Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ5977

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
97335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Werknemer, directeur van N.V. Rendo, vordert in kort geding dat zijn ontslag op staande voet ongedaan wordt gemaakt, en dat N.V. Rendo hem rehabiliteert. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Vast staat dat de directeur de raad van commissarissen niet heeft verteld dat hij aandelen had in een energiebedrijf waaraan RENDO miljoenen aan achtergestelde leningen heeft verstrekt, en dat hij die aandelen in 2009 met € 2,25 miljoen winst door dat bedrijf heeft laten inkopen. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de directeur daarmee zijn verplichtingen tegenover RENDO ernstig heeft verzaakt, en dat N.V. Rendo toen zij van een en ander op de hoogte raakte, een voldoende dringende reden had om hem op staande voet te ontslaan. Dat de directeur – zoals hij stelt – te goeder trouw en in het belang van N.V. Rendo heeft gehandeld, en zich geheel op zijn voormalige leidinggevende, de algemeen directeur van RENDO, heeft en mocht verlaten, is onvoldoende aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0280

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/97335 / KG ZA 13-20

Vonnis in kort geding van 2 april 2013

in de zaak van

(WERKNEMER),

wonende te (…),

eiser,

advocaten: mr. A.G.J.J. Jansen en mr. N.W.L. Nijkamp, beide kantoorhoudende te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. RENDO,

gevestigd te Meppel,

gedaagde,

advocaten: mr. J.A. Gimbrère en mr. M. Kremer, beide kantoorhoudende te Groningen.

Partijen zullen hierna (werknemer) en N.V. Rendo genoemd worden.

1. De procedure

Bij dagvaarding van 6 maart 2013 met producties heeft (werknemer) - verkort en zakelijk weergegeven - gevorderd dat de voorzieningenrechter N.V. Rendo bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot:

I. onmiddellijke opheffing van de non-actiefstelling van (werknemer) en ongedaanmaking van het hem verleende ontslag;

II weder te werkstelling van (werknemer) binnen 24 uur na betekening van dit vonnis;

III. doorbetaling van het brutoloon ad € 9.530,00 bruto per maand plus vakantiegeld en emolumenten vanaf december 2012 tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, de wettelijke verhogingen daarover en de wettelijke rente;

IV. betaling van de RAB-uitkering, begroot op een bedrag van € 3.254,00 bruto, de wettelijke verhogingen daarover en de wettelijke rente;

V. verstrekking van deugdelijke salarisspecificaties binnen twee dagen na betekening van het vonnis;

VI. deblokkering van (werknemer)s tankpas tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt en tot vergoeding van de kosten die (werknemer) heeft gemaakt in de periode dat de pas was geblokkeerd;

VII. schriftelijke bevestiging van de rehabilitatie van (werknemer) binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, inhoudende dat N.V. Rendo (werknemer) ten onrechte heeft geschorst en ontslagen, welke bevestiging vooraf in concept aan (werknemer) ter beoordeling moet worden gezonden en eerst na zijn schriftelijke instemming aan collega’s en derden ter kennis mag worden gebracht;

VIII. overdracht aan (werknemer) van alle in haar bezit zijnde notulen van de aandeelhoudersvergaderingen en RvC-vergaderingen van 2007 tot en met december 2012, alsmede de accountantsbrieven en -verslagen over de hiervoor genoemde periode;

IX. betaling van de kosten van deze procedure, en

X. betaling van de nakosten.

Aan de vorderingen II, V, VI, VII en VIII heeft (werknemer) een dwangsom verbonden van

€ 1.000,00 per dag ingeval N.V. Rendo niet (op tijd) aan de veroordeling voldoet.

Van beide partijen zijn nadere producties ter griffie binnengekomen.

De zaak is op 18 maart 2013 gelijktijdig behandeld met het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat door N.V. Rendo is ingediend (zaaknummer: 364522\EJ VERZ 13-5015).

Nadat de zaak ter terechtzitting werd behandeld, van welke behandeling aantekeningen werden gemaakt, werd vonnis op heden bepaald.

De inhoud van alle stukken geldt als hier heRendoaald.

2. De vaststaande feiten

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.1. (Werknemer) is op 12 maart 2001 in dienst getreden bij N.V. Rendo als bedrijfseconomisch beleidsadviseur van de afdeling financiële en economische administratie. (Werknemer) heeft een accountancy opleiding genoten aan de HEAO.

Vanaf 1 januari 2003 is (werknemer) werkzaam geweest als (titulair) directeur Rendo Netwerken, laatstelijk tegen een bruto maandsalaris van € 9.220,00 exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.

2.2. N.V. Rendo is onderdeel van de Rendogroep (hierna: RENDO). RENDO exploiteert - kort samengevat - infrastructuur waarlangs gas en electriciteit aan eindgebruikers wordt geleverd. De economische activiteiten vinden plaats in N.V. Rendo Holding (Rendo Holding) en een aantal (klein)dochtervennootschappen, waaronder N.V. Rendo. De bestuurder van Rendo Holding is ook (middellijk) bestuurder van N.V. Rendo.

RENDO is een (semi) oveheidsonderneming. De aandelen in Rendo Holding worden gehouden door negen gemeenten in Noord-Overijssel en Zuid-Drenthe. De raad van commissarissen (RvC) van Rendo Holding wordt gevormd door leden vanuit B&W van die gemeenten. Tot februari 2010 was de heer H.H. Apotheker (Apotheker), destijds burgemeester van Steenwijk, voorzitter van de RvC. Momenteel is dat mr. Joh.C. Westmaas (Westmaas), burgemeester van Meppel.

2.3. Tot 29 juni 2012 was (ex-bestuurder RENDO) de (enig) bestuurder van Rendo Holding. Daarnaast fungeerden (werknemer) en - tot zijn uittreden in april 2011 - de heer (collega-directeur A.), directeur Rendo Duurzaam, als titulair directeur. (ex-bestuurder RENDO), die de portefeuilles financiën en algemene zaken beheerde, was (werknemer)s direct leidinggevende.

2.4. De directie van Rendo ((ex-bestuurder RENDO), (collega-directeur A.) en (werknemer)) heeft in 2007 het voorstel gedaan aan de RvC om deel te nemen in het project “van afval naar grondstof”. In een notitie die is ingebracht in de vergadering van 22 juni 2007, staat hierover onder andere het volgende vermeld:

“ Om deze nieuwe activiteit te realiseren is circa 4 à 5 miljoen risicodragend kapitaal van Rendo nodig. Firma’s van naam, zoals de firma Aarding en hun dochteronderneming Stramproy, hebben deze technologie ontwikkeld.”

In de notulen van de RvC-vergadering van 13 september 2007 is onder punt 7 opgenomen dat de RvC met dit voorstel instemt. Onder punt 8 wordt de deelname in het project “stroomproductie” besproken. Dit project ziet op de opwekking van (nood-)stroom in Steenwijk door daar een kleinere elektriciteitcentrale in het net te plaatsen. In haar bijgevoegde notitie licht de directie toe dat zij na intensieve gesprekken met juristen over de strekking van de Wet Onafhankelijk Netbeheer tot de conclusie is gekomen dat het voor Rendo niet wenselijk is om aandeelhouder te zijn van een dergelijk project. In de notulen staat hierover het volgende:

“RENDO gaat deelnemen in de opwekking van (nood-)stroom in Steenwijk.

Het belang voor RENDO netbeheerder van het doorgaan van het project is duidelijk. RENDO wenst dit evenwel te doen binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer. Met het voorstel van de directie om het project verder vorm te geven, door de activa van dit project door een derde partij te laten exploiteren, wordt dan ook door alle commissarissen ingestemd.

De exploitant gaat dan voor eigen risico voor de exploitatie zorgdragen.”

In de notulen van de Algemene vergadering van aandeelhouders van Rendo Holding van 20 december 2007 is onder andere het volgende over de noodstroomvoorziening in Steenwijk opgenomen:

"De exploitatie van het project (productie) geschiedt bewust door een derde partij. Indien RENDO zelf de productie ter hand zou nemen zou dit implicaties hebben inzake haar positie van de Wet Onafhankelijk Netbeheerder. Dat wenst RENDO niet. …

De heer Apotheker meldt dat dit project uitgebreid in de Raad van Commissarissen is bediscussieerd en daar een groen licht heeft gekregen. Daar was de conclusie dat het project uitstekend past bij RENDO gezien de combinatie van noodstroomvoorziening en het voldoen aan de duurzaamheidverplichting."

In de notulen van de Algemene vergadering van Rendo Holding van 19 juni 2008 is bij punt 5 het volgende genoteerd:

“Ook is er extra financiering nodig voor meerdere projecten waarmee RENDO annex is. RENDO zal in het kader van duurzaamheid en innovatie zich meer gaan richten op het ondersteunen bij de totstandkoming van duurzame energieprojecten in haar netgebied. Te noemen zijn de projecten

te: Steenwijk, Noodstroom elektriciteit opwek en productie biobrandstoffen, … “

(Werknemer) heeft steeds aan de vergaderingen met de RvC en de aandeelhouders deelgenomen.

2.5. De projecten in Steenwijk zijn uitgevoerd door de besloten vennootschap Stamproy Green Investments B.V. (SGI) en haar dochtervennootschappen Stamproy Green Coal B.V. (SGC) en Stamproy Green Electricity BV (SGE). SGI is op 20 december 2007 opgericht. Eén van de vier oprichters was de heer S., die bij die gelegenheid (ex-bestuurder RENDO’s) persoonlijke vennootschap Woldomus B.V. vertegenwoordigde. Eén van de andere oprichters was de echtgenote van (collega-directeur A.). Zij hielden samen een meerderheidsbelang in SGI. De (ex)echtgenote van (werknemer), die oorspronkelijk ook een van de oprichters zou zijn, kreeg een calloptie op aandelen in SGI die door Woldomus B.V. werden gehouden. Voor de opzet met derden is gekozen zodat de deelname van de directie van RENDO niet uit het handelsregister van de kamer van koophandel zou blijken.

2.6. In de statuten van N.V. Rendo is sinds 4 augustus 2008 het volgend bepaald over deelname van bestuursleden in andere energiebedrijven:

“Artikel 9

De vennootschap wordt bestuurd door een bestuurder, hierna ook te noemen: directie. (…) De leden van het bestuur mogen direct nog indirect binding hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van (een producent), een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het leveren van (een leverancier), of een rechtspersoon die de productie, aankoop of levering van (een handelaar) electriciteit en gas verricht als bedoeld in de Electriciteitswet 1998 en de Gaswet."

(Collega-directeur A.), die niet gelukkig was met de gekozen vorm, heeft zijn aandelen in SGI medio 2008 aan Woldomus B.V. overgedragen.

2.7. Op 1 oktober 2008 en 29 oktober 2009 heeft (werknemer) overboekingen van respectievelijk € 7,5 en € 2 miljoen aan de dochters van SGI gefiatteerd, ter uitvoering van (zo blijkt uit de bijbehorende stukken) door RENDO verstrekte achtergestelde geldleningen. Op 2 december 2009, heeft RENDO nog een bedrag van € 1,5 miljoen overgemaakt. In het jaarverslag van Rendo Holding over 2009, is vermeld dat RENDO per ultimo 2009 € 15,8 miljoen aan achtergestelde leningen heeft verstrekt. Dit ziet op SGI en haar dochters.

2.8. Eind 2009 heeft (werknemer) samen met zijn broer Marella B.V. opgericht. Marella B.V. heeft de rechten uit de calloptie uitgeoefend, van Woldomus B.V. voor € 6.000 aandelen in SGI gekocht en deze binnen een maand door SGI laten inkopen voor € 2,7 miljoen. Ook (ex-bestuurder RENDO) heeft zijn aandelen laten inkopen, en wel voor € 5,4 miljoen.

SGI diende het inkoopbedrag in termijnen aan (werknemer) en (ex-bestuurder RENDO) te voldoen. In het Aandeelhoudersbesluit SGI van 22 december 2009, waarin machtiging voor de inkoop is verleend, is opgenomen dat de aandelen worden geleverd nadat de hele koopsom is betaald.

De inkoopprijs van de aandelen is aldus (werknemer) gebaseerd op een waarderingsrapport van Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (MBCF). In het - slechts gedeeltelijk overgelegde - rapport van 21 oktober 2009 staat dat dit een indicatieve waardering betreft van EPC International B.V. (EPC), een bedrijf dat voor een periode van 10 jaar de exclusieve productierechten van torrefactie-installaties bezit. De aandelen in EPC waren in handen van de twee andere aandeelhouders in SGI, de heren G. en T.. Volgens het rapport van MBCF wensten zij die aandelen na de uitkoop van (werknemer) en (ex-bestuurder RENDO) tegen uitgifte van aandelen in SGI in te brengen, en is de waardering ten behoeve van die inbreng uitgevoerd. MBCF geeft aan dat zij dat zij geen accountantscontrole heeft toegepast op de beschikbaar gestelde informatie en het gehanteerde cijfermateriaal, en dat zij is uitgegaan van drie scenario’s die de directie van EPC had ontwikkeld.

2.9. (Werknemer) heeft voor zijn aandelen in SGI in totaal € 2,25 miljoen ontvangen: eind 2009 en medio 2010 in totaal € 1 miljoen rechtstreeks van SGI, en later € 1,25 miljoen van de in 2011 tot SGI toegetreden aandeelhouder HDN B.V. In een akte levering van aandelen die op 22 september 2011 door IJsseloevers Notarissen is verleden, is vastgelegd dat (werknemer) en (ex-bestuurder RENDO) hun aandelen in en hun restvordering op SGI overdragen aan HDN B.V., tegen betaling van een koopsom. Die koopsom was voor (werknemer) € 450.000,00 lager dan het inkoopbedrag dat SGI hem op dat moment nog schuldig was.

2.10. (Ex-bestuurder RENDO) is op 8 mei 2012 door de FIOD aangehouden en in voorarrest geplaatst wegens verdenking van betrokkenheid bij omkoping in het kader van de verkoop van activiteiten door RENDO aan Electrabel in 2006. Rendo Holding heeft hem op 29 juni 2012 met onmiddellijk ingang ontslagen.

2.11. De RvC heeft (werknemer) gevraagd om tijdelijk als bestuurder van Rendo Holding op te treden. In de brief van mr. Gimbrère van 6 juli 2012 staat onder andere het volgende vermeld:

“…..Voor alle volledigheid vermeld ik nog dat met een ontslag als tijdelijk bestuurder niet uw arbeidsovereenkomst eindigt (…) Als tijdelijke bestuurder heeft u wel de verantwoordelijkheden voor uw eigen optreden, zoals de wet die formuleert.”

(Werknemer) heeft die functie aanvaard.

2.12. RENDO heeft vanaf 2007 in totaal circa 30 miljoen in SGI geïnvesteerd: ongeveer € 20 miljoen aan achtergestelde leningen en € 10 miljoen aan koopsommen voor roerende en onroerende zaken.

Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders en commissarissen van Rendo Holding op 20 september 2012 is in aanwezigheid van (werknemer) gesproken over SGI, de zorgen daarover en de acute liquiditeitsproblemen. Er is gevraagd wat er bekend was over het project en of de aandeelhouders daar niet meer over hadden moeten weten. In de notulen staat hierover onder andere het volgende vermeld:

"Er heerst grote twijfel en vragen over SGI en het product en wat is de rol van de statutair directeur hierin geweest. Waren er verschillende belangen? (…) Er wordt duidelijk gemaakt dat RENDO geen aandeelhouder is. (…) De 2 oprichters zijn aandeelhouders en 60% ligt bij TEM Capital. (…) Aan de accountant van RENDO is gevraagd om onderzoek te doen naar de betrokkenheid van de voormalig statutair directeur bij het SGI Project.”

(Werknemer) heeft niet meegedeeld dat (ex-bestuurder RENDO) en hijzelf aandelen in SGI hebben gehad, en dat zij deze in 2009 voor € 8,1 miljoen door SGI hebben laten inkopen.

2.13. RENDO heeft een externe adviseur onderzoek laten doen naar SGI. In het rapport van 15 november 2012 staat onder meer het volgende:

“Ontwikkelingen 2008-2010

In de periode 2008-20120 heeft SGI het pand in Steenwijk gebouwd, …De bouw kende veel complicaties t.a.v. vergunningen (milieu en bouw) en vond met name in de opstartfase veel problemen met omwonenden. Mede hierdoor heeft de bouw en opstart een enorme vertraging opgelopen…. Ook de innovativiteit van het torrefactieproces heeft hier een belangrijke rol gespeeld. De ontwikkeling van de techniek bleek complex en tijdrovend te zijn. … De vooruitzichten waren goed, maar mede door de vertraging in de opstart , is SGI in deze periode (zwaar) verliesgevend geweest. Door RENDO zijn aanvullende leningen verstrekt om aanloopverliezen te dekken. (…)

Managementsamenvatting kernteam

Vanwege het huidige negatieve vermogen van SGE en SGC en negatieve cashflow zijn wij van mening dat de situatie nijpend is. Door middel van gesprekken met TEM en de oprichters, kennisname van de conceptcijfers en waarneming ter plaatse zijn wij ervan overtuigd dat een eventueel faillissement dichtbij is indien geen actie wordt ondernomen. (...) “

2.14. Op 4 december 2012 is (werknemer) met een aantal anderen, waaronder (ex-bestuurder RENDO) en (collega-directeur A.), door de FIOD gearresteerd op verdenking van fraude. RENDO heeft (werknemer) op 5 december 2012 verzocht om na zijn vrijlating onmiddellijk contact op te nemen en hem in afwachting daarvan verboden om op het bedrijf te verschijnen. De RvC heeft Westmaas in haar vergadering van 7 december 2012 als tijdelijk bestuurder van Rendo Holding aangesteld.

2.15. Omstreeks 20 december 2012 is (werknemer) op vrije voeten gesteld, en heeft hij met Westmaas gebeld. De advocaat van RENDO, mr. Gimbrère, heeft (werknemer) vervolgens schriftelijk uitgenodigd voor een gesprek met een afvaardiging van de RvC op 27 december 2012 en (werknemer) alvast een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd. Mr. Gimbrère opent de uitnodiging van 21 december 2012 met de zin:

“Tot mij wendt zich uw werkgeefster, N.V. Rendo.”

2.16. Op 27 december 2013 heeft de bespreking met (werknemer) plaatsgevonden. (werknemer) heeft zijn schriftelijke antwoorden op de door mr. Gimbrère gesteld vragen overhandigd. Daarin staat onder andere het volgende:

“Het project SGI viel geheel onder leiding van de Algemeen Directeur binnen NV Rendo Holding. … Ik heb dan ook geen leiding gegeven aan investeringen in SGI/SGC/SGE, buiten de aansluiting op het electriciteitnet van RENDO Netwerken om. (…)

Ik ben niet betrokken geweest bij voorgenomen besluiten om leningen te verstrekken aan SGE/SGC.

Ik had beperkte kennis van deze materie door informatie van de Algemeen Directeur door de jaren heen, (…)

Ik heb nooit een volledig beeld van de financieringen, noch van de zekerheden verkregen voordat ik als waarnemend directeur ben aangesteld. (…)

Ik ben door de AD gevraagd of ik belang had zelf in privé deel te nemen in de torrefactietechnologie. Dit zou wellicht een leuke belegging zijn in een nieuwe technologie, maar tevens middels aandelen in SGI voor Rendo het voordeel hebben van enige controle op de financieringen en investeringen van Rendo (…).

Ik heb nadrukkelijk aan de AD gevraagd of dit mocht gezien mogelijke belangenverstrengelingen en ik geen situatie van belangenverstrengelingen wil permitteren. De AD heeft aangegeven dat privé deelname juist gewenst is door Rendo gezien de belangen van Rendo en dat hij toestemming voor deelname heeft van de president commissaris van Rendo Holding. De AD heeft tevens aangegeven dat hij navraag heeft gedaan aan zijn notaris, fiscalist en accountant of er belemmeringen zijn in privé deelname en dat die er niet waren.

Ik heb toen besloten mee te willen doen in dit project, op basis van de door de AD aangegeven belangen, het medeweten van de president-commissaris van Rendo Holding en de mogelijk interessante belegging in een nieuwe technologie, de kleine omvang van de belegging, het meedoen van (collega-directeur A.) en de informatie van de AD dat er geen juridische, fiscale of economische belemmeringen zijn.

Ik ben altijd te goeder trouw geweest in deze. (...) Ik had geen enkele reden om de AD niet op zijn woord te geloven. (…)

Het project Steenwijk was in 2009 in een stroomversnelling terecht gekomen en volgens informatie van de AD van SGI productiegereed. De prijs die voor de technologie betaald zou worden was voor mij verrassend. Ik had nooit kunnen vermoeden dat er in korte tijd zoveel meerwaarde zou kunnen ontstaan. Maar de hoge bedragen werden bevestigd door internationale belangstelling, door waarderingsrapporten en door de onderhandelingen.”

De bespreking, waarvan een verslag is gemaakt, is afgesloten met het verzoek aan (werknemer) om in vooroverleg te gaan met zijn advocaat en met de mededeling van Westmaas dat zij het onderzoek verder zullen afwachten en dat daarna een beslissing volgt.

RENDO heeft diezelfde dag met (collega-directeur A.) gesproken, en een dag later telefonisch contact gehad met (werknemer)s voormalige advocaat. (werknemer) heeft zich ziek gemeld.

2.17. Bij brief van 31 december 2012 heeft Rendo (werknemer) op staande voet ontslagen. In de brief, afkomstig van Westmaas, staat onder andere het volgende vermeld:

“Ondergetekende is door de Raad van Commissarissen tijdelijk met het bestuur van Rendo Holding N.V. belast. (…) Commissarissen constateren dat er veel onrust en ophef in de organisatie van Rendo is ontstaan en dat alles moet worden gedaan om op zo kort mogelijke termijn deze onrust ongedaan te maken en daarmee de effectiviteit van de organisatie te vergroten. In dat kader doen de commissarissen een onderzoek (…). Wij constateren thans het navolgende.

1. Voorafgaand aan de investeringen door Rendo heeft u tezamen met de heren (…) een financieel belang genomen in SGI B.V., de rechtspersoon waarin de investeringen vanuit Rendo zouden plaatsvinden (…).

2. U was betrokken bij, althans bekend met, de afspraken van de directie van Rendo en de Raad van Commissarissen met betrekking tot de investering, en wel dat deze 4 tot 5 miljoen euro zou bedragen. Het was u bekend dat met de loop van de tijd substantieel meer door Rendo Holding (…) is geïnvesteerd. (…) U heeft nimmer aan commissarissen gevraagd of deze meerdere investeringen bij de commissarissen bekend waren, laat staan voor hen akkoord.

3. Toen de heer (collega-directeur A.) al na korte tijd zijn aandelen in SGI van de hand deed, omdat hij niet langer een vermenging tussen zakelijk en privé wenste, is dat voor u geen reden geweest om ook uw SGI-belang te beëindigen. (…).

4. Toen zich de mogelijkheid voordeed om winst te maken op uw aandelen in SGI, heeft u deze aandelen eind 2009 middels Marella verworven en een maand later verkocht. (…) Aldus heeft u privé voordeel genoten van de ontwikkelingen binnen SGI B.V., die enkel en alleen door investeringen van Rendo (…) mogelijk waren geworden.

5. Voor Rendo zijn de investeringen een financieel drama geworden. (…).

6. U heeft (…) geen enkele blijk gegeven van enig besef dat uw handelen jegens Rendo onoorbaar was. (…) Zelfs na deze affaire is er dus geen enkele garantie dat u niet opnieuw in dergelijk gedrag zult vervallen.

Deze gronden vormen ieder voor zich, en uiteraard ook in combinatie van meerdere van die gronden, dringende redenen voor ontslag op staande voet. (…) Het vertrouwen in u is geheel en al komen te ontbreken. (…).

U dient zo spoedig mogelijk de bij u in gebruik zijnde auto, laptop en telefoons met toebehoren bij ons in te leveren. (…)”.

De brief is gesteld op briefpapier van Rendo Holding en door Westmaas namens N.V. Rendo Holding getekend.

2.18. Op 4 februari 2013 is (werknemer) door de RvC ontslagen als tijdelijk bestuurder van Rendo Holding, voor zover hij nog in functie was.

Op 6 februari 2013 heeft (werknemer) de uitgangspunten voor een schikking met RENDO geformuleerd. Onder punt 6 van de door hem overgelegde email aan zijn advocaten schrijft hij het volgende:

“6. Het bedrag dat ik heb ontvangen vanwege de verkoop van aandelen in SGI zal ik niet “terugbetalen”(…). Ik zie nog altijd niet in waarom ik dat bedrag zou moeten terugbetalen. De aandelen SGI zijn destijds door een externe accountant gewaardeerd. De waarde van deze aandelen staat volledig los van RENDO en kan in mijn optiek niet als schade voor RENDO worden gezien. De redenering van RENDO op dit punt deugt sowieso niet. Van de 2,25 miljoen die aan mij is uitbetaald, is sowieso 1,25 miljoen euro door HBN vergoed en kan niet door RENDO gefinancierd zijn. Ik zie nog altijd niet in waarom ik het bedrag dat ik heb ontvangen op basis van de werkelijke waarde van de aandelen in 2009 zou moeten ‘terug’ betalen.”

Er is geen schikking tot stand gekomen.

2.19. De heer (X), manager financiën bij RENDO, heeft op 12 maart 2013 onder andere het volgende verklaard:

“Ik werk bij Rendo sedert 1 april 2010. Onder mijn verantwoordelijkheid worden onder meer de concepten van jaarrekeningen voorbereid. Ook ben ik verantwoordelijk voor de aansturing van de afdeling die de betalingen verzorgt. (…) (werknemer) heeft mij ook wel eens verteld dat de heer (ex-bestuurder RENDO) hem wel eens vroeg mee te denken met het SGI-project. Het ging dan om het anders vormgeven van leningen etc. in het kader van de liquiditeitsproblemen van SGI.”

2.20. (Werknemer) heeft in zijn reactie op de verklaring van (X) onder andere het volgende verklaard:

"Als werknemer en als financieel deskundige, vroeg (ex-bestuurder RENDO) me wel eens om adviezen op deelgebieden, bijv. over garanties en zekerheden. (…) Ik had echter nooit volledig zicht op zijn handelen en was ook nooit betrokken bij alle gesprekken over SGI (…)”.

2.21. De zittende commissarissen van Rendo Holding hebben schriftelijk verklaard dat zij tot december 2012 nimmer hebben geweten dat directieleden van RENDO op enig moment als aandeelhouder betrokken waren in SGI, en dat die verdenking pas is ontstaan door de perspublicaties omtrent het FIOD-onderzoek. Daarnaast verklaren zij dat zij er tot medio 2012 van uit gingen dat de investering van RENDO in SGI maximaal € 5 miljoen bedroeg en dat niemand hen ooit heeft meegedeeld dat deze een grotere omvang hadden gekregen. Ook de voormalige president-commissaris Apotheker heeft verklaard niet te hebben geweten van de gehanteerde constructies rondom SGI en de privébelangen die de directieleden daarin hebben gehad.

2.22. SGI heeft RENDO onlangs laten weten niet in staat te zijn om rente en aflossing te betalen en daartoe ook in de toekomst niet in staat te zullen zijn. RENDO verwacht dat zij op haar investering van € 30 miljoen in SGI € 17 miljoen tot € 27 miljoen moet afboeken.

2.23. De arbeidsovereenkomst van (werknemer) is bij beschikking van heden ontbonden voor het geval deze nog mocht bestaan.

3. De vordering en het verweer

(Werknemer)

3.1. (Werknemer) heeft allereerst gesteld dat het ontslag op staande voet niet aan diverse formele vereisten voldoet en daarom vernietigbaar is. Los van het feit dat het (werknemer) niet duidelijk is wat hem nu exact wordt verweten en voor welke functie het ontslag geldt, is het ontslag prematuur aangezien het OM nog niet eens heeft besloten of zij tot vervolging overgaat. (Werknemer) heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat hij thans geen inkomen ontvangt en de FIOD op al zijn vermogen beslag heeft gelegd.

3.2. Inhoudelijk voert (werknemer) aan dat er geen dringende reden is die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. (Werknemer) heeft steeds te goeder trouw gehandeld en de belangen van RENDO niet geschaad. Van een objectieve dringende reden is geen sprake nu hij niet in strijd met de wet heeft gehandeld, en het binnen RENDO zeer gebruikelijk was dat nevenwerk werd uitgevoerd en directieleden aandelen in andere ondernemingen hadden. Van een subjectieve dringende reden is geen sprake, omdat (werknemer) de aandelen in SGI op verzoek van zijn leidinggevende (ex-bestuurder RENDO) heeft gekocht om zo tevens de belangen van RENDO zo goed mogelijk te kunnen vertegenwoordigen. De privé belangen van de directie waren in het voordeel van RENDO omdat zij zo een controlerende meerderheid op de investeringen in SGI had. (Ex-bestuurder RENDO) oefende dat toezicht uit; (werknemer) had geen zicht op het reilen en zeilen van SGI.

3.3. (Werknemer) meent dat het niet op zijn weg lag om eventuele mededelingen over zijn privé aandeelhouderschap in SGI aan de RvC te doen. Hij was in de periode 2007 tot juli 2012 geen statutair bestuurder, en heeft mogen vertrouwen op de verklaring van (ex-bestuurder RENDO) dat een en ander met president-commissaris Apotheker en externe adviseurs was afgestemd. Uiteindelijk is hij maar een maand aandeelhouder geweest. Toen hij in 2012 waarnemend bestuurder werd, had hij inmiddels geen aandelen meer; melding van zijn aandeelhouderschap was derhalve niet aan de orde.

De transactiewinst op zijn aandelen in SGI was marktconform en staat los van de financieringen van RENDO. De aandelen zijn door een onafhankelijk bureau gewaardeerd, er waren bedrijven zoals Perusa GmbH, die veel geld voor de aandelen boden, en de inkoopprijs is na onderhandelingen met de bestuurders van SGI tot stand gekomen.

3.4. (Werknemer) had geen invloed en geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van de investeringen van RENDO in SGI; deze waren de verantwoordelijkheid van (ex-bestuurder RENDO). Uit hoofde van zijn functie bij RENDO had (werknemer) ook geen enkel inzicht in het project SGI. (Werknemer) stuurt de afdeling controlling en regulering van Rendo Netwerken aan en dit ziet niet op controlling van RENDO. Hij heeft nooit enige handtekening gezet voor een financiering of aankoop. De investeringen zijn steeds in de jaarcijfers genoemd en herhaaldelijk binnen de RvC en de aandeelhoudersvergadering van Rendo Holding besproken en goedgekeurd, in ieder geval 10 tot 11,5 miljoen euro. De commissarissen hebben hun toezichthoudende rol onvoldoende vervuld en proberen nu de zwarte piet bij (werknemer) neer te leggen.

3.5. (Werknemer) stelt tenslotte dat hij gedurende het twaalfjarige dienstverband bij RENDO altijd uitstekend heeft gefunctioneerd. (Werknemer) staat bekend als een open, transparante, betrouwbare en hardwerkende medewerker. Hij heeft altijd geprobeerd in het belang van RENDO te handelen. Van de onschuldpresumptie van (werknemer) moet worden uitgegaan zolang het tegendeel niet is bewezen. (Werknemer) is beschadigd door de media-aandacht en houdt RENDO hiervoor verantwoordelijk. N.V. Rendo heeft onvoldoende met de persoonlijke omstandigheden van (werknemer) rekening gehouden, waaronder zijn ziekmelding.

N.V. Rendo

3.6. N.V. Rendo heeft de vorderingen die samenhangen met het ontslag op staande voet gemotiveerd betwist, en aangevoerd dat zij daarvoor gerechtvaardigde redenen had. Haar verwijt aan (werknemer) komt er kort gezegd op neer dat (werknemer) op ontoelaatbare wijze privébelangen in SGI heeft genomen en gediend, dat hij van meet af aan en tot het bittere einde zijn financiële betrokkenheid bij SGI verborgen heeft gehouden, dat hij actief zijn medewerking heeft verleend aan betalingen door RENDO van substantiële bedragen aan SGI (terwijl dit als zodanig bij RENDO niet bekend was en uitging boven hetgeen specifiek door de RvC akkoord was bevonden) en dat (werknemer) met dit alles mede een situatie in het leven heeft geroepen waarin de belangen van zijn werkgeefster ernstig zijn geschaad en het vertrouwen is verdwenen.

De directeuren creëerden een situatie waarin zij twee belangen hadden te dienen: enerzijds het belang van RENDO en anderzijds hun privébelangen als aandeelhouders. In de ontslagbrief staat dat alle daarin genoemde gronden, ieder voor zich en ook gezamenlijk een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet.

3.7. N.V. Rendo verwijst onder meer naar artikel 9 van haar statuten. Volgens haar kan (werknemer), ook al was hij geen statutair bestuurder, niet menen dat zijn privé deelname in SGI was toegestaan en dat hij zelf geen rol meer had bij doordenking van de constructie. (Werknemer) heeft eind 2009 zijn aandelen in SGI, waarvoor hij € 6.000 had betaald voor een bedrag van € 2,7 miljoen door SGI laten inkopen. De koopsom voor die aandelen is feitelijk afkomstig van RENDO zelf; steeds wanneer er deelbetalingen door SGI aan (werknemer) en (ex-bestuurder RENDO) werden gedaan, vonden er gelijktijdig nadelige transacties plaats voor RENDO.

Het kan niet anders dan dat (ex-bestuurder RENDO) (werknemer) over de overgeboekte bedragen aan SGI heeft geïnformeerd, gezien diens bevoegdheden en taken als hoofd van de afdeling controlling. Dit blijkt ook uit de verklaringen van collega's van (werknemer), uit het mee accorderen van financiële transacties, en uit e-mailcorrespondentie met en over SGI die ook naar (werknemer) is verzonden. (Werknemer) moet als financieel specialist grote vraagtekens hebben gehad bij het feit dat RENDO voor vele miljoenen aan leningen verstrekte zonder dat daarvoor naar het lijkt adequate zekerheid is gevraagd.

3.8. De samenwerking met SGI is voor RENDO beduidend minder positief geweest dan voor (werknemer). RENDO heeft in SGI in totaal inmiddels ongeveer € 30 miljoen geïnvesteerd. Ook dit was bij de commissarissen onbekend. Het bedrag van € 30 miljoen zal grotendeels of bijna geheel moeten worden afgeschreven.

(Werknemer) heeft zich niet gedragen als een goed werknemer. Hij kan zich aldus N.V. Rendo niet verschuilen achter (ex-bestuurder RENDO), maar had een heeft een eigen verantwoordelijkheid.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1. Nu (werknemer) onder meer doorbetaling van loon vordert, wordt het spoedeisend belang aanwezig geacht.

Beoordelingskader

4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat voor toewijzing van de door (werknemer) gevorderde voorzieningen, het in hoge mate aannemelijk moet zijn dat de rechter deze in een bodemzaak zal honoreren. Het gaat daarbij om de arbeidsechtelijke verhouding tussen partijen; de vraag of (werknemer) strafbare feiten heeft gepleegd ligt niet voor.

De voorzieningenrechter zal eerst de vorderingen behandelen die samenhangen met het ontslag op staande voet en daarna de vorderingen die zien op uitbetaling van de RAB-uitkering en afgifte van stukken.

Het ontslag op staande voet

Formele verweren

4.3. (Werknemer) stelt dat onduidelijk was uit welke functie hij is ontslagen. De ontslagbrief is namens Rendo Holding door Westmaas in zijn hoedanigheid van president-commisaris van Rendo Holding ondertekend en daaruit blijkt volgens (werknemer) op geen enkele wijze dat hij uit zijn functie bij N.V. Rendo werd ontslagen. Bovendien is de president-commissaris van Rendo Holding niet bevoegd om een directielid van N.V. Rendo te ontslaan.

4.4. De voorzieningenrechter verwerpt beide verweren. Vaststaat dat Westmaas na de aanhouding van (werknemer) door de RvC is benoemd als tijdelijk bestuurder van Rendo Holding. Dit is ook in de openingszin van de ontslagbrief vermeld. De statuten van Rendo Holding voorzien in die mogelijkheid. Als bestuurder van Rendo Holding was Westmaas tevens indirect bestuurder van Rendo Beheer B.V. en N.V. Rendo, en uit dien hoofde bevoegd om (werknemer) te ontslaan.

Hoewel dat niet met zoveel woorden in de ontslagbrief staat van 31 december 2012, moet voor (werknemer) voldoende duidelijk zijn geweest dat het ontslag op staande voet zag op zijn dienstverband met N.V. Rendo. Het enkele feit dat het gesprekverslag van 27 december 2012 en de ontslagbrief op papier van Rendo Holding staan en Westmaas die brief namens Rendo Holding heeft ondertekend, is voorshands onvoldoende om te oordelen dat de bodemrechter daarover anders zal denken. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat mr. Gimbrère in zijn brief van 21 december 2012 heeft aangegeven dat (werknemer) namens zijn “werkgeefster N.V. Rendo” voor het gesprek op 27 december 2012 werd uitgenodigd. Bovendien staat onderaan de ontslagbrief dat een eindafrekening zal worden opgesteld en dat (werknemer) zo spoedig mogelijk de bij hem in gebruik zijnde auto, laptop en telefoons met toebehoren moet inleveren. Ook dit wijst op een beëindiging van de arbeidsverhouding met N.V. Rendo en niet op het neerleggen van de tijdelijke bestuursfunctie bij Rendo Holding.

4.5. Uit de ontslagbrief blijkt - anders dan (werknemer) bepleit - ook genoegzaam waarin de dringende reden voor het ontslag is gelegen, te weten zijn gebleken betrokkenheid bij SGI. De voorzieningenrechter is van oordeel dat (werknemer), die vanwege de kwestie SGI ruim twee weken in voorarrest had gezeten, naar aanleiding daarvan schriftelijke vragen van N.V. Rendo had beantwoord en daarover op 27 december 2012 een gesprek met Westmaas en mr. Gimbrère had gevoerd, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit de reden was.

4.6. (Werknemer) heeft gesteld dat N.V. Rendo niet tot ontslag mocht overgaan omdat Westmaas op 27 december 2012 uitdrukkelijk heeft gemeld dat het onderzoek van de FIOD zou worden afgewacht voordat een beslissing zou worden genomen. Deze toezegging is N.V. Rendo niet nagekomen. Kennelijk vond de RvC het gedrag van (werknemer) op 27 december 2012 onvoldoende ernstig voor ontslag op staande voet. Het blijft volgens (werknemer) onduidelijk waarom dat op 31 december 2012 ineens anders was.

N.V. Rendo bestrijdt dat een dergelijke toezegging is gedaan. Volgens N.V. Rendo heeft Westmaas alleen gezegd dat het onderzoek verder zou worden afgewacht, en zag die opmerking op het onderzoek door de commissarissen zelf. In het kader van dat onderzoek zijn (werknemer) schriftelijk vragen gesteld en is hij opgeroepen voor het gesprek op 27 december 2012. Verder is (collega-directeur A.) gehoord en is er daags na het gesprek contact geweest met de voormalige advocaat van (werknemer). Aan de hand van de gegevens die haar op dat moment bekend waren is geconcludeerd dat er voldoende grondslag voor ontslag op staande voet was.

De voorzieningenrechter constateert dat in het verslag van het gesprek op 27 december 2012 niet staat dat het onderzoek van de FIOD zal worden afgewacht. (Werknemer) - die dat gesprek met instemming van RENDO heeft opgenomen - geeft in zijn schriftelijke reactie daarop ook slechts aan dat hij er op basis van de afsluiting van het gesprek vanuit is gegaan dat hij “geschorst” zou gaan worden totdat het onderzoek van de FIOD/OM meer duidelijkheid geeft. Van een toezegging die aan ontslag op staande voet in de weg staat, is dan ook niet gebleken. Dat bedoeld onderzoek nog gaande is, vormt daarvoor ook geen belemmering.

4.7. Ten aanzien van (werknemer)s stelling dat de CAO-vereisten voor schorsing niet in acht zijn genomen door N.V. Rendo overweegt de voorzieningenrechter dat ook indien dat juist is, zulks niet betekent dat het ontslag op staande voet niet aan de formele vereisten voldoet. Dit verweer kan (werknemer) dan ook niet baten.

Dringende reden

4.8. Vervolgens moet worden beoordeeld of voorshands voldoende aannemelijk is dat ten minste één van de in de ontslagbrief van 31 december 2012 genoemde redenen een ontslag op staande voet rechtvaardigt.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, om de volgende redenen.

4.9. Vaststaat dat (werknemer) (samen met (ex-bestuurder RENDO)) aandelen in SGI heeft gehad en dat hij deze in 2009 door SGI heeft laten inkopen. (Werknemer) erkent ook dat hij dit pas na zijn aanhouding in december 2012 aan de RvC van RENDO heeft verteld. RENDO heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij miljoenen op haar investeringen in SGI zal moeten afschrijven, terwijl (werknemer) voor zijn aandelen in dat bedrijf € 2,25 miljoen heeft ontvangen.

(Werknemer) stelt dat hem niets te verwijten valt omdat hij altijd te goeder trouw heeft gehandeld, geen overzicht had van de investeringen van RENDO in SGI, en zich steeds op zijn direct leidinggevende (ex-bestuurder RENDO) heeft en mocht verlaten.

(Werknemer) heeft de voorzieningenrechter hiervan vooralsnog onvoldoende kunnen overtuigen.

1. (Werknemer) is jaren lid van de directie van RENDO geweest en hij heeft een accountancy opleiding genoten. Hij had dus een verantwoordelijke positie binnen RENDO en de nodige financiële bagage.

(Werknemer) heeft zich ervan bewust moeten zijn dat directieleden van RENDO ter voorkoming van tegenstrijdige belangen geen aandelen behoren te nemen in bedrijven waarmee RENDO zaken doet. Zeker niet als het gaat om energiebedrijven waarin RENDO volgens de Wet Onafhankelijk Netbeheer zelf niet mag participeren. De statuten van N.V. Rendo verbieden vanaf medio 2008 zelfs expliciet dat bestuursleden dit doen. Dat kan (werknemer) moeilijk zijn ontgaan.

De stelling van (werknemer) dat SGI niet onder dat verbod valt snijdt geen hout. De constructie met SGI is juist in het leven geroepen omdat RENDO de betreffende projecten volgens de Wet Onafhankelijk Netbeheer niet zelf mocht ontwikkelen.

(Werknemers) verweer dat hij zijn belang in SGI niet hoefde te melden omdat hij vóór medio 2012 geen bestuurder was en toen hij dat wel werd geen aandelen meer had, gaat evenmin op. Ook van een titulair directeur mag verwacht worden dat hij in de geest van statuten en relevante wetgeving handelt.

2. (Werknemer) stelt dat hij ervan uit ging dat de deelname in SGI mocht, omdat (ex-bestuurder RENDO) hem had gezegd dat deze door president-commissaris Apotheker was goedgekeurd. De voorzieningenrechter kan (werknemer) daarin niet volgen.

In de onder r.o. 2.4 aangehaalde notulen van de RvC-vergaderingen en de vergadering van aandeelhouders van 20 december 2007 is opgenomen dat het noodstroomproject in Steenwijk bewust door een derde partij zal worden geëxploiteerd. Vaststaat dat (werknemer), die steeds bij de vergaderingen aanwezig was, dit niet heeft gecorrigeerd en nimmer heeft gezegd dat hij en zijn mede-directeuren in die ‘derde’ (SGI) participeerden. Zeker als de directie, zoals (werknemer) stelt, aandelen in SGI heeft genomen om via een controlerende meerderheid het belang van RENDO te kunnen dienen, is niet goed te begrijpen waarom daarover nooit in aanwezigheid van alle commissarissen is gesproken. Niet toen de statuten van N.V. Rendo een dergelijke binding vanaf medio 2008 met zoveel woorden verboden, niet toen (collega-directeur A.) zijn belang in SGI van de hand deed, en zelfs niet toen (ex-bestuurder RENDO) en (werknemer) in 2009 hun eigen aandelen door SGI lieten inkopen.

Als (werknemer) tot het vertrek van (ex-bestuurder RENDO) medio 2012 nog een reden zou hebben gehad om dit niet zelf ter sprake te brengen (“hij vond het niet zijn taak om buiten zijn leidinggevende om te gaan”), dan was die reden in ieder geval in de aandeelhoudersvergadering van Rendo Holding op 20 september 2012 niet meer aanwezig. In die vergadering is expliciet de vraag gesteld wat de rol van (ex-bestuurder RENDO) met betrekking tot SGI is geweest. Indien (werknemer) inderdaad – zoals hij stelt –in de veronderstelling was dat (ex-bestuurder RENDO) de constructie met de voormalige president-commissaris Apotheker en externe adviseurs had afgestemd, heeft hij zich op dat moment moeten realiseren dat de andere commissarissen daarvan blijkbaar niet op de hoogte waren, en had hij over hun beider rol openheid van zaken moeten geven. Dat heeft hij niet gedaan.

3. (Werknemer) heeft volgens de voorzieningenrechter ook moeten inzien dat een inkoop van zijn aandelen in SGI (en die van (ex-bestuurder RENDO)) niet het belang van RENDO diende. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat (werknemer) wist dat RENDO forse achtergestelde leningen aan SGI had verstrekt; hij heeft in 2008 en 2009 in ieder geval € 9,5 miljoen aan overboekingen ten titel van achtergestelde leningen gefiatteerd. Als financieel onderlegde directeur die - zoals hij zelf aangeeft - voor de belangen van N.V. Rendo diende te waken, had en heeft (werknemer) zich af moeten vragen hoe het mogelijk was dat SGI (die nog in een aanloopfase zat) zich een inkoopbedrag van € 8,1 miljoen voor (ex-bestuurder RENDO) en hemzelf kon veroorloven, en zich moeten realiseren dat een inkoop hoe dan ook niet in het belang van RENDO kon zijn.

Ter zitting heeft (werknemer) ook erkend dat de inkoop (anders dan een verkoop van aandelen) een aanslag pleegde op de solvabiliteit en de liquiditeit van SGI, en daarmee het risico voor RENDO als verstrekker van (toen al) € 15,8 miljoen aan achtergestelde leningen vergrootte. De inkoopprijs zou daarom - zo gaf hij aan - ook in termijnen worden betaald. Dat duidt erop dat (werknemer) het risico voor RENDO (die na de transactie nog meer achtergestelde leningen aan SGI heeft verstrekt) wel heeft onderkend maar zich daardoor niet heeft laten leiden. Dat kan hem worden aangerekend.

De voorzieningenrechter laat in het midden of de inkoopprijs voor de aandelen al dan niet marktconform is geweest. Ook als dat volgens MBCF het geval was (omdat het rapport niet over de waarde van SGI maar over de waarde van aandelen van T. en G. in EPC International B.V. gaat is dat niet geheel duidelijk), had (werknemer) zich van de inkoop moeten onthouden, althans de RvC vooraf van dat plan op de hoogte moeten stellen. Als goed werknemer van RENDO met een eigen verantwoordelijkheid naar het bedrijf, mocht (werknemer) in dit geval niet enkel op zijn leidinggevende (ex-bestuurder RENDO) afgaan. Temeer niet nu deze een nog veel groter privé belang in SGI had dan (werknemer) zelf.

4.10. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat (werknemer) zijn plichten tegenover RENDO ernstig heeft verzaakt en dat N.V. Rendo toen zij van zijn aandelenbelang in SGI en de inkoop daarvan op de hoogte raakte, een voldoende dringende reden had om hem te ontslaan. De vraag of met medeweten van (werknemer) meer in SGI is geïnvesteerd dan met de RvC was afgesproken, behoeft gelet hierop geen bespreking.

De persoonlijke omstandigheden die (werknemer) heeft aangevoerd leggen onvoldoende gewicht in de schaal om hierover anders te oordelen. Dat geldt eveneens voor zijn verwijt aan het adres van de RvC. Ook als zou blijken dat de RvC onvoldoende toezicht heeft gehouden, neemt dat de eigen verantwoordelijkheid van (werknemer) jegens RENDO niet weg.

4.11. De vorderingen van (werknemer) tot (I) ongedaanmaking van het ontslag, (II) weder te werkstelling, (III) doorbetaling van loon, (VI) deblokkering van zijn tankpas en vergoeding van kosten en (VII) schriftelijke rehabilitatie zullen worden afgewezen.

RAB-uitkering

4.12. N.V. Rendo bestrijdt niet dat aan (werknemer) nog een RAB-uitkering (eindejaarsuitkering) van € 3.254,00 bruto toekomt. Deze zal daarom worden toegewezen. De voorzieningenrechter wijst de hierover gevorderde wettelijke verhogingen en de wettelijke rente af. In de gegeven omstandigheden is vooralsnog onvoldoende zeker dat de bodemrechter deze zal toewijzen.

Verstrekking salarisstrook

4.13. De voorzieningenrechter zal bepalen dat N.V. Rendo (werknemer) binnen een maand na betekening van dit vonnis een salarisstrook dient te verstrekken waarin de hiervoor bedoelde RAB-uitkering is verwerkt. Voor het opleggen van een dwangsom om N.V. Rendo hiertoe te bewegen, wordt geen aanleiding gezien.

Afgifte notulen en accountantsbrieven/-verslagen

4.14. N.V. Rendo heeft ter zitting verklaard dat de onder VIII gevorderde stukken door de FIOD in beslag zijn genomen, maar dat zij bereid is die stukken aan (werknemer) af te geven zodra zij deze weer in haar bezit heeft. Gelet hierop kan deze vordering thans niet worden toegewezen. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat N.V. Rendo haar toezegging na teruggave van de betreffende stukken na zal komen.

Proceskostenveroordeling

4.15. (Werknemer) zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu N.V. Rendo geen verweerschrift heeft ingediend zal voor salaris advocaat 1 punt worden toegekend.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt N.V. Rendo tot betaling aan (werknemer) van de RAB-uitkering ad € 3.254,00 bruto;

bepaalt dat N.V. Rendo binnen een maand na betekening van dit vonnis aan (werknemer) een salarisstrook dient af te geven waarin de hiervoor genoemde RAB-uitkering is verwerkt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de overige vorderingen van (werknemer) af;

veroordeelt (werknemer) in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van N.V. Rendo begroot op € 589,00 aan vast recht en € 200,00 aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.