Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ2440

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2013
Datum publicatie
27-02-2013
Zaaknummer
19/614039-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraudekamer is het niet eens met de stelling van de verdediging dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Wel heeft de rechtbank geconstateerd dat de opsporingsambtenaren niet alle door hen uitgevoerde opsporingshandelingen hebben beschreven en dat de officier van justitie een dossier van een andere strafzaak niet bij het dossier van de zaak Kastanje heeft kunnen voegen, maar de rechtbank verbindt hieraan geen rechtsgevolgen.

De rechtbank heeft beslist dat alle verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan meerdere strafbare feiten (valsheid in geschrifte, oplichting, witwassen en/of betrokkenheid bij hennepkwekerijen). De rechtbank gaat er van uit dat de verdachten deze feiten hebben gepleegd in het kader van een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Parketnummer: 19/614039-09

datum uitspraak: 26 februari 2013

op tegenspraak

Raadsman: mr. H.G.A.M. Halfers, advocaat te Rotterdam

VONNIS van de rechtbank Noord-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, zitting houdende te locatie Assen, in de zaak tegen:

[verdachte 3],

geboren op [adres 3] 1978 te [geboorteplaats],

wonende te [plaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 april 2010, 29 juni 2010, 27 juni 2011, 26 september 2011 en 4 oktober 2012 (start zitting).

TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 27 juni 2011 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1.

hij in of omstreeks de periode 01 februari 2008 tot en met 07 mei 2008 te Lelystad, Almere, Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (één of meer medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Florius (een onderdeel van de ABN AMRO Hypotheken Groep B.V.), althans ABN AMRO Hypotheken Groep B.V., heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 250.625,- (voor de aankoop/verbouwing van een huis) en/of tot het aangaan van een schuld (hypotheekovereenkomst),

hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (achtereenvolgens dan wel in een andere volgorde, maar wel in een onderlinge samenhang)

een (voorlopig) koopkontrakt heeft ondertekend betreffende het pand [adres 14] te Almere, en/of

- naar een tussenpersoon, [naam5] is gegaan (teneinde met behulp van die tussenpersoon een hypotheek af te sluiten) en (daarbij)

heeft aangegeven dat hij/verdachte de woning [adres 14] te Almere, althans een woning, wilde kopen en daarvoor een hypotheek wilde afsluiten, en/of

[naam 5] een aanvraag voor een hypotheek heeft doen indienen bij de assurantietussenpersoon/rechtspersoon EAC B.V., en/of een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek (voor de aanschaf van het pand [adres 14] te Almere) heeft gedaan, althans heeft laten doen, (via EAC BV) bij Florius, en/of

op die aanvraag heeft vermeld, althans doen vermelden, dat hij, verdachte, sinds 17 november 2007 fulltime in vaste loondienst was bij het bedrijf [bedrijf 11] (als senior financieel/administratief medewerker) en/of een bruto periodesalaris genoot van € 42.600,- alsmede een vakantiegeld

van € 3.408,- (terwijl verdachte nooit bij deze werkgever heeft gewerkt), en/of

een taxatierapport heeft laten opstellen betreffende het pand [adres 14] te Almere, en/of

een door Florius (naar aanleiding van genoemde aanvraag) aangeboden offerte voor een hypotheek (voor de aanschaf van het pand

[adres 14] te Almere), (op verzoek van Florius, ter acceptatie van de offerte) heeft ondertekend en/of heeft retourgezonden, althans retour heeft doen zenden, aan Florius, en/of

bij die ondertekende offerte heeft bijgevoegd, althans heeft doen bijvoegen, (onder meer) een valse en/of vervalste werkgeversverklaring en valse en/of vervalste salarisspecificatie, een rekeningafschrift (van een rekening op naam van verdachte), een kopie van het (voorlopig) koopkontrakt (betreffende [adres 14]) en/of een taxatierapport (betreffende [adres 14] en/of

naar een notaris is gegaan ter passering van de hypotheekakte en/of daarbij een handtekening heeft geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en/of

zich aldus heeft voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en/of inkomen, althans als zijnde een bonafide (potentiele) hypotheekgever met voldoende solvabiliteit,

waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovengenoemde schuld;

(art 326 SR)

Feit 2.

hij in of omstreeks de periode 30 november 2007 tot en met 19 januari 2010, in de gemeente Rotterdam, Dordrecht, Bergen op Zoom en/of elders in Nederland, op meerdere tijdstippen, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer voorwerpen, te weten

-de woning [adres 14] te Almere, en/of

- één of meer aantallen hennepplanten, en/of de inrichting van een hennepplantage (zoals lampen, bewateringsinstallatie), en/of één of meer geldbedragen, te weten

-hypotheekgelden (als bij voormelde woning ad € 250.625,-) en/of - maandelijkse (vermeende) loonbetalingen van de rechtspersoon [bedrijf 11] (€ 2.279,26 op 30 november 2007, 28 december 2007 en 24 januari 2008 en € 2,285,25 op 25 februari 2008, 25 maart 2008, 15 april 2008 en 20 mei 2008), en/of

-(ontvangen 22 mei 2008) een bedrag van € 25.281,- uit een persoonlijke lening afgesloten bij de rechtspersoon [bedrijf 12], en/of

-(ontvangen 27 mei 2008) een bedrag van € 32.789,- uit een persoonlijke lening afgesloten bij de rechtspersoon [bedrijf 13], en/of - diverse geldbedragen, door verdachte gestort op zijn bankrekening [nummer] (€ 1.200,- op 15 september 2008, € 1.000,- op 05 januari 2009, € 1.830 op 29 januari 2009, € 1.600,- en € 700,- en € 200,- op 02 maart 2009, € 1.980,- en € 1.500,- op 04 maart 2009, € 810,- op 04 mei 2009, € 1.200,- en € 1.000,- op 14 mei 2009 en/of € 1.020,- op 29 mei 2009), en/of

-(in of omstreeks de periode januari 2009 tot en met juli 2009) 3 keer een geldbedrag van € 5.000,-, althans een geldbedrag, (afkomstig van [verdachte 2]),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(art 420BIS, lid 1, sub b, SR)

Feit 3.

hij in of omstreeks de periode 01 juni 2008 tot en met 19 januari 2010 te Almere, in het pand [adres 14], meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt en/of verkocht, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 218, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

(art 3, sub B en C, OW)

Feit 4.

hij in of omstreeks de periode 01 mei 2007 tot en met 19 januari 2010 in de gemeente(n) Lelystad, Almere en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit het duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen

te weten (naast verdachte) de personen [verdachte 2], [verdachte 7], en/of één of meer andere (rechts)personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten - oplichting (als in artikel 326 lid 1, SR),

- valsheid in geschrifte en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften (als in artikel 225 lid 1 en 2, SR),

- het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, althans opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep (als in artikel 3, sub B en C, OW),

- witwassen (als in artikel 420bis, lid 1, sub a en b, SR);

(art 140 SR)

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde zal vrijspreken en ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot:

- een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Door de raadsman is samengevat het volgende verweer gevoerd.

De verdediging heeft gebaseerd op de Zwolsman- en Karmanjurisprudentie het recht om de stukken Beeruil te toetsen. Er is informatie uit Beeruil vergaard, de naam van een medeverdachte komt erin voor, te weten die van [verdachte 1], het is een processtuk en daarom heeft de verdediging recht op inzage. Er is in casu doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekortgedaan. De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De overwegingen van de rechtbank

Met betrekking tot de verplichting tot het opmaken van proces-verbaal

Uit de bij de rechter-commissaris door opsporingsambtenaren ([verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6]) enerzijds en fraudespecialisten van verschillende financiële instellingen (de Rabobank, Obvion, de Bank of Scotland en de ABN-AMRO) anderzijds afgelegde verklaringen blijkt dat er tussen beiden in de voorfase van het opsporingsonderzoek contacten zijn geweest, gesprekken hebben plaatsgevonden en informatie is uitgewisseld welke niet zijn geverbaliseerd. Evenmin is er in het procesdossier op andere wijze voorzien in verslaglegging van de betreffende bevindingen en verrichtingen van de opsporingsambtenaren. Evident is dat het, in ieder geval voor een deel, niet gaat om activiteiten tijdens verkennend onderzoek voorafgaand aan de opsporing maar om handelingen die hebben plaatsgevonden toen het opsporingsonderzoek al was opgestart. De inhoud van die verrichtingen en bevindingen maakt geen deel uit van het procesdossier, terwijl dit wel had gemoeten, en deze is aldus onthouden aan de rechtbank en de verdediging.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opsporingsambtenaren met betrekking tot laatstbedoelde verrichtingen en bevindingen niet hebben voldaan aan de op grond van artikel 152 Sv op hen rustende verplichting (ten spoedigste) proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

Met betrekking tot de zaak/het dossier Beeruil

Op verzoek van de betreffende raadslieden heeft de rechtbank tijdens regiezittingen de zaken van een aantal verdachten in de zogeheten Kastanjezaak verwezen naar de rechter-commissaris van de rechtbank Assen voor het horen van getuigen.

De rechtbank heeft de rechter-commissaris ook in staat gesteld al datgene te verrichten dat hij in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht. Het door de rechter-commissaris uitgevoerde onderzoek heeft er toe geleid dat hij in dit kader alsnog een aantal verbalisanten en medewerkers van het Openbaar Ministerie, onder wie dhr. [verbalisant 1], ambtenaar van politie en als projectleider werkzaam bij de BRNON, en dhr. [verbalisant 7], inspecteur van politie en coördinator van het fraudemeldpunt van de regiokorpsen Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland-Zuid, heeft gehoord.

[verbalisant 1] heeft op 5 september 2012 ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige een verklaring afgelegd over het zogeheten onderzoek Beeruil, dat heeft gespeeld in de regio Zuidwest-Nederland. Hij heeft onder meer verklaard - kort samengevat- dat de zaak Beeruil een soortgelijk fraudeonderzoek als de zaak Kastanje betrof, dat een aantal namen van dezelfde (rechts)personen in beide onderzoeken werden genoemd, dat hij uit Rotterdam informatie uit de zaak Beeruil die was neergelegd in een journaal heeft ontvangen en dat hij niet meer weet of hij de beschikking heeft gehad over een fysiek dossier van Beeruil.

[verbalisant 7] heeft op 26 september 2012 ten overstaan van de rechter-commissaris als getuige een verklaring afgelegd over het onderzoek Beeruil, een onderzoek dat heeft gespeeld in zijn regio, en over de inhoud van alsook de gang van zaken met betrekking tot het dossier in de zaak Beeruil. Hij heeft onder meer verklaard dat hij contact heeft gehad met [verbalisant 1] over Beeruil in relatie tot het onderzoek Kastanje, dat Beeruil bestond uit vier ordners en dat die ordners in april 2007 zijn opgehaald door onder andere [verbalisant 1].

Uit de processen-verbaal van verrichtingen en bevindingen van 27 september 2012 en 3 oktober 2012 blijkt dat de rechter-commissaris nader onderzoek heeft laten verrichten naar het dossier in de zaak Beeruil. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat niet is voldaan aan het verzoek van de rechter-commissaris om de vier ordners aan hem te overhandigen, omdat de ordners niet meer aanwezig zijn.

Wel heeft de rechter-commissaris de beschikking gekregen over het "Journaal Beeruil", dat hij bij het onderhavige procesdossier heeft gevoegd. Het betreft -kort gezegd- een overzicht van personen, organisaties, documenten met betrekking tot de aankoop/verkoop van onroerende zaken en het afsluiten van hypothecaire leningen die zouden hebben plaatsgevonden in Zuidwest-Nederland. Daarnaast wordt er melding gemaakt van gedane aangiften.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 5 oktober 2012 de officier van justitie verzocht in een op te maken proces-verbaal zijn stelling dat het dossier in de zaak Beeruil is vernietigd te onderbouwen.

Uit het dientengevolge opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie van 12 oktober 2012 blijkt -kort samengevat- dat [verbalisant 1] op 17 januari 2007 door middel van een e-mailbericht aan [verbalisant 7] heeft gevraagd om informatie uit de zaak Beeruil ten behoeve van de Kastanjezaak. Op 26 april 2007, zo blijkt uit het bij het proces-verbaal gevoegde mutatiebericht, zijn [verbalisant 8], werkzaam als informatiemedewerker bij het fraudemeldpunt van het Parket Zwolle-Lelystad, en [verbalisant 1] naar Capelle gereden om het dossier Beeruil op te halen. Het dossier Beeruil, dat kennelijk bestaat uit vier ordners, is daar door de medewerker [verbalisant 9] uit het archief gehaald en door [verbalisant 8] in ontvangst genomen.

Uit dat proces-verbaal blijkt ook dat de officier van justitie in oktober 2012 bij het Parket Zwolle-Lelystad en door [verbalisant 1] bij de politie onderzoek heeft laten doen naar het dossier Beeruil. [verbalisant 1] heeft de officier van justitie gemeld dat hij geen proces-verbaal van vernietiging ter zake van het dossier Beeruil heeft opgemaakt. [verbalisant 8] heeft in het huidige archief en kasten binnen het Parket Zwolle-Lelystad zonder resultaat gezocht naar het dossier Beeruil. Hij geeft in het aan de officier van justitie verzonden e-mailbericht van 11 oktober 2012 aan dat hij zich na een dergelijk lange tijd niet meer kan herinneren dat hij de mappen Beeruil heeft opgehaald in Rotterdam. Het dossier in de zaak Beeruil is niet gevonden. Ook heeft de officier van justitie [verbalisant 7] gevraagd of er op zijn eenheid een proces-verbaal van vernietiging van het dossier Beeruil is opgemaakt. [verbalisant 7] heeft de officier van justitie bericht dat een dergelijk proces-verbaal niet is opgemaakt. Het dossier Beeruil staat niet bij hem in het archief, terwijl de andere dossiers uit 2005 er nog wel zijn.

[verbalisant 1], [verbalisant 7] en de zaaksofficier van justitie mr. J.A.M.M. Francissen zijn als getuige gehoord op de terechtzitting van de rechtbank van 29 oktober 2012.

De zaaksofficier van justitie heeft -kort weergegeven- verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij tijdens het opsporingsonderzoek het dossier in de zaak Beeruil heeft gezien en ook niet dat hij heeft waargenomen dat gegevens uit dat dossier zijn gebruikt in het onderzoek in de zaak Kastanje. Hij had er geen wetenschap van dat het dossier in de zaak Beeruil is opgehaald door [verbalisant 1] en [verbalisant 8]. Hij heeft verder verklaard dat alles wat hij van de zaak Beeruil weet in het procesdossier van de Kastanjezaak is gerelateerd en dat hij geen overleg heeft gehad met opsporingsfunctionarissen over de zaak Beeruil. Hij kan zich niet herinneren dat hij bewust iets met gegevens uit de zaak Beeruil heeft gedaan ten behoeve van het onderzoek in de zaak Kastanje.

[verbalisant 7] heeft -kort gezegd- verklaard dat het dossier Beeruil niet meer dan 4 ordners omvatte en dat dit dossier in 2007 aan [verbalisant 8] is overhandigd. Hij heeft verder verklaard dat dit dossier niet is teruggekomen en ook niet op zijn eenheid kan zijn vernietigd omdat de dossiers uit dezelfde tijd nog steeds in het archief aanwezig zijn. Het opgemaakte journaal is volgens hem een volledige samenvatting van de inhoud van het dossier. De zaak Beeruil heeft niet tot een strafrechtelijk onderzoek geleid omdat de verantwoordelijke landelijke stuurgroep hiervan heeft afgezien. Er zijn in de zaak Beeruil geen verdachten of getuigen gehoord.

[verbalisant 1] heeft onder meer verklaard -kort gezegd- dat de zaak Beeruil niet is meegenomen in de zaak Kastanje en dat de basis voor het Kastanjeonderzoek de 9 aangiften van de Rabobank is geweest.

De rechtbank gaat er op grond van het hiervoor vermelde vanuit dat [verbalisant 1] en [verbalisant 8] het dossier in de zaak Beeruil (bestaande uit 4 ordners) in 2007 bij de eenheid van de politie in Zuidwest-Nederland hebben opgehaald ten behoeve van het onderzoek in de zaak Kastanje, dat dit dossier niet op een later tijdstip is teruggeven aan die eenheid van de politie en dat er geen reden is om aan te nemen dat het dossier (in verband met het verstrijken van een bepaalde termijn) is vernietigd.

Uit de processen-verbaal van de rechter-commissaris van 27 september 2012 en 3 oktober 2012 komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat hij de officier van justitie heeft verzocht om het dossier in de zaak Beeruil aan hem te overhandigen, opdat hij zou kunnen beoordelen of dit dossier relevante informatie bevat welke aan het procesdossier Kastanje dient te worden toegevoegd. Aan dit verzoek heeft de officier van justitie ondanks pogingen om dit te bewerkstelligen niet kunnen voldoen. Ook in een later stadium heeft de officier van justitie, zo blijkt uit het door hem opgemaakte proces-verbaal, zich ingespannen het dossier in de zaak Beeruil in handen te krijgen. Dit heeft niet tot resultaat geleid en hij is niet bij machte gebleken om het dossier in de zaak Beeruil geheel of ten dele bij het procesdossier van het onderzoek Kastanje te voegen, in het geval hij dat na bestudering van dat dossier geïndiceerd zou hebben geacht.

Rechtsgevolgen van de niet-naleving van artikel 152 Sv en het niet voorhanden kunnen krijgen van het dossier in de zaak Beeruil.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechter-commissaris noch de rechtbank de officier van justitie hebben verzocht, laat staan opgedragen, om het dossier in de zaak Beeruil (ten dele) te voegen bij het procesdossier in de zaak Kastanje.

Wel heeft de rechtbank kenbaar gemaakt dat er vragen zijn gerezen met betrekking tot de start van het onderzoek, in het bijzonder de vraag of bij die start gegevens uit het dossier in de zaak Beeruil zijn gebruikt.

De rechter-commissaris heeft de officier van justitie wel verzocht om het dossier in de zaak Beeruil aan hem over te dragen, maar de rechtbank gaat er vanuit dat hij dit verzoek heeft gedaan om te kunnen beoordelen of dat dossier relevante informatie bevatte die van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak Kastanje.

Bij beantwoording van de vraag of, en zo ja welke, consequenties verbonden moeten worden aan de omstandigheid dat het dossier in de zaak Beeruil niet meer voorhanden is en dus niet gevoegd kan worden bij het dossier in de zaak Kastanje, acht de rechtbank essentieel het antwoord op de daaraan voorafgaande vraag of gegevens uit het dossier in de zaak Beeruil een initiërende en/of sturende rol hebben gespeeld bij de start van het onderzoek in de zaak Kastanje. Om die vraag onder de gegeven omstandigheden te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank er mee ingestemd dat de zaaksofficier van justitie mr. Francissen en de verbalisant [verbalisant 1] als getuige ter terechtzitting worden gehoord. Uit de door hen afgelegde verklaringen valt op geen enkele wijze af te leiden dat gegevens uit het dossier in de zaak Beeruil enige rol van betekenis hebben gespeeld bij de start van het onderzoek in de zaak Kastanje. Evenmin blijkt een dergelijke rol uit de door [verbalisant 8], die werkzaam is bij het Openbaar Ministerie en het dossier Beeruil in ontvangst heeft genomen, bij de rechter-commissaris en in zijn e-mail van 11 oktober 2012 afgelegde verklaring. Ook overigens komt een dergelijke rol niet overtuigend naar voren in de door de andere opsporingsambtenaren of medewerkers van het Openbaar Ministerie bij de rechter-commissaris als getuige afgelegde verklaringen.

Om het bestaan van die, door de verdediging veronderstelde, rol helemaal uit te sluiten acht de rechtbank het van belang te bezien of het op basis van de gegevens die blijken uit het wel aanwezige procesdossier in de zaak Kastanje voor de rechtbank en de verdediging voldoende verifieerbaar en controleerbaar is op welke wijze de verdenking tegen de verdachte is ontstaan.

De rechtbank komt hieronder nader op terug.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat er sprake is van schending van het vormvoorschrift zoals dat is weergegeven in artikel 152 Sv.

Ten aanzien van de toepassing van de in lid 1 van artikel 359a Sv opgenomen rechtsgevolgen bij vormverzuimen, wordt in lid 2 van dat artikel bepaald dat de rechtbank rekening dient te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Uit de jurisprudentie komt naar voren dat in geval van vormverzuimen slechts in uitzonderlijke gevallen de door de verdediging bepleite niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie aan de orde is. Indien er sprake is van ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde kan dit leiden tot niet-ontvankelijkheid. Een zo vergaande sanctie kan volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996,249). Ook in gevallen van inbreuk waardoor weliswaar de belangen van de verdachte niet wordt geschaad maar waar er wel sprake van is dat het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, dient de sanctie van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te worden uitsproken (HR 1 juni 1999. NJ 1999,567).

Bij de beantwoording van de vraag of in casu de door de verdediging bepleite niet- ontvankelijkheid (of een andere in artikel 359a Sv vermelde sanctie) dient te volgen is van belang of, en zo ja in hoeverre, de verdachte en verdediging daadwerkelijk in hun belangen zijn geschaad door de onderhavige niet-naleving van artikel 152 Sv.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak, waarbij het Openbaar Ministerie is tekortgeschoten in de verplichting relevante handelingen en verrichtingen bij de start van het onderzoek te verbaliseren, ook bij die beantwoording cruciaal of, ondanks de geconstateerde schending, op basis van het aanwezige procesdossier in de zaak Kastanje voor de rechtbank en de verdediging verifieerbaar en controleerbaar is op welke wijze de verdenking ten aanzien van verdachte is gerezen.

Op basis van het aanwezige procesdossier in de zaak Kastanje kan -zakelijk weergegeven- het volgende worden vastgesteld:

De Rabobank heeft naar aanleiding van een brand in een woning in Nieuw Weerdinge, waar een hennepkwekerij werd aangetroffen en ten aanzien waarvan de aflossingen van de ten behoeve van die woning afgesloten hypothecaire lening vervolgens stopten, intern onderzoek gedaan naar mogelijke hypotheekfraude ten aanzien van de financiering van die woning. De bank heeft ook de mogelijke fraude met betrekking tot de financiering van acht andere woningen in het interne onderzoek betrokken. In zeven van die woningen is door de politie een (ontmantelde) hennepkwekerij aangetroffen.

Naar aanleiding van dit interne onderzoek heeft de Rabobank in het najaar van 2006 aangifte gedaan van negen gevallen van zogenaamde hypotheekfraude. In de onderscheiden aangiftes wordt door de bank verklaard -kort gezegd- dat zij vermoedt dat de bij die bank afgesloten hypothecaire lening is verkregen door overlegging van één of meerdere valse werkgeversverklaringen en valse loonspecificaties welke afkomstig zijn van de ondernemingen [bedrijf 5] BV of [bedrijf 2]. Er wordt in die aangiften uitgebreid en gedetailleerd aangegeven op welke wijze de fraude zou hebben plaatsgevonden en welke personen en bedrijven daarbij betrokken zouden zijn. Op de bij die aangiften gevoegde werkgeversverklaringen staat als werkgever en ondertekenaar [verdachte 5] vermeld en ze zijn voorzien van een firmastempel. [verdachte 5] was volgens het uittreksel uit het voor een ieder toegankelijke handelsregister van de Kamer van Koophandel algemeen directeur van [bedrijf 5] B.V. en de eenmanszaak [bedrijf 2] werd voor zijn rekening gedreven.

Ter verkrijging van een hypothecaire lening voor één die woningen (adres 2] te Nieuwegein), zo blijkt uit de betreffende aangifte van de Rabobank, twee werkgeversverklaringen overgelegd. Één van die werkgeversverklaringen is afkomstig van [bedrijf 5] BV, waarop als werkgever en ondertekenaar [verdachte 5] staat vermeld. De andere werkgeversverklaring is afkomstig van het bedrijf [bedrijf 7] BV. Als werkgever en ondertekenaar staat daarop [verdachte 4] vermeld. Uit het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [verdachte 4] bestuurder en enig aandeelhouder van deze onderneming was.

Het vestigingsadres van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 5] BV is [adres 18] in Breda. Dit is volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel ook het vestigingsadres van de eenmanszaak [bedrijf 6]. Deze onderneming heeft een werkgeversverklaring ten name van [verdachte 2] overgelegd ter verkrijging door [verdachte 2] van een hypothecaire lening bij Fortis ASR ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 6] te Dordrecht. Deze onderneming wordt gedreven voor rekening van [verdachte 1]. Ook in deze woning is een hennepkwekerij aangetroffen. De hypotheeknemer Fortis ASR heeft aangifte gedaan van hypotheekfraude. Datzelfde adres, [adres 18] te Breda, heeft volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel ook gegolden als vestigingsadres van de onderneming [bedrijf 10] BV. [verdachte 2] is enig aandeelhouder van deze onderneming. Deze onderneming heeft facturen verschaft om gelden uit het bouwdepot te verkrijgen met betrekking tot de woningen aan de [adres 9] te Zwaag, de [adres 5] te Rotterdam en de [adres 17] te Bergen op Zoom. De [adres 5] te Rotterdam is een woning die [verdachte 2] samen met zijn toenmalige vriendin heeft aangekocht. De woning is gefinancierd met gelden uit een bij de ABN-AMRO bank afgesloten hypothecaire lening. Om die lening te verkrijgen is onder meer een werkgeversverklaring en loonspecificaties overgelegd afkomstig van [bedrijf 8] BV, een bedrijf waarvan [verdachte 4] enig aandeelhouder en bestuurder was. Ook hier is een hennepkwekerij aangetroffen. De bank heeft aangifte gedaan van hypotheekfraude. De woning aan de [adres 17] te Bergen op Zoom is een woning die is aangekocht door [verdachte 8] en [verdachte 9], de ouders van [verdachte 2]. Ter verkrijging van een hypothecaire lening bij de Postbank NV hebben zij ieder een werkgeversverklaring overgelegd van de onderneming [bedrijf 4] BV, waarvan [verdachte 2] volgens het handelsregister van de Kamer van Koophandel enig aandeelhouder is geweest. De ouders [verdachte 8] en [verdachte 9] hebben met een werkgeversverklaring en loonspecificaties van datzelfde bedrijf nog twee woningen gekocht, namelijk de woningen aan de [adres 15] te Rotterdam en aan de [adres 16] te Etten-Leur. Ook in deze woningen is telkens een hennepkwekerij aangetroffen en is door de financiële instellingen aangifte gedaan van hypotheekfraude. De aankoop van de woning aan de [adres 9] te Zwaag is gefinancierd met een hypothecaire lening van GMAC Hypotheek Kombin BV. Bij het afsluiten is en werkgeversverklaring en loonspecificaties overgelegd afkomstig van [bedrijf 5], het bedrijf waarvan [verdachte 5] algemeen directeur is. Er is in deze woning een hennepkwekerij aangetroffen en de hypotheeknemer heeft aangifte van hypotheekfraude gedaan.

In één van de aangiften van de Rabobank (met betrekking tot de woning aan de [adres 3] te Tytsjerk) wordt aangegeven dat in het dossier een aantekening is gevonden bij de hypotheekbesprekingen een tolk genaamd "[naam 1]" is opgetreden. Mogelijk zo wordt in die aangifte gerelateerd betreft het hier [verdachte 1], die eigenaar is van [bedrijf 6], gevestigd op het adres [adres 18] te Breda.

Nadat [verdachte 2] in april 2009 was aangehouden in het bedrijfspand [adres 19] te Almere in verband met een daar aanwezige hennepkwekerij, heeft het onderzoeksteam Kastanje, zo blijkt uit het proces-verbaal, zich gericht op nader onderzoek naar [verdachte 2], die toen al op grond van de eerdere hierboven weergegeven bevindingen als verdachte werd aangemerkt. Uit het vervolgens ingestelde onderzoek (observaties en taps) bleek dat hij regelmatig contact had met [verdachte 7] en dat door hen beiden materialen werden gehaald bij de bouwmarkt en dat deze werden vervoerd naar de woning van [verdachte 7]. Er was het vermoeden dat ze deze materialen gebruikten voor de aanbouw van een hennepkwekerij. In oktober 2009 is er in die woning een hennepkwekerij aangetroffen. Ook is uit dit onderzoek gebleken dat [verdachte 2] regelmatig telefonisch contact heeft gehad met [verdachte 3] die volgens de verbalisanten te maken zouden kunnen hebben met de verbouw van hennep in de woning van [verdachte 3]. In deze gesprekken komt ook de financiële relatie tussen [verdachte 3], [verdachte 7] en [verdachte 2] aan de orde. Uit dit onderzoek komt ook naar voren dat er telefonisch gesprekken hebben plaatsgevonden tussen [verdachte 2]en zijn vader [verdachte 8] die volgens de verbalisanten duiden op de verbouw van hennep, waarbij [verdachte 8] en [verdachte 9] betrokken zouden kunnen zijn. Ook is de Rabobankrekening van [verdachte 3] onderzocht. Daaruit bleek een financiële relatie tussen [verdachte 3] en onder meer [verdachte 2] en [verdachte 7]. In zowel de woning van [verdachte 7] als [verdachte 3] is een hennepkwekerij aangetroffen. Ten aanzien van de financiering van de woningen hebben de financiële instellingen (Sparck Hypotheken BV en Florius) aangifte gedaan van hypotheekfraude.

Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van de informatie die zich in het aanwezige procesdossier van de Kastanjezaak bevindt, uitgaande van de naar aanleiding van een intern onderzoek gedane aangiften van Rabobank, op logische en begrijpelijke wijze verifieerbaar en controleerbaar langs welke weg het redelijk vermoeden van schuld aan strafbare feiten ten aanzien van verdachte (en de hiervoor genoemde andere medeverdachten in de Kastanjezaak) is gerezen.

Dit bevestigt het eerder op grond van de verklaringen van de getuigen [verbalisant 1] en Francissen door de rechtbank ingenomen standpunt dat het dossier in de zaak Beeruil geen initiërende en/of sturende rol heeft gespeeld bij de start van het onderzoek in de zaak Kastanje en dat de verdediging en verdachte niet daadwerkelijk in hun belangen zijn geschaad door de omstandigheid dat de officier van justitie het dossier in de zaak Beeruil niet voorhanden heeft kunnen krijgen en geheel of te dele aan het dossier in de zaak Kastanje heeft kunnen toevoegen.

Dit leidt daarnaast tot het oordeel van de rechtbank dat verdachte en de verdediging evenmin daadwerkelijk in hun belangen zijn geschaad door de eerder door de rechtbank geconstateerde schending van artikel 152 Sv. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat [betrokkene 2], analist bij de Rabobank, bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat er tussen de banken interbancair overleg met betrekking tot hypotheekfraude bestond, dat de Rabobank aangifte heeft gedaan op basis van het interne onderzoek van die bank en dat hij als intermediair naar andere banken is opgetreden en dat er gegevens zijn uitgewisseld. Ook [betrokkene 3], fraudespecialist bij de ABN-AMRO bank, geeft bij de rechter-commissaris aan dat de fraudeafdelingen van de banken regelmatig onderling contact hebben om gezamenlijk hypotheekfraude te bestrijden. [betrokkene 4], fraudecoördinator bij de Bank of Scotland, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat naar aanleiding van een gesprek met genoemde [betrokkene 2] en door hem verstrekte informatie, door de Bank of Scotland een onderzoek naar hypotheekfraude is gestart, en dat zij er vanuit gaat dat de Bank of Scotland later dezelfde informatie van de BRNON heeft gekregen. Op grond van deze verklaringen neemt de rechtbank aan dat de aangiften van de andere financiële instellingen hun grondslag hebben gevonden in dit interbancair overleg over hypotheekfraude en de binnen dat overleg namens de Rabobank verstrekte informatie, alsmede daarop volgend intern onderzoek door die financiële instellingen, en dat deze aangiften niet zijn geïnitieerd en/of wezenlijk zijn gestuurd door de hierboven bedoelde contacten, gesprekken en uitgewisselde informatie die hebben plaatsgevonden tussen de medewerkers van die financiële instellingen enerzijds en opsporingsambtenaren anderzijds, waarvan door de verbalisanten niettemin op grond van artikel 152 Sv proces-verbaal had moeten worden opgemaakt.

Er kan naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden niet worden gesproken van ernstige schending van de beginselen van procesorde en evenmin kan worden gezegd dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt, door de hiervoor omschreven niet-naleving van artikel 152 Sv en het niet voegen door de officier van justitie van het dossier in de zaak Beeruil bij het procesdossier in de zaak Kastanje. Niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie is mitsdien niet aan de orde. Evenmin acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden een ander rechtsgevolg (strafverlaging of bewijsuitsluiting) op zijn plaats.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de constatering door de rechtbank dat artikel 152 Sv is geschonden.

Het verweer van de verdediging dient te worden verworpen.

Bewijsoverwegingen

Met betrekking tot feit 1

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit feit uit van de navolgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit het procesdossier en hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting is.

Op 7 mei 2008 heeft de ABN-AMRO Hypotheken Groep BV, tevens handelend onder de naam Florius (hierna te noemen Florius), gevestigd te Amersfoort, een hypotheek gevestigd op een woning aan de [adres 14] te Almere ten behoeve van de verdachte [verdachte 3]. De verdachte [verdachte 3] had bij zijn aanvraag om een hypothecaire lening een werkgeversverklaring overgelegd van het bedrijf [bedrijf 11] Administratie, gedateerd op 3 maart 2008 en getekend met de naam [naam 9]. De werkgeversverklaring vermeldt onder meer dat [verdachte 3] sinds 5 november 2007 in dienst is bij het bedrijf [bedrijf 11] Administratie als senior fin/adm medewerker, dat hij een arbeidsovereenkomst heeft voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst tegen een bruto jaarsalaris van € 49.842,-, inclusief vakantiegeld. Daarnaast heeft de verdachte [verdachte 3] een salarisspecificatie overgelegd.

Op 3 juni 2009 heeft Florius aangifte gedaan van vermoedelijke hypotheekfraude. Daarbij is onder meer gesteld dat door het overleggen van bovengenoemde werkgeversverklaring en salarisspecificatie aanvankelijk aannemelijk was gemaakt dat de verdachte [verdachte 3] in dienst was bij [bedrijf 11] Administratie en dat hij inkomsten uit arbeid voor dat bedrijf verkreeg tegen het opgegeven salaris.

Naar aanleiding van een doorzoeking op 19 januari 2010 op het adres [adres 14] te Almere is aldaar een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte [verdachte 3] is op dezelfde dag buiten heterdaad aangehouden in Rotterdam.

De verdachte [verdachte 3] heeft verklaard dat met behulp van [verdachte 2] de woning aan de [adres 14] te Almere heeft gekocht, dat hij op dat moment werkloos was en geen inkomsten had, dat de voor de hypotheekverstrekking benodigde werkgeversverklaring en de loonstrookjes vals waren en dat de valse bescheiden zijn aangeleverd door [verdachte 2]. Vervolgens is door [verdachte 2] een hennepkwekerij op dat adres ingericht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting door middels de in de tenlastelegging omschreven valse voorstelling van zaken Florius te bewegen tot het verstrekken van een geldbedrag voor de aankoop van het betreffende huis en het aangaan van een hypothecaire lening.

De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 2

De rechtbank stelt vast dat uit het bewezenverklaarde feit 1 volgt dat de verdachte [verdachte 2] zich tezamen en vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan oplichting van de hypotheekverstrekker en, zoals hierna blijkt, aan het opzettelijk telen met anderen van hennep op het betreffende adres. Als gevolg hiervan heeft de verdachte [verdachte 2] zich schuldig gemaakt aan witwassen ten aanzien van zowel de verkregen woning als de zich in die woning bevindende hennepkwekerij, alsmede zijn verdiensten (drie keer een geldbedrag van

€ 5.000,--) voor de door hem in die kwekerij verrichte werkzaamheden.

Tevens is uit het onder 1 bewezen feit gebleken dat de verdachte [verdachte 2] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring en loonstrookjes ter verkrijging van een hypotheek voor de woning aan de [adres 14] te Almere. De verdachte [verdachte 2] heeft verklaard dat hij dezelfde loonstrookjes eveneens heeft gebruikt ter verkrijging van de persoonlijke leningen dan wel doorlopende kredieten van de financieringsmaatschappijen [bedrijf 12] en [bedrijf 13]. De uit die leningen verkregen gelden heeft hij in gedeelten doorgesluisd naar medeverdachte [verdachte 2], de persoon die in de woning van verdachte [verdachte 3] de hennepkwekerij heeft ingericht en geëxploiteerd.

Ook heeft de verdachte [verdachte 3] erkend dat hij bedragen van [verdachte 2] heeft gekregen en dat hij deze vervolgens contant op zijn bankrekening heeft gestort om daar vervolgens een groot aantal betalingen voor[verdachte 2] vanaf die bankrekening mee te verrichten, voor kosten die [verdachte 2] moest maken. Nu deze kosten volgens de verdachte Man te maken hadden met de woning aan de [adres 14] (in welke woning [verdachte 2] een hennepkwekerij exploiteerde), dan wel de daarop betrekking hebbende hypotheek, en hij deze kosten niet zelf kon dragen, heeft de verdachte [verdachte 3] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze gelden uit enig misdrijf afkomstig waren.

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Met betrekking tot feit 3

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit feit uit van de navolgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Naar aanleiding van het binnentreden van de woning in het perceel [adres 14] te Almere ter aanhouding van [verdachte 3] en ter inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen is op 19 januari 2010 tijdens de doorzoeking op verschillende slaapkamers een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, onder meer bestaand uit 218 planten.

De verdachte [verdachte 3], de eigenaar van de woning aan [adres 13] te Lelystad, en [verdachte 2] hebben bij de politie erkend betrokken te zijn geweest bij de daar aangetroffen hennepkwekerij. De verdachte [verdachte 3] heeft verklaard dat hij moest wachten met het bewonen van dit huis, totdat - naar hij later verklaarde - [verdachte 2] samen met anderen de hennepkwekerij in die woning had aangelegd. Daarbij was het de taak van de verdachte [verdachte 3] om de planten water te geven en op te passen. Hij zou hiervoor € 5.000,- per oogst ontvangen, bedoeld om zijn onkosten te betalen en voor het overige als verdiensten. De verdachte [verdachte 3] heeft voor drie van de zes voltooide oogsten betaald gekregen, in totaal derhalve

€ 15.000,-.

De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 4

De raadsman van verdachte heeft zich -zakelijk weergegeven- op het standpunt gesteld dat de verdachte [verdachte 3] geen deel uitmaakt van een criminele organisatie. De raadsman heeft in dit verband gesteld dat de verdachte [verdachte 3] slechts de persoon was, die de plantjes in de wietplantage water gaf. Hij is door [verdachte 2] in het criminele circuit beland en verdachte 2[ is de enige persoon die hij daarin kent. De verdachte ontkent dat hij op de hoogte was van een criminele organisatie en niet is gebleken dat het anders was, aldus de raadsman.

Ook de officier van justitie is de mening toegedaan dat er geen bewijs is dat er een in de tenlastelegging omschreven criminele organisatie heeft bestaan.

In tegenstelling tot de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie met andere personen, waaronder in ieder geval [verdachte 2] en [verdachte 7]. Door [verdachte 3] en [verdachte 7] zijn met valse bescheiden woningen aangekocht, waarin vervolgens hennepkwekerijen zijn ingericht. Uit de verklaring van [verdachte 3] blijkt dat [verdachte 2] heeft gezorgd voor valse bescheiden. Ook [verdachte 7]verklaart dat hij wist dat hij met een valse werkgeversverklaring een hypothecaire lening heeft afgesloten. Uit de verklaringen van [verdachte 3] en [verdachte 7] komt ook de betrokkenheid van [verdachte 2] bij de hennepkwekerijen naar voren. Uit die verklaringen blijkt dat [verdachte 2] betrokken is geweest bij de opbouw en exploitatie van deze kwekerijen. [verdachte 2] erkent bij de politie ook zelf dat hij een actieve rol heeft gespeeld bij de hennepteelt in beide woningen.

Hoewel, voor zover valt te overzien, het aantal hiervoor beschreven strafbare feiten en het aantal daarbij betrokken personen relatief beperkt is gebleven, is er naar het oordeel van de rechtbank wel sprake van een georganiseerd samenwerkingsverband met een zekere bestendigheid, dat tot doel had om via valsheid in geschrifte of oplichting financiële instellingen ertoe te bewegen hypothecaire leningen te verstrekken, waarmee vervolgens woningen werden gefinancierd die werden gebruikt voor het inrichten van hennepkwekerijen.

Het gaat immers om in ieder geval meerdere woningen die op de hiervoor omschreven wijze zijn verkregen en waarin vervolgens hennepkwekerijen zijn ingericht. Ook zijn er, zo blijkt uit de verklaring van [verdachte 3], oogsten geweest. In de woning van [verdachte 7] is door de politie een groot aantal hennepstekken aangetroffen, hetgeen er op duidt dat het de bedoeling was om andere kwekerijen te voorzien van de nodige hennepplanten. Ook heeft [verdachte 2] verklaard dat hij aarde heeft gebracht bij een hennepkwekerij in een ander pand (in een [naam7]-restaurant). Ook komt uit het onderzoek van de politie naar voren dat er meerdere contante geldstromen hebben plaatsgevonden tussen [verdachte 3] en [verdachte 2]. De rechtbank gaat er van uit dat deze geldstromen verband houden met de hiervoor beschreven criminele activiteiten. Uit telefoontaps tussen [verdachte 3] en [verdachte 2] blijkt dat tussen beiden wordt gesproken over geldbedragen, het aflossen van de hypothecaire lening, het knippen van hennep en over een "gestolen" oogst. Ook blijkt uit taps van telefoongesprekken tussen [verdachte 2] en [verdachte 7] dat er tussen beiden wordt gesproken over knippen en prijzen, over de leverancier van stekken ([naam 8]). Uit door de politie uitgevoerde observaties blijkt dat [verdachte 2] in de auto van [verdachte 3] zakken ophaalt bij de growshop, dat hij tassen brengt naar [verdachte 14], de beheerder van een coffeeshop in Amsterdam en dat [verdachte 3] en [verdachte 2] planken hebben gehaald bij de Gamma ten behoeve van de hennepkwekerij in de woning van [verdachte 3].

Het organisatorische karakter van het samenwerkingsverband leidt de rechtbank met name af uit de door [verdachte 3] bij de politie afgelegde verklaring. Hij geeft aan dat hij slechts een ondergeschikte en ondersteunende rol bij de hennepteelt in zijn woning heeft gespeeld, dat hem voor zijn diensten door [verdachte 2] een geldbedrag in het vooruitzicht werd gesteld, dat hij handelde in opdracht van [verdachte 2], dat [verdachte 2] samenwerkte met [verdachte 7], dat beiden evenveel te zeggen hadden en dat de opbrengst uit de verkoop van hennep werd verdeeld tussen [verdachte 2] en [verdachte 7]. Uit hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank af dat de rol van [verdachte 3] in het kader van de criminele organisatie weliswaar niet meer dan ondersteunend is geweest, maar dat hij zich wel degelijk bewust is geweest van het meeromvattende criminele verband waarin hij opereerde. Op grond van het hiervoor vermelde gaat de rechtbank er van uit dat [verdachte 7] en [verdachte 2] binnen het samenwerkingsverband een leidende en sturende rol hebben gehad.

De rechtbank acht derhalve ook het onder feit 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 7 mei 2008 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, één of meer medewerkers van een filiaal van de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Florius (een onderdeel van de ABN-AMRO Hypotheken Groep B.V.), heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van € 250.625,- voor de aankoop/verbouwing van een huis en tot het aangaan van een schuld (hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat verdachte en diens mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, achtereenvolgens dan wel in een andere volgorde, maar wel in een onderlinge samenhang,

- een (voorlopig) koopkontrakt heeft ondertekend betreffende het pand [adres 14] te Almere, en

- naar een tussenpersoon, [naam 5], is gegaan (teneinde met behulp van die tussenpersoon een hypotheek af te sluiten) en daarbij heeft aangegeven dat hij, verdachte, de woning [adres 14] te Almere wilde kopen en daarvoor een hypotheek wilde afsluiten, en

- [naam 5] een aanvraag voor een hypotheek heeft doen indienen bij de assurantietussenpersoon/rechtspersoon EAC B.V., en een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek (voor de aanschaf van het pand [adres 14] te Almere) heeft gedaan, via EAC BV bij Florius, en

- op die aanvraag heeft vermeld, dat hij, verdachte, sinds 17 november 2007 fulltime in vaste loondienst was bij het bedrijf [bedrijf 11] (als senior financieel/administratief medewerker) en een bruto periodesalaris genoot van € 42.600,- alsmede een vakantiegeld van € 3.408,- terwijl verdachte nooit bij deze werkgever heeft gewerkt, en

- een taxatierapport heeft laten opstellen betreffende het pand [adres 14] te Almere, en

- een door Florius (naar aanleiding van genoemde aanvraag) aangeboden offerte voor een hypotheek (voor de aanschaf van het pand [adres 14] te Almere), (op verzoek van Florius, ter acceptatie van de offerte) heeft ondertekend en heeft retour gezonden aan Florius, en

- bij die ondertekende offerte heeft bijgevoegd, onder meer een valse werkgeversverklaring en valse salarisspecificatie, een rekeningafschrift van een rekening op naam van verdachte, een kopie van het (voorlopig) koopkontrakt betreffende [adres 14] en een taxatierapport betreffende [adres 14], en

- naar een notaris is gegaan ter passering van de hypotheekakte en daarbij een handtekening heeft geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en

- zich aldus heeft voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en inkomen, als zijnde een bonafide potentiële hypotheekgever met voldoende solvabiliteit, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en tot het aangaan van bovengenoemde schuld;

Feit 2

hij in de periode van 30 november 2007 tot en met 19 januari 2010, in Nederland, op meerdere tijdstippen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorwerpen, te weten

- de woning [adres 14] te Almere, en

- aantallen hennepplanten en de inrichting van een hennepplantage (zoals lampen, bewateringsinstallatie) en geldbedragen, te weten

- hypotheekgelden (als bij voormelde woning ad € 250.625,-) en - maandelijkse (vermeende) loonbetalingen van de rechtspersoon [bedrijf 11] (€ 2.279,26 op 30 november 2007, 28 december 2007 en 24 januari 2008 en € 2.285,25 op 25 februari 2008, 25 maart 2008, 15 april 2008 en 20 mei 2008), en

- ontvangen 22 mei 2008 een bedrag van € 25.281,- uit een persoonlijke lening afgesloten bij de rechtspersoon [bedrijf 12] BV, en

- ontvangen 27 mei 2008 een bedrag van € 32.789,- uit een persoonlijke lening afgesloten bij de rechtspersoon [bedrijf 13], en - diverse geldbedragen, door verdachte gestort op zijn bankrekening [nummer] (€ 1.200,- op 15 september 2008, € 1.000,- op 05 januari 2009,

€ 1.830 op 29 januari 2009, € 1.600,- en € 700,- en € 200,- op 02 maart 2009, € 1.980,- en € 1.500,- op 04 maart 2009, € 810,- op 04 mei 2009, € 1.200,- en € 1.000,- op 14 mei 2009 en € 1.020,- op 29 mei 2009), en

- in de periode van januari 2009 tot en met juli 2009 3 keer een geldbedrag van € 5.000,-, afkomstig van [verdachte 2],

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 3

hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 19 januari 2010 te Almere in het pand [adres 14], tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en verwerkt ongeveer 218 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 4

hij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 19 januari 2010 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit het duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen te weten naast verdachte de personen [verdachte 2], [verdachte 7], en andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- oplichting (als in artikel 326 lid 1, SR),

- valsheid in geschrifte en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften (als in artikel 225 lid 1 en 2, SR),

- het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, bewerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, althans opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep (als in artikel 3, sub B en C, OW),

- witwassen (als in artikel 420bis, lid 1, sub a en b, SR);

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1:

Medeplegen van oplichting

Onder 2:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd

Onder 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld in artikel 11, lid 2, van de Opiumwet,

Onder 4:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages en het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister, alsmede met de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten binnen een crimineel samenwerkingsverband. Verdachte is zich er ook van bewust geweest dat hij deelnam aan deze organisatie.

Samen met in ieder geval twee medeverdachten heeft hij door middel van oplichtings- en witwaspraktijken, waaronder het gebruik maken van valse werkgeversverklaring en salarisspecificaties, bewerkstelligd dat een financiële instelling hem een hypothecaire lening heeft verschaft om met de daaruit verkregen gelden een woning te kopen. Om de kredietwaardigheid richting de financiële instelling te versterken werd er op naam van het bedrijf dat de werkgeversverklaring had verstrekt een aantal salarisbetalingen gedaan, die verdachte vervolgens heeft gebruikt om betalingen voor de criminele organisatie te doen. In die woning is in aansluiting daarop door de organisatie een hennepkwekerij ingericht. Tegen betaling heeft verdachte zorg gedragen voor het onderhouden van de hennepkwekerij en heeft hij hand- en spandiensten verricht in het kader van hennepteelt. Er is door de organisatie vanuit de woning meerdere keren hennep geoogst en verwerkt.

De organisatie heeft ook in andere panden - in ieder geval in één andere woning door gebruik te maken van overeenkomstige frauduleuze handelingen- hennepkwekerijen ingericht.

De leden van de organisatie hebben op deze wijze op een gewiekste en doortrapte wijze financiële instellingen om de tuin weten te leiden om hun doel - het ter beschikking krijgen van gelden om woningen aan te kopen waarin door de organisatie vervolgens hennepkwekerijen werden ingericht- te bereiken. Door dit strafbare handelen is het vertrouwen dat de financiële instellingen moeten kunnen hebben in de juistheid van de bij hen aangeleverde schriftelijke stukken ter verkrijging van een hypothecaire lening aangetast.

Er mag er van worden uitgegaan dat als de drijfveer voor de criminele activiteiten van de organisatie het financiële gewin uit hennepteelt en -handel heeft gegolden.

Tussen de leden van de criminele organisatie hebben een aanzienlijk aantal geldtransacties plaatsgevonden. Ook verdachte is daadwerkelijk betrokken geweest bij die transacties en hij heeft zich zodoende schuldig gemaakt aan witwassen. Daarbij gaat het in een aantal gevallen om omvangrijke bedragen. Hij heeft zelfs een tweetal leningen afgesloten om gelden te verwerven voor de organisatie. Aangenomen mag worden dat deze transacties voornamelijk in relatie staan tot bedoelde hennepteelt en -handel. Algemeen bekend is dat de uit hennepplanten te verkrijgen stof niet alleen bij gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook leidt tot allerlei andere vormen van criminaliteit.

Enerzijds valt verdachte in ernstige mate te verwijten dat hij heeft deelgenomen aan de hiervoor omschreven criminele organisatie en de wijze waarop hij betrokken is geweest bij die organisatie. Daarbij past geen andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Anderzijds neemt de rechtbank in aanmerking dat, voor zover valt te overzien, de omvang van de organisatie en het aantal door die organisatie gepleegde strafbare feiten relatief beperkt is gebleven en dat verdachte, die voor dergelijke feiten nimmer eerder is veroordeeld, slechts een faciliterende en ondersteunende rol heeft gespeeld binnen dat samenwerkingsverband in een periode dat het niet goed met hem ging. Momenteel heeft hij aan zijn leven een positieve wending gegeven: hij heeft werk en heeft geen contact meer met personen die binnen de organisatie actief waren. Daarnaast heeft hij ter terechtzitting - in tegenstelling tot hetgeen uit de in een eerder stadium opgemaakte rapporten van de reclassering en de gezondheidspsycholoog drs. [naam] naar voren komt- oprecht spijt betuigd en daar ook concreet vorm aan gegeven door daadwerkelijk te starten met de afbetaling van de schade die gedupeerden door zijn strafbare handelen hebben geleden. Onder de gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank het op te leggen onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf beperkt blijven tot de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast acht de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, niet alleen om de ernst van de door verdachte gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen maar ook om hem te ondersteunen in de positieve weg die hij is ingeslagen en hem er van te weerhouden opnieuw te vervallen in het plegen strafbare feiten.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten:

- 1 personenauto, merk en type Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken], kleur blauw;

- 1 bankbiljet van 5 euro,

moet worden verbeurdverklaard.

Voornoemde voorwerpen behoorden aan verdachte toe, waren of geheel of ten dele ten eigen bate aangewend en waren geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de strafbare feiten verkregen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de volgende artikelen:

- 33, 33a, 47 lid 1 aanhef en onder 1, 57, 140 lid 1, 326 en 420bis lid 1 aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht;

- 3 aanhef en onder B en 11 lid 2 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 342 dagen.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 180 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 3 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Verklaart verbeurd:

- 1 personenauto, merk en type Volkswagen Golf, met kenteken [kenteken], kleur blauw;

- 1 bankbiljet van 5 euro.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 februari 2013.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.