Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ3313

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-03-2013
Datum publicatie
06-03-2013
Zaaknummer
395036 / CV EXPL 12-2473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

pensioenaanspraak, geen beroep verplichtgesteld BPF op adagium "geen premie, geen recht"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/86 met annotatie van H.P. Breuker
RAR 2013/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Heerenveen

zaak- / rolnummer: 395036 / CV EXPL 12-2473

vonnis van de kantonrechter d.d. 6 maart 2013

inzake

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.H.J. Miltenburg,

tegen

1. de stichting

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR DE MEUBELINDUSTRIE EN MEUBILERINGSBEDRIJVEN,

gevestigd te De Meern,

gemachtigde: mr. T.M. van Angeren,

en

2. de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS WONEN,

gevestigd te De Meern,

gemachtigden: mr. E. Lutjens en mr. B. Degelink,

en

3. [B],

wonende te [woonplaats],

4. [C],

wonende te [woonplaats],

5. [D],

wonende te [woonplaats],

6. [E]

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. H.H. Kelderhuis,

gedaagden.

Eiser zal hierna [A] worden genoemd, gedaagde sub 1. BPF Meubel, gedaagde sub 2. PF Wonen en gedaagden sub 3. t/m 6. tezamen [B c.s].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord van BPF Meubel;

- de conclusie van antwoord van PF Wonen;

- de conclusie van antwoord van [B c.s.];

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek van BPF Meubel;

- de conclusie van dupliek van PF Wonen;

- de conclusie van dupliek van [B c.s].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies [Q]he, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

2. De feiten

2.1. De feiten zoals deze ten aanzien van [A] en alle gedaagden vast staan worden hieronder, voor zover van belang, weergegeven. Bij de beoordeling van de vorderingen per gedaagde zullen deze feiten voor zover nodig worden aangevuld met de feiten die in de verhouding tussen [A] en die betreffende gedaagde vast staan.

2.2. [A] is op enig moment in dienst getreden bij de heer [Q] (hierna: [Q]). [Q] exploiteerde een woninginrichtingsbedrijf onder de naam "Woninginrichting Fa. [Q]". [A] verrichtte stofferingswerkzaamheden ten behoeve van dit bedrijf. De loonspecificaties van [A] van 26 maart 1992 en 11 juni 1992 vermelden als functie 'stoffeerder'. [A] was de enige werknemer van [Q]. Het dienstverband is in of omstreeks het jaar 1995 geëindigd. Op 30 december 2009 is [A] 65 jaar oud geworden.

2.3. [Q] is op 7 oktober 2011 overleden. [B c.s.] is erfgenaam van [Q].

2.4. BPF Meubel en PF Wonen zijn verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen in de zin van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000

(Wet Bpf 2000). BPF Meubel voert de pensioenregeling uit voor de meubelindustrie en de meubileringsbedrijven, PF Wonen doet dit voor het woninginrichtingsbedrijf.

2.5. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 per 1 januari 2001 was de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds van 17 maart 1949 (de Wet Bpf) van kracht. Bij beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 19 januari 1955 is, onder toepassing van de Wet Bpf, met ingang van 1 februari 1955 deelname aan BPF Meubel verplicht gesteld voor werknemers werkzaam in de meubelindustrie en meubileringsbedrijven. Bij beschikking van 3 december 1968 is deelname aan PF Wonen verplicht gesteld voor werknemers werkzaam bij werkgevers die

zich bezighielden met de verkoop van meubels en/of voor woninginrichting bestemde textielgoederen aan particulieren.

2.6. Door deze twee verplichtstellingen ontstond de situatie dat ondernemingen die de detailhandel in meubel en woningtextiel uitoefenden en die tevens ambachtelijk personeel in dienst hadden, voor wat betreft hun ambachtelijk personeel onder de verplichtstelling van BPF Meubel vielen en voor wat betreft hun overige personeel onder de verplichtstelling van PF Wonen. Aan deze situatie kwam een einde toen de besturen van BPF Meubel en PF Wonen, in samenspraak met de betrokken vakorganisaties, overeenkwamen dat ambachtelijk personeel dat in dienst was van ondernemingen die de detailhandel uitoefenden, per 1 januari 1993 onder PF Wonen zou vallen. De betrokken vakorganisaties hebben in een toelichting op het verzoek tot wijziging van de verplichtstellings-beschikkingen van BPF Meubel en PF Wonen, gedateerd februari 1993, dit 'ambachtelijk personeel' omschreven als: vloerenleggers, stoffeerders, behangers en meubelmakers in dienst van ondernemingen die de meubeldetailhandel uitoefenen.

2.7. De verplichtstellingsbeschikkingen van BPF Meubel en PF Wonen zijn per 1 januari 1994 aldus aangepast. Vooruitlopend hierop bood BPF Meubel aan de werkgevers die het aanging de mogelijkheid om met ingang van 1 januari 1993 vrijstelling te verzoeken van de verplichting tot deelneming in BPF Meubel voor hun ambachtelijk personeel, onder gelijktijdige aansluiting van dit personeel bij PF Wonen.

2.8. De onderneming van [Q] viel onder de werkingssfeer van PF Wonen. [Q] heeft [A] per 1 januari 1993 aangemeld bij PF Wonen.

2.9. Vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd ontvangt [A] ouderdomspensioen van PF Wonen, op basis van vanaf 1 januari 1993 bij PF Wonen opgebouwde aanspraken. Tevens ontvangt hij ouderdomspensioen van BPF Meubel, gerelateerd aan werkzaamheden die hij heeft verricht bij een andere werkgever, voorafgaand aan zijn werkzaamheden bij [Q].

2.10. [A] heeft BPF Meubel verzocht om hem pensioen toe te kennen over de periode 1972 tot 1993, gerelateerd aan zijn werkzaamheden bij [Q]. BPF Meubel heeft [A] bij brief van 19 november 2009 medegedeeld dat uit haar administratie niet bleek van een dienstverband met [Q] en [A] gevraagd aanvullende informatie te verstrekken.

2.11. [A] heeft zich vervolgens tot de Ombudsman Pensioenen gewend die namens [A] vragen heeft gesteld aan BPF Meubel. Bij brief van 15 juni 2010 heeft BPF Meubel de Ombudsman Pensioenen medegedeeld:

"(…) Woninginrichtingsbedrijfs Fa [Q] is (…) bij het Pensioenfonds Meubel niet bekend. (…) Uit de ons verstrekte gegevens maken we op dat Woninginrichtingsbedrijf Fa. [Q] een werkgever is met zowel verkopend als ambachtelijk personeel. De werkgever is echter niet aangesloten geweest bij Pensioenfonds Meubel."

Voorts heeft BPF Meubel bij brief van 9 juli 2010 aan de Ombudsman Pensioenen medegedeeld:

"U vraagt ons aan te geven of de Fa. [Q] tot 1 januari 1993 verplicht was zich aan te sluiten bij (…) Pensioenfonds Meubel. (…) Uit de aan ons verstrekte gegevens maken we op dat Fa. [Q] een werkgever is met zowel verkopend personeel als ambachtelijk

personeel. De Fa [Q] was dus tot 1993 verplicht zich bij het pensioenfonds Meubel aan te sluiten en de heer [A] aan te melden.(..)"

2.12. Bij brief van 3 februari 2011 heeft BPF Meubel [A] medegedeeld:

"Hierbij komen wij terug op uw verzoek (…) pensioen toe te kennen over de periode 1972 tot 1993. Wij hebben de stukken nogmaals bekeken en komen tot de volgende conclusie. (…) Voor zover wij kunnen achterhalen is de werkgever Fa. [Q], [adres] niet aangesloten geweest als werkgever bij het Bedrijfspensioenfonds voor de Meubelindustrie en zijn voor de heer [A] geen pensioenrechten bij dit fonds opgebouwd.

Het enige aanknopingspunt dat we ter zake van uw pensioen hebben is een loonstrook uit 1992. Hoewel de pensioenpremie die hierop vermeld staat geen pensioenpremie van BPF Meubel is kunnen we uit de loonstrook opmaken dat u in ieder geval in de periode 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992 als stoffeerder in dienst bent geweest van de Fa. [Q]. BPF Meubel heeft daarom geheel onverplicht en uit coulance overwegingen besloten u over deze periode pensioen toe te kennen.

(…)

Over de resterende periode (1972 tot juli 1991) beschikken wij, zoals eerder aan de Ombudsman aangegeven, over onvoldoende aanknopingspunten om pensioen aan u toe te kennen. Mocht u nog over nadere gegevens beschikken dan zullen wij uw verzoek (om pensioen aan u toe te kennen) opnieuw in behandeling nemen. (…)"

2.13. In het kader van een voorlopig getuigenverhoor heeft [A] op 28 oktober 2011 zichzelf en de heer [X] (hierna: [X]) doen horen. [X] was in de periode 1972 tot medio 1991 de vaste boekhouder van [Q]. [A] heeft onder meer als volgt verklaard:

"Op 26 februari 1972 ben ik als stoffeerder voor een volledige werkweek in dienst getreden van de Woninginrichting Firma [Q]. [Q] had in [plaatsnaam] een zaak met woninginrichting en verzorgde voor klanten ook de stoffering. [Q] stond zelf in de zaak en was de verkoper. Ik richtte mij geheel op het stofferen. Andere werknemers waren er niet. De vrouw van [Q] sprong wel eens bij in de winkel. (…) Mijn loon heb ik altijd op tijd betaald gekregen. [Q] heeft in zijn onderneming nooit te maken gehad met betalingsproblemen of iets dergelijks (…)"

[X] heeft onder meer als volgt verklaard:

"(…) Ik weet niet precies wanneer [A] bij [Q] in dienst is getreden maar ik weet wel dat, toen hij uit dienst is gegaan, we hebben vastgesteld dat hij nog geen 25 jaar in dienst was; dit in verband met de eventuele verplichting gratificatie toe te kennen. (…)

[A] was de enige werknemer. Hij was stoffeerder en hield zich met van alles en nog wat bezig, maar zeker niet met de verkoop. Het bedrijf van [Q] liep redelijk goed. Er waren in ieder geval geen betalingsproblemen. Het bedrijf was destijds aangesloten bij de Detam en van de Detam kreeg ik een lijstje met de verplichte inhoudingen en dergelijke (…) Loonstroken voor [A] heb ik niet gemaakt. In 1984 nam een afdeling van mijn kantoor de loonadministratie over. Ik benadruk dat ik het lijstje van de Detam strikt heb gevolgd en dat daar volgens mij ook pensioeninhoudingen en dergelijke op vermeld stonden. (…)"

Tijdens het verhoor heeft [X] voorts verklaard te blijven bij een brief van hem van 6 mei 2011 waarin hij onder meer verklaart:

"(…) Destijds werd door de bedr.ver. Detam een nota verstuurd met de premie"s van alle soc. lasten incl. de pensioenpremie dat volgens mij voor een collectieve pens.regeling was. (…)

Uit de stukken van de bedr.ver. Detam blijkt overtuigend dat de Fa. [Q] ingeschreven stond bij de St.Bedrijf.Pens.Fonds voor de Meubelind. en Meubelbedr. onder nr.[nummer]. en dat dit Bedr.Pens.Fonds per 1 jan. 1993 overging naar de St.Bedr.Pens.Fonds voor de Detailhandel in Meubelen en Woningtextiel. (…)"

2.14. [Q] was door [A] eveneens opgeroepen om te getuigen, maar overleed voordat het verhoor plaatsvond. [Q] heeft voorafgaand aan het verhoor wel schriftelijk gereageerd op vragen van [A] en daarbij onder meer verklaard:

- op 9 mei 2011:

"(…) In ons vml. woninginrichtingsbedrijf hebben wij de volledige salaris-, loon- en personeelsadministratie (…) uitbesteed. Wij hebben deze activiteiten bewust uitbesteed en vertrouwen er op dat deze administratie altijd juist en volledig heeft plaatsgevonden. (…)"

- op 7 juli 2011:

"(…) In verschillende brieven worden mij data aangereikt betreffende het werkzaam zijn van [A] als stoffeerder in ons vml. woninginrichtingsbedrijf. Er is in mijn bezit niet een informatie dat de genoemde data\jaargangen juist zijn betreffende het werkzaam zijn van [A] in de aangegeven periode.(…)"

- op 8 augustus 2011:

"(…) wij voerden een meubel- en woningtextielonderneming en hadden slechts 1 personeelslid, zijnde de heer [A]. Hij heeft van ca. 1972 - 1995 bij ons gewerkt. Omdat ik de betreffende documenten inzake arbeidsovereenkomsten en pensioengerelateerde stukken niet meer bezit, kan ik onmogelijk specifieke data etc. bevestigen. Mochten er op enigerlei wijze alsnog documenten worden overgelegd, dan zal ik mij hieraan conformeren. (…)"

2.15. Naar aanleiding van een herhaald verzoek van de gemachtigde van [A] aan BPF Meubel om [A] ouderdomspensioen toe te kennen over de periode 1972 - 1991 heeft BPF Meubel bij brief van 17 februari 2012 onder meer als volgt gereageerd:

"(…) Namens het bestuur kan ik u melden dat het proces verbaal van het voorlopig getuigenverhoor voor de Stichting geen aanleiding vormt om aan de heer [A] pensioenaanspraken toe te kennen. De Stichting overweegt zelfs om terug te komen op de eerdere toekenning van pensioen over de periode 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992 aangezien thans is gebleken dat de op het loon ingehouden pensioenpremie geen inhouding ten bate van de Stichting betreft, maar dat afdracht heeft plaatsgevonden ten behoeve van de Detam. De Detam heeft nimmer de inhouding dan wel administratie van de pensioenpremie voor de Stichting verzorgd."

2.16. De statuten van BPF Meubel vermelden:

"Aangesloten ondernemingen

Artikel 5

Aangesloten onderneming is de onderneming, die geheel of voor een deel tot de meubelindustrie en meubileringsbedrijven behoort en die:

(…)

b. onder de verplichtstelling krachtens artikel 3 van de wet (Wet Bpf; toevoeging kantonrechter) valt.

Deelnemers

Artikel 6

Deelnemer is de werknemer in dienst van een aangesloten onderneming, die:

(…)

b. verplicht is tot deelneming in het fonds krachtens artikel 3 van de wet (Wet Bpf; toevoeging kantonrechter)

Aanvang en einde der deelneming

Artikel 7

1. De deelneming vangt aan:

(…)

b. voor de deelnemer, bedoeld in artikel 6 onder b., op het tijdstip, waarop voor hem de verplichtstelling van kracht wordt."

2.17. Het pensioenreglement van BPF Meubel vermeldt:

Inschrijving

Artikel 1

De aangesloten onderneming is gehouden de in haar dienst zijnde deelnemers, bedoel in artikel 6, onder b, der statuten zo spoedig mogelijk ter inschrijving bij het fonds aan te melden.

(…)

Premie

Artikel 3

(…)

4. De aangesloten onderneming is verplicht (…) de premie in te houden op het loon van de deelnemer en (…) aan de Administrateur over te dragen (…)"

Het pensioenreglement van BPF Meubel zoals dat vanaf 1971 tot 1974 luidde bevatte verder de volgende bepaling:

"Artikel 4

1. Indien de aangesloten onderneming wel het aandeel van de deelnemer in de premie op diens loon heeft ingehouden of van de deelnemer heeft ontvangen maar de premie niet aan het fonds heeft afgedragen, wordt voor de vaststelling van de pensioenaanspraken van de deelnemer en zijn nagelaten betrekkingen de premie geacht aan het fonds te zijn betaald.

2. (…)"

Na een wijziging van het pensioenreglement luidde de betreffende bepaling vanaf 1974 als volgt:

"Door de deelnemer betaalde doch niet afgedragen premie

Artikel 4

1. Indien de werkgever wel de bijdrage van de deelnemer op diens loon heeft ingehouden of van de deelnemer heeft ontvangen maar de premie niet aan het fonds is afgedragen, wordt voor de vaststelling van de pensioenaanspraken voor de deelnemer en zijn nagelaten betrekkingen de premie geacht aan het fonds te zijn betaald.

2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet:

a als niet binnen twee jaar na afloop van het boekjaar, waarover de premie verschuldigd was, aan het fonds bekend is, dat de bijdrage van de deelnemer door de werkgever was ingehouden of ontvangen;"

3. De vordering

3.1. [A] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

BPF Meubel veroordeelt

I. tot toekenning aan [A] van pensioenaanspraken over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992;

II. tot betaling aan [A] van een bedrag van EUR 1.785,00 inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

III. tot betaling van de kosten van deze procedure;

subsidiair

PF Wonen veroordeelt

I. tot toekenning aan [A] van pensioenaanspraken over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992;

II. tot betaling aan [A] van een bedrag van EUR 1.785,00 inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

III. tot betaling van de kosten van deze procedure;

meer subsidiair

I. voor recht verklaart dat [Q] c.s. als erfgenamen van de heer Jan [Q], geboren op [datum] en overleden op [datum], gehouden zijn tot vergoeding van de schade

die [A] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het feit dat [Q] is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst tussen hem en [A], door

[A] niet aan te melden bij het verplicht gesteld pensioenfonds en voor [A] geen pensioenpremies af te dragen aan dit fonds in de periode van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992, althans verklaart voor recht dat [B c.s.] als erfgenamen van de heer [Q], geboren op [datum] en overleden op [datum], gehouden zijn tot vergoeding van de schade die [A] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het feit dat [Q] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] door [A] niet aan te melden bij het verplicht gesteld pensioenfonds en voor [A] geen pensioenpremies af te dragen aan dit fonds in de periode van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992;

II. [B c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [A] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat;

III. [B c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [A] van een bedrag van EUR 1.785,00 inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

IV. [B c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2. BPF Meubel, PF Wonen en [B c.s.] voeren verweer. Hierop en op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Aanvullende vaststaande feiten tussen [A] en BPF Meubel

4.1. [A] is van 26 februari 1972 tot 10 oktober 1995 in dienst geweest van [Q].

4.2. Bij conclusie van antwoord heeft BPF Meubel aangegeven dat zij niet zal terugkomen op haar eerdere beslissing om [A], onverplicht en uit coulance overwegingen, pensioen toe te kennen over de periode 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992.

5. Het geschil en de beoordeling

5.1. [A] heeft zijn primaire vordering jegens BPF Meubel ingesteld. BPF Meubel heeft daartegen verscheidene verweren aangevoerd, waaronder uiterst subsidiair een beroep op rechtsverwerking. Nu, in het geval dit verweer gegrond zou worden bevonden, de primaire vordering van [A] reeds daarop zou stranden, zal de kantonrechter eerst over dit verweer oordelen.

5.2. BPF Meubel heeft haar beroep op rechtsverwerking onderbouwd door te wijzen op het grote tijdsverloop dat is gelegen tussen de periode van 1972 tot 1992 - over welke periode [A] pensioenaanspraken vordert - en de datum van zijn pensioen, 2009. Pas in 2009 heeft [A] zich tot BPF Meubel gewend met een verzoek om toekenning van oudedagspensioen over de periode dat hij bij [Q] werkte. Gezien dit langdurig stilzitten en het enorme tijdsverloop kan [A] - voor zover hij al enige aanspraak zou hebben jegens

BPF Meubel - dit recht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer uitoefenen, aldus BPF Meubel.

5.3. De kantonrechter overweegt dat, volgens vaste rechtspraak (zie ondermeer HR 24 april 1998, LJN: ZC2635) en zoals ook door [A] aangevoerd, enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe zijn bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken,

hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Deze bijzondere omstandigheden dienen door BPF Meubel - als de partij die op rechtsverwerking een beroep doet - te worden aangevoerd. Nu BPF Meubel heeft nagelaten om haar beroep op rechtsverwerking met een andere omstandigheid dan het enkele tijdsverloop te onderbouwen, kan reeds daarom dit beroep niet slagen.

5.4. Daarmee komt de kantonrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van de primaire vordering van [A]. BPF Meubel betwist allereerst dat een stoffeerder behoort tot ambachtelijk personeel dat - tot aan de wijziging in de verplichtstelling per 1 januari 1994 en behoudens vrijstelling per 1 januari 1993 - onder de werkingssfeer van BPF Meubel viel. Voor stofferingswerkzaamheden is volgens BPF Meubel geen specialistische kennis vereist, waardoor het geen 'ambachtelijk' werk is. Dit verweer wordt door de kantonrechter verworpen. Allereerst omdat het vak van stoffeerder naar het oordeel van de kantonrechter,

gezien de betekenis van dit begrip in de praktijk, wel degelijk als een ambacht kwalificeert. Voorts blijkt uit de toelichting van de vakorganisaties bij het verzoek tot wijziging van de verplichtstellingsbeschikking uit 1993 dat ook zij stoffeerders onder ambachtelijk personeel scharen. Tot slot wijst de kantonrechter op het feit dat dit kennelijk ook het standpunt is dat BPF Meubel, getuige haar schrijven van 3 februari 2011, voorafgaand aan de onderhavige procedure jegens [A] heeft ingenomen. Uit dat schrijven blijkt immers dat BPF Meubel

- nadat zij bevestigt dat ambachtelijk personeel, werkzaam bij ondernemingen die een detailhandel in de meubel en woninginrichting uitoefenden, tot 1993 onder de werkingssfeer van BPF Meubel vielen - vanwege de vermelding 'stoffeerder' op de loonstroken van [A], overgaat tot toekenning van pensioen aan [A].

5.5. BPF Meubel betwist vervolgens dat [A] als ambachtelijk personeel dient te worden gezien omdat hij bij [Q] geen, althans niet uitsluitend, stofferingswerkzaamheden heeft verricht. Zij voert daartoe aan dat [A] zich, volgens de verklaring van getuige

[X], met allerhande verschillende werkzaamheden, behalve verkoop, bezig hield. Ook wijst BPF Meubel er op dat [A] volgens [Q] c.s. tevens meubels bij klanten

bezorgde. Daarnaast mag er volgens BPF Meubel vanuit worden gegaan dat [A] als de enige werknemer van [Q] alle voorkomende werkzaamheden zal hebben verricht.

5.6. De kantonrechter is van oordeel dat [A] zijn stelling dat hij bij [Q] volledig, althans hoofdzakelijk, werkzaamheden als stoffeerder verrichte, met voldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Zo heeft [A] verklaringen van zich zelf, [X] en [Q] in het geding gebracht dat hij als stoffeerder werkzaam was. Ook de twee loonstroken maken melding van die functie. De verwijzing van BPF Meubel naar het standpunt van [B c.s.] zoals dat blijkt uit de conclusie van antwoord van [B c.s.].

- inhoudende dat zij weten dat [A] ook andere werkzaamheden heeft verricht binnen het bedrijf van hun vader, zoals de bezorging van meubels bij klanten - maakt dit niet anders nu ook [B c.s.] erkent dat [A] stofferingswerkzaamheden heeft uitgevoerd en zij voorts aangeven zeer weinig af te weten van de gang van zaken in het voormalig bedrijf van

hun vader. Het feit dat niet is uitgesloten dat [A], naast stofferingswerk, ook andere voorkomende werkzaamheden voor [Q] verrichtte, betekent naar het oordeel van de kantonrechter niet dat hij daar niet (hoofdzakelijk) als stoffeerder werkzaam was. Het feit dat [A] de enige werknemer van [Q] was betekent evenmin dat hij niet (hoofdzakelijk) als stoffeerder werkzaam was, nu uit de door [A] overgelegde verklaringen blijkt dat naast [Q], ook zijn vrouw zo nu en dan insprong bij drukte en [Q] tevens heeft verklaard dat hij de administratieve aangelegenheden had uitbesteed. Overige werkzaamheden werden dus wel degelijk (ook) door anderen dan [A] gedaan. Nu BPF Meubel haar betwisting dat [A] als stoffeerder bij [Q] werkzaam was, tegenover de gemotiveerde stelling van [A], niet nader heeft onderbouwd, zal dit verweer worden verworpen. Aan bewijslevering wordt dan niet toegekomen. Daarmee staat tussen [A] en BPF Meubel vast dat [A] over de periode van 26 februari 1972 tot 1 januari 1993, vanwege het verrichten van ambachtelijke werkzaamheden, onder de verplichtgestelde werkingssfeer van BPF Meubel viel.

5.7. BPF Meubel heeft bij conclusie van antwoord aangegeven niet terug te zullen komen op de - naar haar zeggen vrijwillige - toekenning van pensioen aan [A] over de periode 1 juli 1991 tot en met 30 juni 1992, zodat de primaire vordering voor wat betreft die periode voor toewijzing gereed ligt. Vervolgens dient te worden geoordeeld of [A] pensioenaanspraken jegens BPF Meubel heeft over de periode van 26 februari 1972 tot

1 juli 1991 alsmede over de periode van 1 juli 1992 tot en met 31 december 1992.

5.8. BPF Meubel heeft ter zake van dit deel van de vordering van [A] tot haar verweer aangevoerd dat [A] - zelfs als hij onder de verplichtstelling van BPF Meubel valt - geen aanspraak heeft op pensioen omdat [A] door [Q] niet bij BPF Meubel is aangemeld als deelnemer, [A] had kunnen vermoeden dat er iets mis was met zijn aanmelding omdat hij geen jaarlijkse pensioenopgaves ontving en desondanks heeft stilgezeten, [A] niet heeft aangetoond dat er voor hem pensioenpremie is voldaan en

[Q] ook geen premie voor [A] heeft afgedragen aan BPF Meubel. Voor zover er door [Q] wel premie bij [A] is ingehouden is die kennelijk aan de Detam

afgedragen, welke instantie nimmer de incasso van de verschuldigde premies voor BPF Meubel heeft gedaan. Zonder premiebetaling is er volgens BPF Meubel geen recht op pensioen, behoudens het in artikel 4 van het pensioenreglement van BPF Meubel bepaalde. Dat houdt in dat allereerst vast moet staan dát er door de werkgever pensioenpremie is ingehouden die niet aan BPF Meubel is afgedragen. Vervolgens is er slechts aanspraak op

pensioen als het fonds binnen een periode van twee jaar na afloop van het boekjaar waarover de premie verschuldigd was, bekend raakt met het feit dat de werkgever premie

heeft ingehouden. Nu BPF Meubel nimmer bekend is geraakt met het feit dat er - voor zover dit al is geschied - door [Q] premie bij [A] is ingehouden, heeft [A] geen recht op pensioen. De in artikel 4 van het pensioenreglement opgenomen beperking in de aanspraak op pensioen in geval geen premie is afgedragen is een beperking die door de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) niet wordt verboden, aldus BPF Meubel. De PSW is in casu de relevante wetgeving nu het geschil speelt met betrekking tot de periode dat de Pensioenwet (PW) nog niet van kracht was en de PW ook geen terugwerkende kracht heeft. De beperking is volgens BPF Meubel overigens evenmin verboden onder de thans geldende PW.

5.9. [A] heeft gesteld dat bij hem niet bekend is of hij door [Q] is aangemeld bij BPF Meubel, maar dat hij daar - gezien de inhoudingen op zijn loon - op mocht vertrouwen en dat het voorts de taak is van BPF Meubel als bedrijfstakpensioenfonds om onderzoek te doen naar de nakoming door werkgevers van de verplichting tot aanmelding. Om die reden had BPF Meubel [Q] moeten aanschrijven om zijn ambachtelijk personeel aan te melden, hetgeen BPF Meubel heeft nagelaten. Als dat wel was geschied, dan was hij 'wellicht niet in de onderhavige situatie komen te verkeren'. De kantonrechter begrijpt deze stelling van [A] aldus dat [A], bij gebrek aan wetenschap, niet betwist dat hij door [Q] niet is aangemeld bij BPF Meubel, maar dat hem daar volgens hem geen verwijt van valt te maken. BPF Meubel treft daarentegen volgens [A] wél een verwijt doordat zij [Q] niet heeft benaderd om zijn ambachtelijk personeel aan te melden. Het ontbreken van de aanmelding dient dan volgens [A] niet in de weg te staan aan zijn aanspraak op pensioen.

5.10. De kantonrechter oordeelt dat uit art. 7 lid 1 b. j° art. 6 b. van de statuten van BPF Meubel volgt dat een werknemer die werkzaamheden verricht die onder de verplichtstelling van BPF Meubel volgen, door de enkele verplichtstelling deelnemer in het fonds wordt. Handelingen van de zijde van de deelnemer jegens het fonds zijn daartoe niet vereist. Het enkele feit dat [A] niet zelf stappen heeft ondernomen om te verifiëren of hij was aangemeld bij BPF Meubel kan [A] - zeker in het licht van de toenmalige tijdsgeest - niet worden verweten. Bij de behandeling van de PW in de Tweede Kamer bleek immers dat het pensioenbewustzijn bij de Nederlander in 2008 nog steeds minimaal was (vgl. Rapport van de Pensioencommissie SER 2008 "Op weg naar pensioenbewustzijn" en Kamerstukken II 2007/08, 30413 nr. 108). BPF Meubel kan echter evenmin een verwijt worden gemaakt van het niet uit eigen beweging benaderen van [Q], nu de Wet Bpf daartoe geen verplichting bevat en ook overigens door [A] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit volgt dat BPF Meubel op de hoogte was of had behoren te zijn geweest van de aanwezigheid van ambachtelijk personeel bij [Q]. Het nalaten door BPF Meubel om [Q] te benaderen brengt als zodanig dus geen aanspraak van [A] op pensioen met zich. Nu [A] weliswaar heeft gesteld dat er door [Q] op zijn loon pensioenpremie is ingehouden maar daarbij tevens heeft aangegeven dat hij niet weet aan welke instantie deze premies zijn afgedragen, terwijl BPF Meubel gemotiveerd heeft betwist dat er premies aan haar zijn afgedragen, dient het er voor te worden gehouden dat, voor zover er door [Q] al premies zijn inhouden op het loon van [A], deze niet aan BPF Meubel zijn afgedragen.

5.11. De vraag die daarmee ter beantwoording voor ligt is of, ondanks dat [A] niet bij BPF Meubel was aangemeld en er voor hem aan BPF Meubel geen premie is afgedragen, [A] toch aanspraak heeft op pensioen jegens BPF Meubel vanwege het enkele feit dat [A] onder de verplichtstellingsbeschikking viel.

5.12. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis betreffende de totstandkoming van de PW heeft [A] aangevoerd dat BPF Meubel zich ten onrechte,

behoudens voorzover er aanspraken zouden voortvloeien uit artikel 4 van haar pensioenreglement, beroept op het adagium 'geen premie, geen recht'. Dit is volgens [A] in strijd met (het uitgangspunt van) de PW en ook in strijd met (het uitgangspunt van) de voordien geldende PSW. [A] heeft daarbij verwezen naar de parlementaire geschiedenis van de PW en aangevoerd dat voor wat betreft dit uitgangspunt de PW geen wijziging bracht ten opzichte van de PSW.

5.13. Voor wat betreft de vraag of voor de beoordeling van het geschil tussen partijen de PSW of de PW relevant is, overweegt de kantonrechter als volgt. Artikel 2 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet (hierna: Invoeringswet) bepaalt dat de PSW wordt ingetrokken. Bij wijziging van wetgeving geldt als algemeen beginsel de onmiddellijke werking van de nieuwe wetsbepaling. De Invoeringswet maakt daarop slechts enkele uitzonderingen, die voor het onderhavige geschil niet relevant zijn. Onmiddellijke werking betekent, voor wat betreft een duurovereenkomst als hier in geschil, dat wanneer de nieuwe rechtsregel rechtsgevolgen verbindt of ontzegt aan een bepaald feit, die rechtsgevolgen ook gaan gelden, respectievelijk niet langer gelden, indien dat feit zich vóór de invoering van de nieuwe regel heeft voorgedaan. Het overwogene leidt tot het oordeel dat het geschil op grond van de PW dient te worden beoordeeld. Uit hetgeen volgt zal evenwel blijken dat het oordeel onder de PSW niet anders zou zijn.

5.14. Voor wat betreft de vraag of BPF Meubel zich - behoudens het in artikel 4 van haar pensioenreglement bepaalde - terecht beroept op het principe 'geen premie, geen recht' overweegt de kantonrechter als volgt. Alhoewel hier in de PW zelf geen bepaling over is opgenomen, blijkt uit de tot stand koming van de PW dat het niet is toegestaan dat verplichtgestelde pensioenfondsen een recht op pensioen afhankelijk maken van de vraag of premie is betaald. Zo vermeldt de Memorie van Toelichting onder meer:

"Dit wetsvoorstel staat niet toe dat een pensioenfonds uitgaat van het principe "geen premie -geen recht" door bijvoorbeeld een algemeen beding in de statuten of reglementen op te nemen [op] grond waarvan het recht op uitkering afhankelijk wordt gemaakt van de vraag of de premie is betaald. (…) Voorts zou een dergelijk beding ook haaks staan op het systeem van de wet Bpf 2000." (Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3 p. 63)

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit uitgangspunt voortvloeit uit het bijzondere karakter van de verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen, nu deze fondsen op grond van de Wet Bpf 2000 (alsmede op grond van de voordien geldende Wet Bpf) extra mogelijkheden hebben om premie te innen via het uitvaardigen van een dwangbevel. Dit geldt volgens de minister ook in geval een werkgever, die wel onder de werkingssfeer van het pensioenfonds valt, bij dat fonds niet bekend is:

"Het verdraagt zich niet met de verplichtstelling, indien het verplichtgestelde fonds een beroep op een uitkering in zijn algemeenheid zonder meer zou kunnen afwijzen onder verwijzing naar een algemene bepaling in de statuten, of in het pensioenreglement, dat "geen premie" resulteert in "geen recht". De verplichtstelling is immers - op verzoek van de sociale partners - tot stand gekomen om alle werknemers en werkgevers in de branche te binden. Die binding zou ernstig ondergraven worden indien premiebetaling daar een voorwaarde voor wordt." (Kamerstukken II, 2005/06, 30414, nr. 17 p. 44)

In geval van uitzonderlijke omstandigheden is het pensioenfondsen wel toegestaan om een uitzondering te maken op het uitgangspunt van 'geen premie, geen recht'. Voorbeelden van zodanige uitzonderlijke omstandigheden zijn blijkens de parlementaire geschiedenis

evidente gevallen van boos opzet bij werkgever en werknemer, of in geval sprake is van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw waarbij de werknemer de premie niet

betaalt (Kamerstukken II, 2005/06, 30414, nr. 3 p. 63). Naar aanleiding van vragen of sprake is van boos opzet als zowel de werkgever als de werknemer zich niet heeft aangemeld en als er ook geen premie is ingehouden bij de werknemer heeft de minister geantwoord:

"In antwoord op deze vraag zij in de eerste plaats opgemerkt, dat een werknemer zich niet bij het pensioenfonds hoeft te melden. Het is de verplichting van de werkgever om de pensioenregeling onder te brengen (…), in het geval van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds, zich aan te melden bij dat fonds. Indien een pensioenfonds in de hier geschetste casus zou "aannemen" dat er sprake is van boze opzet, die rechtvaardigt dat uitkering wordt geweigerd, zou dat fonds de essentie van zijn taak - het uitvoeren van de pensioenregeling - miskennen." (Kamerstukken I, 2006/07, 30413, C p. 15)

5.15. De Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen (hierna: VB) heeft tijdens de behandeling van het wetsvoorstel voor de PW voorgesteld om de consequentie van dit boos opzet in eerste instantie voor rekening van de werknemer te laten komen. Die dient volgens de VB de werkgever aan te spreken omdat deze niet aan zijn wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Het leek de VB 'alleszins redelijk' dat fouten van de werkgever voor rekening van de werkgever zouden komen. De minister wilde hier evenwel niet in mee gaan en heeft geantwoord:

"Het uitgangspunt bij verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen is, anders dan de VB stelt, nu juist dat de werknemer niet de dupe wordt van "boze opzet" van de werkgever. De door de sector aangevraagde en verkregen verplichting impliceert immers, dat alle werkgevers en alle werknemers in de branche wettelijk verplicht zijn in de pensioenregeling deel te nemen. Indien een werknemer - of zijn nabestaanden - zich bij het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds melden met het oog op het verkrijgen van een pensioenuitkering, hebben zij in principe dus recht op die uitkering (..)" (Kamerstukken I, 2006/07 30413 en 30655, E p. 5)

5.16. Uit de parlementaire geschiedenis betreffende de PW blijkt verder dat het niet toestaan aan verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen om het principe van 'geen premie, geen recht' te hanteren een voortzetting is van de lijn die ook reeds onder de PSW gold. Zo vermeldt de Nota naar aanleiding van het verslag:

"Anders dan uit de bijdrage (…) zou kunnen worden afgeleid, voert de regering op dit onderwerp in de Pensioenwet geen nieuw beleid. Het vorenstaande is staand beleid. Ook onder de vigerende wetgeving verdraagt een algemeen "geen premie-geen recht" beginsel zich niet goed tot het karakter van de (verplicht gestelde) pensioenfondsen. Dit vloeit niet zozeer voort uit de wet (PSW, de Pensioenwet) maar uit de wijze waarop het Nederlandse pensioenstelsel is ingericht. Er is derhalve geen sprake van "het vervallen van een bepaling", of van "een expliciete verankering" van dit onderwerp in de wet." (Kamerstukken II, 2005/06, 30413, nr. 17 p. 45)

en vermeldt de Memorie van Antwoord:

"De regering wijst er in de eerste plaats nogmaals op, dat de Pensioenwet ten opzichte van de PSW geen wijziging brengt in het geldende uitgangspunt "geen premie, wel recht".

Naar aanleiding van opmerkingen van de VB antwoordt de minister voorts:

"De regering ziet dan ook niet in, dat als gevolg van de Pensioenwet een nieuwe vorm van solidariteit zou kunnen ontstaan, die de benaming "pervers" zou verdienen. De regering begrijpt het voorstel van de VB aldus, dat de VB verplichtgestelde bedrijfstakpensioen-

fondsen een extra middel zou willen geven om op te treden tegen een werkgever die zijn werknemer(s) niet aanmeldt bij het fonds, te weten het weigeren van

pensioenuitkering aan die werknemers. Dit voorstel verdraagt zich niet met de Wet Bpf 2000, en kan reeds om die reden niet gehonoreerd worden. De regering meent dat het niet aangaat om werknemers de dupe te laten worden van een fout van de werkgever, tenzij sprake is, zoals hiervoor beschreven, van een evidente situatie van boze opzet." (Kamerstukken I, 2006/07, 30413, C p. 15)

5.17. De kantonrechter is van oordeel dat - alhoewel een daartoe strekkende verbodsbepaling in de PW ontbreekt - uit de parlementaire geschiedenis van de PW volgt dat het uitgangspunt 'geen premie, geen recht' zich niet verdraagt met de regeling betreffende verplichtstelling van deelneming in bedrijfstakpensioenfondsen zoals neergelegd in (thans) de Wet Bpf 2000 en (voorheen) de Wet Bpf. Met de overgang van de PSW naar de PW is daarin geen verandering gekomen. Dit betekent dat een werknemer die onder de verplichtstellingsbeschikking van een bedrijfstakpensioenfonds valt, behoudens evidente gevallen van "boze opzet", aanspraak heeft op pensioen, ook als de werkgever de werknemer (per abuis of met opzet) niet heeft aangemeld, als bij de werknemer geen premie is ingehouden en/of die premie niet is afgedragen. Dit betekent tevens dat de beperking op deze regel als neergelegd in artikel 4 van het pensioenreglement van BPF Meubel in strijd is met de wet. Door BPF Meubel zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het niet bekend zijn van [A] bij BPF Meubel als verplicht deelnemer in het fonds, het gevolg is van boos opzet aan de zijde van [A]. Uit het vorenstaande volgt dat [A] aanspraak heeft op pensioen jegens BPF Meubel over de gehele periode dat hij bij [Q] werkzaam was, tot aan 1 januari 1993 (de datum van overgang naar PF Wonen).

5.18. BPF Meubel heeft zich tot slot nog verweerd tegen de primaire vordering onder I. door aan te voeren dat deze vordering te weinig gespecificeerd is om toewijsbaar te zijn, omdat BPF Meubel de aanspraken van [A] niet kan berekenen zonder loonopgaven, terwijl [A] heeft aangegeven niet langer in het bezit te zijn van loonopgaven. Daargelaten dat BPF Meubel bij dupliek heeft nagelaten in te gaan op de nadere onderbouwing door [A] bij repliek - inhoudende dat het op de weg van BPF Meubel ligt om aan de hand van de toepasselijke CAO en gegevens van de belastingdienst en uitvoeringsorganisaties de nodige gegevens te achterhalen - zodat BPF Meubel haar verweer op dit punt niet gemotiveerd heeft gehandhaafd en daarom aan dit verweer voorbij kan worden gegaan, overweegt de kantonrechter ten overvloede als volgt. De vordering tot toekenning van pensioenaanspraken aan [A] strekt er niet toe dat BPF Meubel wordt veroordeeld een verschuldigde prestatie jegens [A] te verrichten waardoor hij alsnog pensioenaanspraken krijgt over de periode 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992, maar heeft het karakter van een verklaring voor recht dat [A] jegens BPF Meubel pensioenaanspraken over de desbetreffende periode heeft en ook steeds heeft gehad (vgl HR

3 februari 2012 (LJN: BT8462). De primaire vordering onder I. is daartoe voldoende specifiek. Het vorenstaande leidt ertoe dat de primaire vordering onder I. zal worden toegewezen.

5.19. De vordering sub II. tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals verzocht, nu [A] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat kosten gemaakt en de vordering door BPF Meubel niet inhoudelijk is bestreden.

5.20. BPF Meubel zal, als de in het ongelijk te stellen partij, in de kosten van [A] worden veroordeeld. De kantonrechter ziet in het belang en de complexiteit van de zaak

aanleiding om bij de bepaling van het salaris gemachtigde uit te gaan van het maximaal toe te kennen bedrag per punt voor een vordering met onbepaald belang.

De kosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- explootkosten EUR 543,84

- vast recht EUR 437,00

- salaris gemachtigde EUR 1.600,00 (2 ptn x EUR 800,00)

totaal EUR 2.580,84.

5.21. De toewijzing van de primaire vordering jegens BPF Meubel brengt met zich dat de subsidiaire vordering jegens PF Wonen en de meer subsidiaire vordering jegens [B c.s.] onbesproken kunnen blijven. Nu PF Wonen en [B c.s.] daarmee door [A] ten onrechte in de procedure zijn betrokken, zal [A] - zoals door PF Wonen en [Q] c.s. gevorderd - in de kosten van PF Wonen en [B c.s.] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PF Wonen en [Q] c.s. worden vastgesteld op (2 ptn x EUR 800,00) EUR 1.600,00 elk.

5.22. PF Wonen heeft voorts veroordeling van [A] in de nakosten gevorderd. [A] heeft hiertegen geen specifiek verweer gevoerd. Gezien het bij deze rechtbank in kantonzaken gehanteerde beleid dat de nakosten forfaitair worden begroot op een half salarispunt van het in de in de hoofdzaak toegewezen salaris, met een maximum van EUR 100,00, zal dit deel van de vordering worden toegewezen als nader in het dictum te bepalen.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1. veroordeelt BPF Meubel tot toekenning aan [A] van pensioenaanspraken over het tijdvak van 26 februari 1972 tot en met 31 december 1992;

6.2. veroordeelt BPF Meubel tot betaling aan [A] van een bedrag van EUR 1.785,00 inclusief BTW ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

6.3. veroordeelt BPF Meubel in de kosten van het geding aan de zijde van [A] tot op heden vastgesteld op EUR 2.580,84;

6.4. veroordeelt [A] in de kosten van het geding aan de zijde van PF Wonen en [B c.s.], tot op heden vastgesteld op EUR 1.600,00 elk;

6.5. veroordeelt [A] in de nakosten van PF Wonen indien niet binnen veertien dagen na heden vrijwillig aan dit vonnis is voldaan, begroot op EUR 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving door PF Wonen aan dit vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van de uitspraak;

6.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2013.?