bankafschriften, terecht in de belastingheffing zijn betrokken. Op grond van het overwogene onder 3.12 tot en met 3.17 acht de rechtbank tevens aannemelijk dat de aanslagen niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtbank oordeelt dan ook dat in het midden kan blijven of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 25, zesde lid en artikel 27e van de AWR.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

3.19 De rechtbank gaat voorbij aan het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel, reeds nu eisers - op wie de stelplicht rust - onvoldoende duidelijk naar voren hebben gebracht op welke verschijningsvorm van het gelijkheidsbeginsel zij zich beroepen.

3.20 De rechtbank verwerpt eveneens eisers' beroep op het rechtszekerheidsbeginsel. Ten aanzien van hetgeen eisers ter onderbouwing van hun beroep op het rechtszekerheidsbeginsel hebben aangevoerd in hun brief van 3 maart 2006 (bijlage 28 bij het beroepschrift), verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor onder de punten 3.5 tot en met 3.8 heeft overwogen. Hieruit volgt dat verweerder eisers niet onredelijke lang in onzekerheid heeft gelaten over hun fiscale positie.

3.21 Ten aanzien van hetgeen eisers ter onderbouwing van hun beroep op het evenredigheidsbeginsel hebben aangevoerd in hun brief van 3 maart 2006 alsmede ten aanzien van het beroep van eisers op het zorgvuldigheidsbeginsel, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder 3.2. Gelet hierop falen deze beroepen van eisers.

3.22 Het beroep van eisers op het motiveringsbeginsel met als onderbouwing dat verweerder de integrale versie van het Draaiboek niet heeft overgelegd (zie de brief van eisers van 3 maart 2006), kan hun ook niet baten, aangezien zij ter zitting hebben meegedeeld dat zij genoegen nemen met de geclausuleerde versie van het Draaiboek (zie punt 2.7).

Heffingsrente

3.23 Het overwogene onder 3.17 brengt mee dat de beschikking heffingsrente, behorend bij de aanslag IB/PVV 1996 dienovereenkomstig moet worden verlaagd.

3.24 Voor het overige is het geschil met betrekking tot de heffingsrente beperkt tot het hetgeen is vermeld onder 2.2. Zoals volgt uit hetgeen onder de punten 3.5 tot en met 3.8 is overwogen heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en heeft hij de navorderingsaanslagen met een redelijke voortvarendheid opgelegd. Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele grond om de heffingsrente te matigen in verband met het tijdsverloop van de aanslagregeling.

Immateriële schadevergoeding

3.25 Zoals de rechtbank partijen ter zitting heeft meegedeeld, zal de rechtbank het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Awb heropenen ter voorbereiding van een nadere uitspraak over eisers' verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal alsdan de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

Proceskosten

3.26 Nu het beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV 1996 en de daarop gebaseerde beschikking heffingsrente gegrond zal worden verklaard (zie 3.17 en 3.23) komt de rechtbank met betrekking tot deze procedure (AWB LEE 10/2337) toe aan een oordeel met betrekking tot de door eisers gevraagde proceskostenvergoeding. Eisers vragen voor de bezwaarfase een vergoeding voor de door [gemachtigde] van [kantoor] verleende rechtsbijstand. Eisers verwijzen hiertoe naar de brief van 16 juli 2003 (zie 1.15) die volgens eisers een cruciale rol heeft gespeeld in de latere bezwaarfase en waarin zou zijn verzocht om een proceskostenvergoeding. Anders dan eisers leest de rechtbank in genoemde brief van [gemachtigde] uitsluitend een verzoek om toekenning van een kostenvergoeding voor de jaren IB/PVV 1990 en VB 1991. Van het vragen van een vergoeding bij voorbaat voor een nog in te dienen bezwaar tegen nog op te leggen aanslag IB/PVV - wat er ook zij van de mogelijkheid daartoe en nog daargelaten het feit dat [gemachtigde] hierbij helemaal geen (actieve) rol meer vervulde - is naar het oordeel van de rechtbank reeds gelet op de tekst van de brief genoemd onder 1.15 geen sprake. Nu niet om een kostenvergoeding is verzocht voordat verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan, bestaat er reeds om die reden ingevolge artikel 7:15, tweede en derde lid, Awb geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

3.27 Voorts vragen eisers om een kostenvergoeding voor de door [Z] verleende rechtsbijstand. [Z] heeft hieromtrent ter zitting gesteld dat hij beroepsmatig rechtsbijstand pleegt te verlenen. De rechtbank overweegt dat het feit [Z] ter vervulling van zijn dienstbetrekking bij de Belastingdienst wel optreedt als gemachtigde in gerechtelijke procedures, nog niet meebrengt dat de beroepsmatige taak van [Z] bestaat uit het tegen vergoeding verlenen van rechtsbijstand aan derden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een door een derde verleende rechtsbijstand, nu [Z] één van de eisers is. Bovendien komen uitsluitend kosten welke op eisers drukken voor vergoeding in aanmerking en dat is niet aannemelijk geworden. De ter zitting gegeven toelichting van [Z] dat hij overweegt de (overige) erven een nota te sturen is niet voldoende om aan te nemen dat op eisers een verplichting rust of zal komen te rusten om kosten van de verleende rechtsbijstand te voldoen. Voor een proceskostenvergoeding voor beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

De rechtbank vindt wel aanleiding tot een vergoeding van de door [Y] en [Z] gevraagde reiskosten (2 * € 21) en verletkosten ten bedrage van € 314,80. Verweerder heeft (de hoogte van) deze kosten niet betwist.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep (AWB LEE 10/2337) met betrekking tot de IB/PVV 1996 en de daarbij vastgestelde beschikking heffingsrente gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 1996;

- vermindert de belastingaanslag IB/PVV 1996 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 79.746 (€ 36.187);

- verstaat dat verweerder de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig vermindert;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 356,80;

- gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 41 vergoedt;

- verklaart de overige beroepen (AWB LEE 10/2332 tot en met 10/2336 en AWB LEE 10/2338 tot en met 10/2342) ongegrond;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over schadevergoeding.

Aldus gegeven door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. M. van den Bosch en mr. T. Tanghe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

w.g. M. Hiemstra

w.g. A.F. Germs-de Goede

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden-Arnhem (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.