Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ2405

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
C18-138838-PR RK 13-32
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking omdat een aanhoudingsverzoek niet wordt gehonoreerd.

Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

MEERVOUDIGE KAMER

Locatie: Groningen

Zaaknummer: C/18/138838 / PR RK 13-32

Datum beslissing: 28 januari 2013

Beslissing op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[A],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

verzoeker,

advocaat mr. P.Th. van Jaarsveld.

1. Procesverloop

1.1 Ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van 28 januari 2013 in de zaak met parketnummer 18/670221-12, waarbij verzoeker als verdachte is betrokken, heeft de raadsman van verdachte, mr. P.Th. van Jaarsveld, een mondeling verzoek gedaan tot wraking van mrs. J.V. Nolta, L.H.A.M. Voncken en M.B. de Wit, rechters in de strafsector van deze rechtbank, hierna te noemen de meervoudige kamer.

1.2 Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, M.W. de Jonge en Th.A. Wiersma, leden.

1.3 Op 28 januari 2013 is het verzoek tot wraking door de rechtbank ter openbare terechtzitting behandeld. Verzoeker en diens raadsman zijn ter zitting verschenen evenals mrs. J.V. Nolta, L.H.A.M. Voncken en M.B. de Wit, rechters voornoemd, alsmede

mr. C. Fahner, officier van justitie.

1.4 Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter zitting van 28 januari 2013 te 16.30 uur.

2. Standpunt van partijen

2.1 De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - het navolgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. Namens verdachte is bij brief van 17 januari 2013 aan de officier van justitie het verzoek gedaan om verdachte te laten onderzoeken door gedragsdeskundigen.

De raadsman heeft opgemerkt dat het hem verbaast dat hierover overleg is geweest tussen de officier en de meervoudige kamer. Ter zitting heeft de raadsman een verzoek tot aanhouding gedaan. Het verzoek is door de meervoudige kamer afgewezen. Door het aanhoudingsverzoek af te wijzen heeft de meervoudige kamer het redelijk belang van de verdediging miskend. Bovendien is de afwijzing onvoldoende gemotiveerd. De raadsman is van mening dat zijn cliënt in zijn verdediging is geschaad en is van mening dat hij recht heeft recht op een uitgebreidere motivering waarom de verdediging volgens de meervoudige kamer niet in haar belang is geschaad. Door het verzoek af te wijzen heeft de meervoudige kamer het verdedigingsbelang uit het oog verloren.

2.2 De meervoudige kamer heeft ter zitting laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek. De meervoudige kamer heeft een kopie overgelegd van het e-mailcontact dat de meervoudige kamer met de officier van justitie over deze zaak heeft gehad. Van dit

e-mailcontact was de raadsman niet op de hoogte. Het eerder genoemde faxbericht van de raadsman was gericht aan het Openbaar Ministerie en is niet (in kopie) aan de meervoudige kamer toegezonden.

2.3 De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat zij zich ter zitting heeft verzet tegen de verzochte aanhouding.

3. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 512 Sv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2 De rechtbank is van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek.

4.3 De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdig¬heid van de rechter als uit¬gangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aan¬wijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf wordt het verzoek beoordeeld.

4.4 De meervoudige kamer heeft het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden afgewezen. De rechtbank overweegt dat een dergelijke negatieve beslissing op zichzelf niet duidt op vooringenomenheid van de meervoudige kamer. De meervoudige kamer heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bovendien uitdrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat op een later moment op deze beslissing teruggekomen kan worden. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen biedt geen ruimte voor een beoordeling van de juistheid van de door de meervoudige kamer genomen beslissing. Grond voor wraking bestaat alleen als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Het e-mailcontact tussen de meervoudige kamer en de officier van justitie onderbouwt dit geenszins.

4.6 Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de meervoudige kamer de afwijzing van het verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank overweegt dat ook voor een eventueel gebrek aan een deugdelijke motivering geldt, dat dit geen grond is voor wraking, maar dat dit slechts in hoger beroep kan worden beoordeeld.

4.7 Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de rechter¬lijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden, moet de conclusie zijn dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af,

bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 18/670221-12 wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het mondelinge verzoek tot wraking;

beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan mrs. J.V. Nolta,

L.H.A.M. Voncken en M.B. de Wit en de hoofdofficier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland.

Aldus gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, M.W. de Jonge en Th.A. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Nienhuis als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2013.