Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ2286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
567557 - EJ VERZ 12-556
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

partiële ontbinding; geen verband met arbeidsongeschiktheid; vergoeding naar rato

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 567557 \ EJ VERZ 12-556

beschikking d.d. 25 januari 2013

inzake

de besloten vennootschap Integron Group B.V.,

gevestigd te Groningen,

verzoekende partij, hierna Integron te noemen,

gemachtigde mr. J. Keizer, advocaat te Groningen,

tegen

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

verwerende partij, hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. M.M. Pasman, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Integron heeft bij verzoekschrift met bijlagen, ter griffie binnengekomen op 28 november 2012, verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst -zonder toekenning van een vergoeding aan werkneemster- te ontbinden wegens gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7: 685 BW, in de zin van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat voortzetting van de huidige arbeidsovereenkomst niet van werkgeefster kan worden gevergd.

Integron heeft daartoe primair verzocht de arbeidsovereenkomst partieel te ontbinden, in dier voege dat de omvang van het dienstverband wordt teruggebracht van 36 naar 20 uren per week.

Subsidiar heeft Integron de algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht met bepaling dat [A] aansluitend een dienstverband wordt aangeboden met dezelfde arbeidsvoorwaarden maar op basis van een 20-urige werkweek.

Bij verweerschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 7 januari 2013, heeft [A] zich tegen het verzoek verzet.

De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen (Integron vertegenwoordigd door de heer [naam], directeur en mevrouw [naam], controller) en hun gemachtigden plaatsgevonden op 11 januari 2013. Partijen hebben ter zitting hun wederzijdse standpunten nader uiteengezet, mede aan de hand van pleitaantekeningen. De griffier heeft aantekening gehouden van wat partijen ter zitting hebben aangevoerd.

Partijen hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties in het geding gebracht.

Uitspraak is bepaald op heden.

De Wet Herziening Gerechtelijke Kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

OVERWEGINGEN

De feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties staat het volgende vast.

1.1. De Integron-groep biedt technische dienstverlening en onderhoud betreffende pneumatische en hydraulische systemen. Daarnaast ontwikkelt, assembleert en installeert zij klant-specifieke machines en levert engineeringactiviteiten “in house” of ter plaatse. De groep bestaat uit een holding en 5 werkmaatschappijen.

1.2. [A], geboren op [medio 1971], is op 1 januari 2006 bij (de rechtsvoorgangster van) Integron als personeelsfunctionaris in dienst getreden, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar per 1 januari 2007 voor onbepaalde tijd. [A] is thans werkzaam in de functie van manager P&O voor 36 uren per week (0,9 fte) tegen een salaris van € 3.770,87 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.3. [A] is uit hoofde van haar functie als manager P&O van de Integron-groep verantwoordelijk voor alle personeelszaken binnen de organisatie. De taken en verantwoordelijkheden liggen op het gebied van werving en selectie, personeelsdossiers, salaris- en verzuimbeleid, functionerings- en beoordelingsgesprekken, opleiding en contractbeëindiging. Het werk wordt met een grote mate van zelfstandigheid uitgevoerd.

Het standpunt van Integron

2. Integron stelt dat de sedert 2008 ingezette financiële en economische crisis de groep hard heeft geraakt. Door het wegvallen van opdrachten is de omzet teruggelopen. Het personeelsbestand is inmiddels al met een fors percentage teruggebracht. In 2012 verwacht Integron wederom een negatief groepsresultaat. Zowel directie als aandeelhouders zien de noodzaak van verdergaande saneringsmaatregelen en hebben daartoe een plan voor 2013 opgesteld, dat voorziet in een verdere reductie van loonkosten (met name in de overhead). Naast een nieuwe ontslagaanvraag voor 2 werknemers van een werkmaatschappij wordt nu ook het terugbrengen van de functie van [A] tot 0,5 fte noodzakelijk geacht. Integron kan daarmee loonkosten besparen, terwijl ook het teruglopend werknemersbestand er toe heeft geleid dat de omvang van het takenpakket van [A] evenredig is verminderd. Dat het werk van [A] is geslonken, blijkt ook uit “de praktijk” nu [A] ondanks een hoog afwezigheidspercentage vanaf 2010 ([A] is slechts 62 % van haar werktijd feitelijk aanwezig geweest) in staat is gebleken het werk “bij te houden”. [A] heeft een hoog ziekteverzuim als gevolg van een bipolaire persoonlijkheidsstoornis, tot uiting komend in manisch depressiviteit. Hoewel [A] qua belasting het meest gebaat zou zijn bij een werkdag van 4 uren -de bedrijfsarts en geraadpleegde arbeidsdeskundige, alsook [A] zelve oordelen verschillend over de blijvende arbeidsongeschiktheid van [A] op dit punt- houdt het verzoek tot partiële ontbinding geen verband met de arbeidsongeschiktheid van [A], nu een bedrijfseconomische reden bestaat voor het terugbrengen van de functie van manager P& O en overigens geen passend werk voor [A] voorhanden is. Waar een nieuw dienstverband wordt aangeboden en overigens geen financiële middelen voorhanden zijn, bestaat geen aanleiding voor een ontbindingsvergoeding.

Het standpunt van [A]

3. [A] betwist de bedrijfseconomische noodzaak van haar ontslag, alsook de afname van haar werkzaamheden en het teruglopend werknemersbestand. Volgens haar probeert Integron het wettelijk opzegverbod te omzeilen. [A] erkent dat in 2010 bij haar de diagnose bipolair stoornis is vastgesteld, maar betwist dat deze stoornis er toe heeft geleid dat zij langdurig volledig is uitgevallen. Wel erkent [A] dat ze sinds 2010 veelvuldig afwezig is geweest op het werk, maar dat kan in de onderhavige situatie geen dringende reden opleveren. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat er sprake is van een chronisch ziektebeeld waarbij beperkingen kunnen wisselen maar dat er geen beperkingen zijn ten aanzien van de werktijden. [A] heeft zich achter de visie van de bedrijfsarts geschaard en acht zich mitsdien niet blijvend arbeidsongeschikt. Wel heeft de ontslagaanzegging er toe geleid dat ze sinds november 2012 (in haar ogen noodgedwongen) volledig ziek thuis is. In het licht van goed werkgeverschap is Integron verplicht de werkzaamheden zo in te richten dat [A] deze kan blijven verrichten. Zij heeft er een groot belang bij dat zij haar volledige baan behoudt. Voor het geval de kantonrechter onverhoopt toch tot (partiële) ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal overgaan, maakt zij aanspraak op een vergoeding ter hoogte van € 36.366,56 bruto op basis van de factor C=3 van de kantonrechtersformule.

De beoordeling

4. De kantonrechter stelt vast dat Integron primair de benarde bedrijfseconomische positie van de groep aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd, zodat die grondslag leidend zal zijn voor de beoordeling van de vraag of het onderhavig verzoek toewijsbaar is.

5. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting acht de kantonrechter genoegzaam aangetoond dat Integron in een zorgelijk bedrijfseconomische positie verkeert. De verliescijfers, zoals die blijken uit de overgelegde jaarstukken, en het recente advies van de accountant om verder in te grijpen in het personeelsbestand om de continuïteit van de bedrijfsvoering en daarmee de werkgelegenheid van de overige werknemers te garanderen, wijzen op de noodzaak om het kostenniveau terug te dringen. Daar komt bij het acute liquiditeitsprobleem in oktober 2012 die de grootaandeelhouder noopte om met een eenmalige financiële injectie te voorkomen dat overheadkosten, waaronder het salaris van [A], niet konden worden voldaan. Dat de grootaandeelhouder daarbij de eis stelde dat aanvullende maatregelen zouden worden genomen om het kostenniveau voor 2013 op peil te brengen, maakt het ingrijpen eens te urgenter.

6. [A] heeft de sterk teruglopende bedrijfsresultaten en de noodzaak tot ingrijpen ook niet bestreden. Sterker nog, zij heeft de recente verzoeken aan het UWV tot het verkrijgen van een ontslagvergunning voor een tweetal medewerkers in oktober 2012 zelf opgesteld en als MT-lid onderschreven. De enkele cijfermatige correctie, zoals de doorbelasting in oktober 2012 van haar salaris aan de grootaandeelhouder, heeft Integron in voldoende mate en op overtuigende wijze weerlegd (zie hiervoor) zodat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding bestaat een nader onderzoek naar de cijfers van Integron te bevelen. Ook de door [A] aangedragen alternatieve maatregelen tot kostenbesparing maken dit oordeel niet anders, nu uit die maatregelen niet volgt dat -marginaal toetsend- Integron in redelijkheid niet tot deze beleidskeuze, te weten het verder snijden in de overheadkosten, had mogen komen.

7. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Integron voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij om bedrijfseconomische redenen in de omvang van haar personeelsbestand moet ingrijpen. Dat Integron daarbij de beleidskeuze heeft gemaakt om bij deze ontslagronde met name de overheadfuncties, waaronder de functie van manager P&O, in te krimpen acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden niet onredelijk.

8. Uit de overgelegde overzichten is de kantonrechter gebleken dat het totale personeelsbestand van Integron sinds de indiensttreding van [A] is gedaald van 90 medewerkers tot 59 per 1 december 2012 en zal teruglopen tot 56 per 1 april 2013 (waaronder een recent door de kantonrechter uitgesproken ontbinding tegen 1 maart 2013) terwijl nog 1 ontslagvergunningsprocedure bij het UWV loopt. Alleen al uit deze getallen kan redelijkerwijs een evenredige vermindering van het takenpakket van [A] worden afgeleid. Dat bij dit aantal de 14 medewerkers van DTS-2 -een aan Integron gelieerde onderneming waarvoor [A] op afroepbasis P&O-werkzaamheden verricht- moeten worden opgeteld, zoals [A] betoogt, passeert de kantonrechter. Nog daargelaten dat Integron heeft aangegeven dat, getuige de gedeclareerde uren, deze werkzaamheden hooguit 2 uur per week bedragen, is gesteld dat deze werkzaamheden in 2013 zullen worden beëindigd, zodat die werkzaamheden hoe dan ook buiten dit bestek vallen.

9. Nu een bedrijfseconomische reden bestaat voor het terugbrengen van de functie van manager P& O bestaat naar het oordeel van de kantonrechter geen verband tussen de arbeidsongeschiktheid van [A] en het onderhavig verzoek tot partiële ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het moge zo zijn dat Integron de veelvuldige afwezigheid van [A] terwijl er (zonder vervanging) geen achterstand is in het P&O-werk, heeft gebruikt om aan te tonen dat er feitelijk slechts behoefte is aan 0.5 fte P&O-functionaris, maar niet gebleken is dat Integron haar -naar vast staat- huidige bedrijfseconomische malaise thans “misbuikt” om [A] voor 0.4 fte te ontslaan. In dat geval zou het immers veeleer voor de hand hebben gelegen dat Integron de algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst zou hebben aangevraagd. Dat het verzoek op gespannen voet staat met een ontslagverbod is de kantonrechter dan ook niet gebleken.

10. Waar het verzoek slechts een partiële ontbinding van de arbeidsovereenkomst betreft omdat wel financiële draagkracht en werk resteert voor een dienstverband van 20 uren per week, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst slechts voor het meerdere -te weten 16 uren per week- wegens gewichtige redenen ontbinden met een aanpassing van het salaris en de overige emolumenten naar rato. Niet valt in te zien waarom een partiële ontbinding niet mogelijk zou zijn. De specifieke wettelijke bepaling (artikel 7:685 BW) verbiedt het niet, terwijl de gedeeltelijke ontbinding van andere overeenkomsten dan betrekkelijk tot arbeid in artikel 6: 265 BW expliciet is geregeld. Het biedt de kantonrechter bovendien de gelegenheid om maatwerk te leveren en, in samenhang met de ontbindingsvergoeding, tot een uit oogpunt van billijkheid optimaal resultaat te komen.

11. Ten aanzien van de vraag of er aanleiding bestaat om een ontbindingsvergoeding toe te kennen, overweegt de kantonrechter als volgt.

12. Bij de beoordeling van deze vraag betrekt de kantonrechter de omstandigheid dat [A] hoe dan ook tot heden tot tevredenheid heeft gefunctioneerd, althans het tegendeel is gesteld noch gebleken. Het veelvuldig ziekteverzuim van [A] mag in dit geval geen rol spelen, nu daarvan [A] geen verwijt kan worden gemaakt en door Integron ook geen verwijt wordt gemaakt. Wel speelt een rol dat de ontbinding slechts een deel van de arbeidsovereenkomst treft en voorts dat Integron in financieel opzicht weinig “spek op de botten” heeft.

13. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder ook begrepen de leeftijd van [A] en haar kansen op de arbeidsmarkt, acht de kantonrechter het redelijk dat aan [A] een beëindigingvergoeding wordt toegekend gelijk aan 16/36e deel van het bedrag waarop zij volgens de kantonrechtersformule met factor C=1 aanspraak had kunnen maken bij de volledige beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Dit komt neer op een bedrag van € 11.765,12 bruto.

14. De referte van Integron aan het slot van haar verzoekschrift verstaat de kantonrechter als een afstand van haar recht om krachtens het bepaalde in art. 7:685 lid 9 BW het verzoek alsnog in te mogen trekken.

15. De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, op grond van gewichtige redenen bestaande in een verandering van de omstandigheden, met ingang van 1 februari 2013, doch slechts gedeeltelijk, in die zin dat het aantal arbeidsuren met ingang van die datum 20 uren per week bedraagt met aanpassing van het thans geldende salaris en de overige emolumenten naar rato;

kent aan [A] ten laste van Integron toe een vergoeding van € 11.765,12 bruto met veroordeling van Integron om dat bedrag aan [A] te betalen;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen de eigen kosten dragen.

ontzegt - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Oostdijk, kantonrechter, en op 25 januari 2013 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: